Allemaal anders is geen identiteit

‘Allemaal Anders’ is geen identiteit

 

Om de Nederlandse identiteit te achterhalen, had De Wereld Draait Door afgelopen vrijdag drie reclamebureaus aan het werk gezet. De uitkomst was onthullend. ( http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/370653 voor de drie filpmjes) Het eerste filmpje benadrukte dat we allemaal anders zijn. Het tweede filmpje begon interessant met boerenkoopstamppot die je, net als autochtonen  en allochtonen niet meer uit elkaar kunt halen. Vervolgens gooiden ze van alles door die boerenkool stamppot (slagroom, snoepjes, hagelslag, bier) waardoor ze vooral de indruk achterlieten dat identiteit een niet serieus te nemen rommeltje is en niet te pruimen. In het derde filmpje werd iedereen uitgenodigd om zich bij de club van de vrijheid te voegen.  Maar dat filmpje bleef steken in ‘IK’ en heel veel ‘ikken’ maken nog geen ‘wij’. Alexander Pechtold wees er vervolgens nog eens op, met verwijzing naar prinses Maxima, dat de Nederland niet bestaat en dat het nog niet zo slecht gesteld is met een land dat niet meer heeft om zich druk over te maken dan zijn identiteit.

Ook dit item in DWDD laat zien hoe we er niet in slagen het onderwerp serieus te nemen. De Nederlandse identiteit, zo is het terugkerende verhaal, bestaat uit dat we allemaal anders zijn. Nu is dat een waarheid als een koe en het is een dooddoener van elk serieus gesprek. Dat gesprek begint niet met de constatering dat we allemaal anders zijn maar met de vraag of het van belang is dat er zoiets als een gedeelde identiteit is.  Waarom hebben we die eigenlijk nodig? Zonder gedeelde identiteit zijn de grenzen van Nederland willekeurig getrokken en nietszeggend. Als er niets is wat ons bindt behalve dat we allemaal anders zijn, dan zijn de grenzen op de landkaart willekeurig en zouden die lijnen ook elders getrokken kunnen worden. Dan zou Nederland net zo goed een  deelstaat van  Duitsland kunnen zijn (die zijn namelijk ook allemaal anders) of opgaan in de Europese Unie (nog veel meer anders-zijn!).

De tweede is dat een gedeelde idee van wat Nederlander zijn betekent de basis is van onze solidariteit. Onze bereidheid om 40% van ons BNP (alles wat we samen verdienen) via belastingen en premies  in te zetten voor elkaar en voor collectieve voorzieningen vraagt dat we ondanks onze verschillen voldoende hebben dat ons bindt. Als het niet meer is dan een wederzijdse transactie begint het calculerend gedrag en treedt verdere slijtage op in de voorzieningen van onze welvaartstaat.

Constateren dat we allemaal anders zijn (waarheid als een koe) is niet het antwoord op de vraag naar identiteit, maar het begin ervan. Dat wat we delen is van iedereen; daar draagt iedereen aan bij ongeacht geboortegrond of afkomst.  Die is ook meer dan Koningsdag, het Wilhelmus en de vlag. Daarin speelt onze geschiedenis een stevige rol: onze strijd met het water heeft ons gevormd. Nederland is het land van polderen als we een probleem, onze traditie van veel praten en vergaderen. Voor Nederland is de Tweede Wereldoorlog hét morele ijkpunt als het gaat om goed en kwaad. We zijn recht voor zijn raap en in de ogen van buitenlanders bot. Maar we zijn ook een handelsnatie, nemen overal wat van mee en zijn daardoor van nature tolerant. Met die traditie zijn  we prima in staat ruimte te maken voor nieuwe inbreng.

Simpele antwoorden bestaan niet en symbolische bezweringen zoals het zingen van het volkslied in de klas gaan het probleem niet oplossen. Dat het nu op de politieke agenda staat is winst na zeker twintig jaar verwaarlozing. Simpele one-liners en teruggrijpen op een niet-bestaand romantisch verleden zijn onvoldoende en ‘allemaal anders’ is een zwaktebod dat op den duur desastreus gaat uitpakken