2007 Sociaal kapitaal

Maatschappelijk middenveld als onmisbare schakel

Het kabinet trekt erop uit om gedurende haar eerste honderd dagen in gesprek te gaan met de samenleving. Met burgers en organisaties wil het de stand van zaken opnemen: hoe staat het met integratie, met de achterstandswijken, met de thuiszorg, met het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Moet dat met organisaties? Waarom nog met koepelorganisaties, belangenverenigingen, vakbonden? Kan het niet gewoon met individuele burgers? Hoe staat het met de autonomie van de burger en is de ontvoogding, weg van de instituties inmiddels niet voltooid?  De gedachte dat het individu de enige maatstaf van de toekomst zou zijn, lijkt echter op zijn retour. Het is met individualisering net als met secularisering: de gedachte dat beide zich onvermijdelijk zouden doorzetten, waardoor onze samenleving uiteindelijk en onontkoombaar een individueel, rationeel en a-religieus karakter zou krijgen, lijkt op haar grenzen te stuiten. Er zijn mijns inziens drie lijnen die pleiten voor het belang van het maatschappelijk middenveld vooral niet uit het oog te verliezen.

De eerste lijn is de antropologische: wij mensen hebben een wezenlijke behoefte aan gemeenschappen waar we bij horen. De voetbalclub, de vakbond, de wijkvereniging, de kerkgemeenschap, de sociëteit, de politieke partij, ze zijn allemaal uitdrukking van de betekenis van gemeenschappen voor individuen. Ook wie niet gecharmeerd is van gezinsideologie zal erkennen dat wij mensen geboren worden in een gemeenschapsverband en dat veel ontsporingen in latere jaren van jongeren en ouderen te maken hebben met het ontbreken van een gemeenschap waarin men zich thuis en geborgen voelt. De wetgeving die we de afgelopen jaren hebben ontwikkeld ten aanzien van het homohuwelijk en adoptie door homo’s en lesbiennes is deels te zien als een bevestiging van dat gemeenschapsdenken en de wens om als zodanig erkend te worden. Mensen worden wel degelijk gelukkiger door de gemeenschappen waar ze bij horen. Het behoren tot een gemeenschap hoort net zo goed tot de geluksfactoren als individuele ontplooiing. Maar gemeenschappen zijn niet alleen belangrijk voor geluk, ook voor veiligheid. De wereld wordt er niet veiliger op in de laatste jaren. Dat heeft niet alleen betrekking op terroristen of tasjesdieven en alles wat zich daartussen bevindt. Dat heeft ook te maken met globalisering, de opkomst van China en India, de verplaatsing van werkgelegenheid naar het andere eind van de wereld. We staan individueel kwetsbaarder in een onveilige wereld. En het is een natuurlijke reactie steun en bescherming te zoeken bij gemeenschappen. De afwijzing van de Europese grondwet was een uiting van die wens om zich te beschermen tegen de boze wereld. Of men terecht Europa als boze buitenwereld ziet en Nederland als  bescherming is daarbij niet zo van belang.

De tweede lijn is die van de maatschappelijke strijd. Dat lijkt een oud stoffig begrip uit de tijd van de klassenstrijd, maar het is actueler dan we denken. De paarse kabinetten wekten de indruk dat ons land langzamerhand wel af was. Echte belangentegenstellingen waren er niet meer en het poldermodel, geholpen door sterke economische groei, stelde ons in staat om de plooien glad te strijken. Die tijd is voorbij. Er dient zich een nieuwe fase aan van maatschappelijke belangentegenstellingen. De dreigende klimaatcrisis vraagt om scherpe keuzen waarbij belangen van individuen in het geding zijn. Milieu-organisaties ervaren dat het nu tijd wordt om die keuzen op tafel te leggen in het belang van huidige en toekomstige generaties. Consumentenorganisaties oriënteren zich op hun positie als het gaat om consumeren en ecologisch en ethisch verantwoord produceren. De niet te ontkennen werkelijkheid van culturele en religieuze diversiteit van toenemende migratie, vraagt om passende antwoorden die niet meer op louter individueel niveau te vinden zijn. Politieke partijen, migrantenorganisaties, wijkverenigingen beseffen dat belangen in het geding zijn. De dreigende crisis van grondstoffen en energie en de belangenstrijd van landen om de aanvoer daarvan veilig te stellen maakte duidelijk dat een vanzelfsprekende en soepel voortkabbelende voortzetting van onze huidige samenleving er niet meer in zit. Ontwikkelingsorganisaties leggen de desastreuze gevolgen van mijnbouw en oliewinning als een belangentegenstellingen tussen noord en zuid op tafel. Die tegenstellingen vragen om collectief actie, directe belangenbehartiging om een vuist te maken. Daarbij zijn het vaak maatschappelijke organisaties die op gevoelige onderwerpen (abortus, euthanasie) vanuit verschillende, soms lijn recht tegenover elkaar staande standpunten het maatschappelijk debat voeden. Daar is behoefte aan, dat maakt het mensen mogelijk zich te herkennen en positie te kiezen.

