2003 Dictators

Dictators niet steunen is slimmer dan ze vangen

Echte vreugde over de gevangenneming van Sadam Hussein behoort toe aan de Iraakse bevolking en aan de duizenden Irakezen die gedwongen door het wrede regime hun land moesten ontvluchten. De Amerikanen en Britten zouden de slag die ze geslagen vooral met gemengde gevoelens moeten bezien en zich ervan bewust moeten zijn dat de jacht op Saddam waarschijnlijk helemaal niet nodig zou zijn geweest als ze hem niet in de jaren tachtig zelf vorstelijk in het zadel hadden geholpen.

Er is alle reden voor een grondig zelfonderzoek onder de Amerikanen en hun bondgenoten, ook Nederland, naar de wijze waarop ze in de afgelopen veertig jaar machthebbers hebben gesteund en hoe ze daarbij maar al te vaak de verkeerde keuzen hebben gemaakt. Er is een lange lijst samen te stellen die loopt van Pinochet en Videla in Zuid-Amerika via Rioss Montt in Midden Amerika en Moboetoe en Jonas Savimbi in Afrika maar Suharto en Musharraf in Azië.

De Amerikaanse inval in Irak wordt verdedigd met de boodschap dat Amerika democratie komt brengen en de gevangenneming van Saddam was aanleiding voor het breed uitpakken van woordvoerders: nu was de weg vrij voor de realisering van die doelstelling.

Wie echter over de afgelopen veertig jaar de Amerikaanse politiek ten aanzien van anti-democratische en wrede machthebbers overziet, weet dat die politiek beheerst wordt door geopolitieke overwegingen en door angst. Angst voor de communisten, angst voor zelfstandigheid van landen die als de achtertuin of invloedssfeer van de Verenigde Staten worden gezien. In veel gevallen leidde dat tot de simpele redenering: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Zo kwam Saddam als bestrijder van de ayatollahs van Iran in beeld als een steunwaardige leider in het Midden-Oosten.

De voortdurende steun van de VS als economische, politieke en militaire grootmacht heeft ertoe geleid dat machthebbers in veel landen het land geruïneerd hebben en de basis voor democratie en good bestuur hebben vernietigd. Dictators bouwen hun land op op basis van drie pijlers. De eerste daarvan is het uitspelen van etnische en politieke tegenstellingen. Moboetoe speelde de etnische kaart in Zaire ( Congo), Savimbi dompelde met Amerikaanse steun Angola in een uitzichtloze burgeroorlog, Suharto speelde de Javanen uit de rest van Indonesië. Pinochet maakte de tegenstellingen tussen alles wat (internationaal) links was en de trouwe nationalisten tot de basis van zijn regime. Die kaart leidt overal tot fundamenteel wantrouwen tussen bevolkingsgroepen, waardoor overal moeizame processen van verzoening en wederzijdse acceptatie nodig zijn. Er is vaak sprake van diepe kloven en van wraakgevoelens. De tweede pijler is die van het nepotisme: een kleine kliek van vertrouwelingen krijgt de kans om de staat leeg te roven en de rijkdommen van het land aan zich te trekken. De Suharto-kliek heeft in dertig jaar tijd een belangrijke bijdrage geleverd aan de teruggang van het tropisch oerwoud in Indonesië. De derde pijler is het afschaffen van elke vorm van transparantie en verantwoording. Leger, veligheidsdiensten en economische elite hoeven geen verantwoording meer af te leggen en journalistieke vrijheden worden als eerste afgeschaft.

Het resultaat is een land waarin coprruptie tot de norm van het dagelijks leven, waar angst en wantrouwen tussen bevolkingsgroepen de basis zijn voor de onderlingen contacten tussen mensen en waar niemand meer weet welke informatie je nog vertrouwen kunt. En het zijn landen waar grote groepen op de vlucht slaan en zich elders als asizleoekers melden. Het is vaak de intellectuele elite die vertrekt terwijl die onmisbaar is voor ontwikkeling van evenwichtig bestuur. In die context is het opbouwen van democratie en een staat die verantwoording aflegt aan haar burgers een illusie. De tegenstellingen tussen (o.a.) Sunnieten, Shiieten en Koerden die het de Amerikanen nu in Irak zo moeilijk maken om een geloofwaardig eigen bestuur op te bouwen, hebben hun oorsprong in de door henzelf gesteunde dictatuur van Saddam.

Het is niet voor niets dat de meeste dictators en wrede machthebbers in ontwikkelingslanden te vinden zijn en dat het ook ontwikkelingslanden zijn waar het ontbreken van goed overheidsbestuur een essentiële factor is. Voor de Amerikaanse politiek zijn democratie en mensenrechten het sluitstuk van hun politieke keuzen. Zolang zij niet mede de inzet zijn van de politieke analyse en de keuzen, zullen de Verenigde Staten tegen nieuwe Iraks blijven aanlopen waar ze de gevolgen van hun beperkte geopolitieke keuzen zullen tegenkomen.

Ook Nederland kan zich niet aan de zelfanalyse op dit punt onttrekken. Te vaak is er sprake van halfslachtigheid in de Nederlandse politiek en wordt uiteindelijk gekozen voor een beleid waarbij de kool en de geit worden gespaard. De grote bondgenoot/bondgenoten worden niet afgevallen, maar we plakken met grote vaardigheid pleisters om de slachtoffers van dergelijke regimes tegemoet te komen. Een consequentere keuze voor mensenrechten en goed bestuur zou in veel gevallen tot andere keuzen moeten leiden. Het is wat dat betreft een bemoedigend signaal dat juist dit week-end minister van Ardennen zich afvraagt of Uganda en Rwanda op Nederlandse ontwikkelingshulp kunnen blijven rekenen nu ze nog steeds actief betrokken bolijken te zijn bij de strijd in Oost-Congo.

Er is dringend behoefte aan gemeenschappelijke internationale afspraken tussen democratische regeringen over de wijze waarop zij dictators tegemoet treden. Politieke, economische en in het uiterste geval ook militaire druk passen daarin. De gebeurtenissen met betrekking totr dertig jaar steun aan en vervolgens oorlog tegen en jacht op Saddam laten zien dat we daarbij democratie en mensenrechten van meet af aan een centrale rol laten spelen. Wie mensenrechten en democratie tot sluitstuk maakt van de boekhouding moet zich realiseren hoeveel mensenlevens dat kost. Irak laat zien dat dat niet alleen de mensenlevens van de Iraki’s zijn, maar ook die van Amerikanen, Italianen en Spanjaarden.