2006 Staat en Civil society

Maatschappelijke organisaties als cement van de samenleving

Stel, je staat voor een darmkanker-operatie, Je wilt je als moderne zorgconsument goed informeren voor je besluit naar welk ziekenhuis je gaat. Je belt de ziekenhuizen in je omgeving en vraagt ze hoe ze omgaan met lijden en dood, met angst daarvoor. Zeker weten dat de informatiemedewerker met de mond volk tanden staat. Ze kunnen je alles vertellen over de effectiviteit en efficiency van het ziekenhuis, over de positie in de benchmark, over de klanten waardering van de hotelfunctie, maar niet over de vraag hoe ze het lijden een plaats geven in het leven of hoe ze je helpen omgaan met de angst voor de dood.

Stel, je zoekt als ouders een middelbare school voor je dochter. Op de ouderavonden en open dagen kunnen ze je alles vertellen over de score die ze hebben  behaald in het jaarlijkse Trouw-onderzoek. En ook de beoordeling van de onderwijsinspectie op basis va eindexamencijfers, aantal zittenblijvers hebben ze paraat. Maar hoe ze aankijken tegen de weg naar volwassenheid die je kind gaat afleggen in die cruciale periode tussen 12 en 18 blijft gehuld in vaagheden. Ze roepen iets over ontplooiing en dat ze goede begeleiding op school hebben, maar hun beeld over de jong volwassene van achttien jaar en  wat de weg daarnaar toe betekent is in nevelen gehuld.

Er is sprake van een antropologische leegte: wat mens zijn betekent in de huidige samenleving is blijkbaar steeds minder of misschien wel helemaal niet meer een taak van maatschappelijke organisaties in welzijn, onderwijs en gezondheidszorg.

De ordening van de samenleving gaat niet alleen over de crisis tussen de burger en de politiek.

In de crisis tussen politiek en burger is er onvoldoende aandacht voor de rol die het maatschappelijk middenveld speelt of zou kunnen spelen. Er is sprake van een ontstellende erosie als het gaat over de rol van het maatschappelijk middenveld. Het maatschappelijk middenveld is in die periode met de ontzuiling haar eigen rol en haar identiteit kwijtgeraakt. De meeste maatschappelijke organisaties hebben zich exclusief gefocust op hun functionele kant van dienstverlener. Zij hebben zich teruggetrokken van hun rol als gids voor burgers die hun weg zoeken in hun eigen leven en in de samenleving. Het maatschappelijk middenveld is teruggedrukt – en heeft zich laten terugdringen – in de rol van uitvoerder, onderaannemer van de overheid.

De kern van deze ontwikkeling ligt in de rol van de staat in een pluriforme samenleving. De moderne West-Europese staat wordt in haar doen en laten vrijwel exclusief beheerst door wat inmiddels de functionele of doel-middel rationaliteit is gaan heten. Alle vraagstukken van de samenleving worden daarin teruggebracht tot vraagstukken van efficiency en effectiviteit. Voor zover het gaat over normen en waarden blijft de rol van overheid beperkt topt het handhaven van de wet en de algemene mensenrechten zoals die in de loop van de tijd internationaal zijn geaccepteerd. Niemand kan het daarmee oneens zijn, maar het is een onvoldoende antwoord op de vraag vanuit de samenleving naar zin en betekenis in een alsmaar verwarrender en complexer wordende wereld.

De West-Europese staat zit gevangen in een efficiency en effectiviteitsdenken en dat lijkt haar onvermijdelijke lot. In een pluriforme samenleving kan de overheid niet veel anders  doen dat goed te letten op een effectieve en efficiënt besteding van middelen omdat ze de waarden oriëntatie – los van de wetshandhaving en de mensenrechten- aan de burger zelf moet overlaten. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de burger zoekt naar een waarden oriëntatie die zin en betekenis en richting geeft aan haar of zijn leven. Meer welvaart levert wel meer en exotischer vakanties, maar geen antwoord op de vragen naar de zin van het leven, de betekenis van de dood van je kind of de zin van het lijden van een schoonzus  in de kracht van haar leven.

Het levert geen antwoord op de vraag waarom je huwelijk in een echtscheiding eindigt en wat dat betekent voor de rest van je leven. Of hoe je een kind begeleidt op haar weg naar volwassenheid in een wereld die steeds onoverzichtelijker wordt. Op al die vragen heeft de overheid geen antwoord en die kan ze ook niet geven gezien haar positie ten opzichte van alle burgers in de pluriforme samenleving.  Dat antwoord wordt ook niet gegeven door de universele verklaring van de rechten van de mens en het normatief handelen dat door de wetgever in de grondwet is vastgelegd. Die zijn toereikend om de verhoudingen in de samenleving te ordenen en te sturen, maar ze geven geen zin en betekenis aan individuele gebeurtenissen. Als een hoog niveau van welvaart en voorzieningen, gecombineerd met een goede organisatie van de grondrechten en mensenrechten, een afdoende zou zijn geweest voor de waarden oriëntatie van de burgers, zou de zoektocht van mensen in de seculiere samenleving niet meer nodig zijn. Wat aantoonbaar niet het geval is.

Het geven van antwoorden op de vragen naar zin en betekenis van individuele gebeurtenissen, gebeurt voor de seculiere burger nu vooral in de spreekkamer van de therapeut, d.w.z op het individueelste niveau waarin elke keer maatwerk wordt geleverd in het vinden van een interpretatiekader voor levenservaringen, teleurstellingen, angsten en geknakte verwachtingen. Vanaf dat individuele niveau wordt geen gemeenschappelijkheid gebouwd. Bovendien vinden deze individuele zoektochten naar zin en betekenis plaats in reactie op negatieve ervaringen. Er vindt geen preventie plaats: toerusting van mensen met interpretatiekaders die helpen om zelf op zoek te gaan naar zin en betekenis.

Het vullen van het braakliggende terrein van zin en betekenis zou een van de kerntaken van maatschappelijke organisaties moeten zijn op het terrein van welzijn, onderwijs en gezondheid, maatschappelijke dienstverlening. Die organisaties hadden die functie in de tijd van de verzuiling. In de ontzuiling hebben maatschappelijke organisatie die functie niet vernieuwd en getransformeerd, maar simpelweg losgelaten. Ze hebben zich ontdaan van hun ideologische en/of religieuze veren en hebben zich in navolging van de overheid bekeerd tot de functionele rationaliteit. En de overheid heeft hen gemaakt tot klonen van zichzelf: organisaties die effectief en efficiënt hun taken uitvoeren en op die kwantitatief (want in tabellen en cijfers te vangen) gedefinieerde kwaliteiten worden beoordeeld. Maatschappelijke organisaties hebben daarmee hun rol als leverancier en bewaker van waarden gedreven context verzaakt.

Dat is iets anders dan een pleidooi voor herzuiling: het gaat om het vergeten proces van transformatie van de oorspronkelijke functie van maatschappelijke organisaties in een geseculariseerde context. Er is in de waardengeschiedenis van de (westerse) wereld naast het door kerken beheerde erfgoed van Jezus Christus een heel scala van filosofen en levenskunstenaars die richting geven aan betekenis en zin van het bestaan. Het is niet noodzakelijk om terecht te komen bij andere (oosterse) godsdiensten. Van de klassieke oudheid (de schrijvers van de grote griekse tragedies, socrates, seneca, epicurus) via de verlichting (Kant, Rousseau) tot en met de moderne tijd (Habermas, Levinas, Riceur) is er een keur aan seculiere denkers die antwoorden geven op de vragen van het leven en die een interpretatiekader bieden om gebeurtenissen zin en betekenis te geven. Het zou een brevet van onvermogen zijn als maatschappelijke organisaties voor zichzelf geen bronnen zouden kunnen vinden buiten het religieuze spectrum om. Elk ziekenhuis zou, puttend uit die rijkdom een visie moeten hebben op wat mens zijn beteken in het aangezicht van leven en dood, van lijden en herstel. En elke school zou een opvatting moeten hebben over puberteit als overgangsfase tussen kind-zijn en volwassenheid, over de verhouding van individualiteit en groepsbinding. Die opvattingen zouden herkenbaar moeten zijn in het praktisch handelen van zorgverleners en docenten. Dat is niet teveel gevraagd. Elke hulpverlener en onderwijsgevende heeft zo’n opvatting, rudimentair of uitgewerkt. En zij of hij maakt er impliciet gebruik van in haar /zijn contacten met patiënten en medeleerlingen. Het gaat ook niet over zware theoretische documenten, waarmee patiënten en leerlingen en burgers bestookt zouden moeten worden. Een levensvisie-voor-dagelijks-gebruik is voldoende. Maar de organisaties zijn niet geïnteresseerd in die kant van het werk en sturen niet op het expliciteren van deze impliciete beelden en opvattingen over mens en samenleving.  Het vraagt van het management van maatschappelijke organisaties dat ze een proces van explicitering aangaan en vervolgens van profilering van hun organisaties.

In mijn eigen sector ontwikkelingssamenwerking, is diezelfde ontwikkeling zichtbaar. De overheid is alleen nog geïnteresseerd in effectiviteit en efficiency van bestedingen. Elke gedachte dat armoede en armoedebestrijding iets te maken hebben met waarden en visie op het leven in een globaliserende wereld verdwijnt in dat rationele perspectief.  Voor Cordaid is armoedebestrijding is in essentie een normatief engagement dat vertrekt vanuit onze opvattingen over gerechtigheid en solidariteit, over compassie en verzoening. We vertrekken vanuit de overtuiging dat de rijkdom van deze wereld toebehoort aan iedereen. Dat normatieve engagement gaat veel verder dan efficiency. Het ontbreken van dat normatieve engagement ten gunste van efficiency en effectiviteit zal van ontwikkelingssamenwerking steeds meer een technocratisch proces maken en het draagvlak bij mensen op den duur uithollen.

De dynamiek tussen overheid en maatschappelijke organisaties, sterk aangezet door het subsidiemechanisme, heeft ertoe geleid dat maatschappelijke organisaties steeds minder doen waarvoor de samenleving ze juist nodig heeft: leveranciers van waarden gedreven content die toegevoegde betekenis heeft boven op efficiënt en effectieve dienstverlening.

Ik pleit voor een nieuw verbond tussen overheid en maatschappelijke organisaties, gebaseerd op de erkenning dat de samenleving behoefte heeft aan collectieve waarden oriëntatie en dat de overheid die maar beperkt (grondrechten) kan bieden. Dat leidt tot complementariteit in de verhouding van overheid en maatschappelijke organisaties en leidt ook tot diversiteit.  In dat pact ligt de eerste verantwoordelijkheid nu eens niet bij de overheid maar bij maatschappelijke organisaties om die toegevoegde waarde zichtbaar te maken voor de zoekende burger.

Van de overheid mag als tegenprestatie verwacht worden dat ze de diversiteit van waarden oriëntatie zo belangrijk vindt dat ze dat wil financieren.  Dat vraagt een grondige verandering van het huidige subsidiedenken, waarbij juist elke waarden oriëntatie buiten haakjes wordt geplaatst: de overheid subsidieert functies van organisaties op grond van hun doeltreffendheid en doelmatigheid. Een nieuwe verhouding betekent dat organisaties juist aangemoedigd worden om hun visie op mens en samenleving als basis voor hun maatschappelijke functie zichtbaar te maken. Uiteraard met in stand houding van de scheiding van kerk en samenleving en binnen de grenzen van de wet. Er is geen belemmering voor de overheid om waarden gedreven maatschappelijke organisaties te subsidiëren. Het beste bewijs daarvoor is ons stelsel van cultuursubsidies. Cultuur gaat altijd over waarden oriëntatie: de grote Griekse tragedies, de koningsdrama’s van Shakespeare, de toneelstukken van Harold Pinter en Maria Goos zijn niet anders dan een verbeelding van de diepe  levensvragen van mensen. Hoewel: ook daar dreigt het spook van de efficiency en effectiviteit: bezoekersaantallen, benchmarking dringen binnen en verdringen waar het om gaat: de toerschouwer houvast bieden in haar zoeken naar richting en betekenis in en van het leven.

Bij dat pleidooi voor een nieuwe verhouding tussen overheid en maatschappelijke organisaties moge duidelijk zijn dat een beroep op de waarden gedreven meerwaarde van organisaties nooit een alibi mag zijn voor inefficiency en ineffectiviteit. Mismanagement kan nooit bedekt worden met de mantel van mooie opvattingen over mens en maatschappij. Zorgvuldig beheer van publieke middelen ‘ als een goed huismoeder’ en daar transparant verantwoording over afleggen,  is de basis van elke claim op bestaansrecht. Maar zorgvuldig beheer kan nooit de ultieme rechtvaardiging zijn van het werk van maatschappelijke organisaties in onderwijs, zorg, welzijn en internationale samenwerking.