De derde lijn is die van waarden en normen en burgerschap. Het vorige kabinet heeft het debat over waarden en normen ingezet. Niemand was en is het oneens met de noodzaak om daaraan aandacht te besteden. Wie veel reist – en ik doe dat uit hoofde van mijn functie regelmatig – ontkomt niet aan de indruk dat Nederlanders inmiddels tot de meest ongeciviliseerde wereldburgers behoren: bot, recht voor zijn raap, zelfgenoegzaam en met een kort lontje. Maar bij het beantwoorden van de vraag hoe we in onze cultuur en omgangsvormen weer meer geduld, meer fijnbesnaardheid, meer tact krijgen, staat de overheid met lege handen. Dan blijkt dat het wapen van de wet en regelgeving een betrekkelijk bot wapen is. Geduld en tact laten zich niet in wetten vastleggen. Wetgeving blijkt vooral een instrument om negatief gedrag te straffen en niet om positief gedrag te belonen. Maatschappelijke organisaties vervullen op dat punt een onmisbare rol. Het onderwijs is een onmisbare schakel als het gaat om waardenoriënatie van jongeren. Kerken spelen nog steeds een belangrijke rol in het richting geven aan het gedrag van de samenleving, ook ten opzichte van niet-kerkleden. Sportverenigingen hebben een belangrijke rol te spelen in het creëren van ander positiever gedrag. Het maatschappelijk middenveld is een onmisbaar onderdeel van het proces van richting zoeken en richting vinden voor de samenleving.

Onze samenleving heeft niet alleen behoefte aan intellectueel kapitaal of financieel kapitaal. Er is ook behoefte aan sociaal kapitaal dat een samenleving als sociaal verband van individuen laat functioneren. Sociaal kapitaal verbindt mensen door netwerken aan elkaar. De Amerikaanse socioloog Robert Putnam die veel onderzoek heeft gedaan naar sociaal kapitaal, laat zien dat gemeenschapsorganisaties een vitale rol vervullen voor het organiseren van de samenleving en voor individuen. Onderwijs en zorg worden beter als burgers actief betrokken worden bij scholen en verpleeghuizen. En mensen die deel zijn van actieve gemeenschappen vinden sneller een baan als ze werkloos worden, losser met minder stress hun kinderopvangproblemen op, weten beter hoe ze de opvoeding van hun effectief in goede banen kunnen leiden. Deel zijn van actieve gemeenschappen biedt mensen zowel collectief als individueel mogelijkheden die ze als alleen niet kunnen creëren.

Maar maatschappelijke organisaties zijn geen instrumenten die naar believen ingezet kunnen worden. Er is de laatste jaren een toenemende neiging om maatschappelijke instrumenten te zien als verlengstuk van de overheid. Met het subsidie-instrument in de hand worden organisaties gestroomlijnd binnen de kaders van het overheidsbeleid: tenderprocedures, productbegrotingen en contractmanagement leiden tot het beperken van de authentieke en dus soms ook dwarse inbreng van maatschappelijke organisaties. Daarmee worden maatschappelijke organisaties van hun vitaliteit in de samenleving beroofd. Het is daarom terecht dat het nieuwe kabinet in haar gesprek met de samenleving ook de maatschappelijke organisaties een stevige plaats geeft. Ze zijn onmisbare schakels tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid.