2008 Een nieuw MFS

Een nieuw MFS: over de meerwaarde van het particuliere kanaal

Het is inmiddels een jaar geleden (september 2007) dat minister van Ardennen de nieuwe vierjarige subsidiebeschikkingen voor particuliere ontwikkelingsorganisaties bekend maakte. Op basis van een nieuw voor iedereen gelijk beoordelingssysteem werden meerjarenplannen van organisaties getoetst. Het afwijzen van de aanvragen van Plan Nederland en Niza trok de meeste aandacht. Inmiddels is een jaar voorbij en begint de sector zich alweer op te maken voor een nieuwe ronde in 2010, gevoed door een evaluatierapport van Ton Dietz en Arie de Ruijter. Dat rapport keek vooral naar de aanloop van de beoordeling. Eind 2006 hadden Ruerd Ruben en Lau Schulpen al een kritische rapport het licht doen zien over de gehanteerde beoordelingsmethodiek. Toch is er in de voorbereiding voor een nieuwe ronde in 2010 meer nodig dan een discussie over proces en gehanteerde beoordelingstechniek. De kernvraag naar de meerwaarde van particuliere ontwikkelingsorganisaties en de noodzaak om de downward-accountability in de keten te herstellen, zou centraal moeten staan.

Terugblik op proces en beoordeling
Ton Dietz en Arie de Ruijter hebben op verzoek van branchevereniging Partos en van het ministerie een evaluatie gedaan van de voorbereiding van het MFS en indiening van de meerjarenplannen. Hun onderzoek stopt bij het moment van indienen, 22 april 2006. Zij laten goed zien hoe het in de voorbereiding niet ontbroken heeft aan goede wil, maar ze laten ook zien dat de doorvertaling van die voorbereiding in het beleidskader zelf en in het aanvraagstramien gebrekkig is geweest. Ze constateren vooral dat na een sterk inhoudelijke inzet van de voorbereidende beleidsdialoog de juridische en kwantitatieve benadering de overhand heeft gekregen. Die benadering is dominant geworden in het aanvraagstramien dat het kader was voor de meerjarenplannen. Daarmee is de sturing van het MFS in feite beleidsarm geworden en zijn vraagstukken van techniek en regulering dominant geworden. In hun aanbevelingen benadrukken zij het belang van die beleidsdialoog en de noodzaak om die tijdig en met meer kracht te voeren en vooral om die door te vertalen naar het aanvraagstramien. Verder bevelen ze aan om het toetsingsproces in tweeën te splitsen. Laat organisaties eerst een drempeltoelating doen zodat degenen die dat niet halen ook niet onnodige energie steken in uitgebreide beleidsplannen. Samen met een aantal andere aanbevelingen leggen ze zinvolle en goed bruikbare adviezen neer voor de verbetering van MFS II.

Rueben en Schulpen hadden al in november 2006 een kritisch geluid laten horen over de beoordelingsmethodiek. De gehanteerde methode die een variant op de Delphi-method is, is gebaseerd op het beoordelen van aanvragen door externe beoordelaars die daarvoor een (korte) training hebben gehad. In dit geval waren steeds twee beoordelaars op elke aanvraag gezet. Ruben en schulpen laten zien dat in deze MFS-beoordeling op basdis van deze Delphi-methode onvoldoende waarborgen zijn ingebouwd om tot gevalideerde uitkomsten te koren. De helderheid van de beoordelingscriteria was onvoldoende en het aantal beoordelaars per aanvraag was onvoldoende om subjectiviteit in de beoordeling voldoende uit te sluiten. Ook ontbraken een onzekerheidsmarge. De beoordeling nu met cijfers achter de komma over beoogde resultaten vijf jaar later in instabiele, verafgelegen landen wekt de indruk van een exactheid die niet verantwoord is.

Met deze twee evaluatieve studies zijn belangrijke bouwstenen aangedragen voor een verbetering in 2010. Opvallend genoeg pleiten beide rapporten niet voor het heroverwegen van de aanpak. Geen geheel nieuw systeem voor toedelen van subsidies. Het creëren van een min of meer objectieve beoordeling in een benchmarkbenadering lijkt het beste wat we nu voorhanden hebben om op een transparante manier te komen tot het toedelen van subsidiemiddelen aan een heel divers en uitdijend veld van particuliere organisaties. Ik deel de mening dat er geen behoefte is aan weer een heel nieuw model voor het toedelen van middelen. Het heeft meer zin om het huidige model te verbeteren dan te zoeken naar een nieuw model dat dan opnieuw met veel kinderziekten gepaard zal gaan. Dan gaat het adagium ‘het betere is de vijand van het goede op’. De basisgedachte van het MFS deugt, de uitvoering moet beter.

Herstel van de acountability-keten
Een nieuw MFS kan niet om voorbij aan de vraag hoe we de accountability binnen het systeem hebben georganiseerd. Het huidige MFS kiest ondubbelzinnig voor een planning en control model, vanuit de aanname van voorspelbaarheid en stuurbaarheid. Op gedetailleerd niveau moeten concrete voorspellen worden gedaan over te bereiken resultaten op doelgroep niveau: hoeveel vrouwen voorzien van microkrediet, hoeveel mensen voorzien van Aids-medicijnen, hoeveel meisjes meer in de klas. Dat lijkt vanzelfsprekend en terecht: uiteindelijk gaat het om die mensen. Maar de bijwerkingen van dit goed bedoelde planning en control-model zijn ernstig. Het inherente probleem van ontwikkelingssamenwerking, waarbij de verantwoording naar de financier (upward accountability) de  neiging heeft alle aandacht en energie te absorberen, is door deze aanpak sterk vergroot: Cordaid wordt gedwongen sterk te sturen op de door het ministerie gewenste uitkomsten en dus worden ook partnerorganisaties gedwongen aan die afspraken te voldoen. En dus doet de doelgroep mee aan de geplande activiteiten die de partnerorganisatie. De dreigende verwaarlozing van de downward accountability heeft men ‘opgelost’ door vanuit het ministerie de resultaten op doelgroepniveau centraal te stellen. Daarmee is het ministerie op de spreekwoordelijke stoel van de armen gaan zitten: namens hen eist zij resultaten.[1] Het is een illusie dat daarmee de downward-accountability is opgelost. In plaats van een keten tussen ministerie (eerste inputschakel) en doelgroep (laatste outputschakel) is er een gesloten cirkel ontstaan. Een dynamisch proces van feed-back is vervangen door en gesloten en statische (en statistische) interpretatie van resultaten.[2]  In zijn boek The White Man’s burden toont William Eaterly overtuigend aan dat het ontbreken van downward accountability en dus van invloed van de doelgroep op de plannen van ontwikkelingsorganisaties, één van de belangrijkste oorzaken is van het mislukken van veel goedbedoelde plannen. Ook zjn verandering en lerend vermogen naar de marges van het werk gedrongen omdat vooraf afgesproken resultaten dominant zijn geworden. En het ministerie zal niet in staat zijn om de feed-back te verifiëren bij de doelgroepen namens wie zij de resultaatafspraken zegt te maken. Wat wordt gepresenteerd als transparantie is daarmee een nieuw black box geworden. De downward accountability in de keten, waarbij verantwoording naar partners en doelgroep de boventoon voert en dus hun invloed wordt vergroot moet hersteld worden..

Naar een beleidsrijke beoordeling
Naast deze fundamentele herziening van het accountability-schema,  moet een volgend MFS een beleidsrijke beoordeling van particuliere ontwikkelingsorganisaties worden. Daarbij gat het om de vraag of we de goede dingen doen naast de vraag of we ons werk goed doen. De beleidskeuzen zelf moeten nadrukkelijk onderdeel zijn van de beoordeling: zitten we in de goede landen [3], zitten we in de goede sectoren, deugen visie op ontwikkeling en methodiek van werken. Die vragen zijn de laatste jaren op de achtergrond geraakt ten gunste van een generalistische en betrekkelijk vage benadering waarbij alle activiteiten in ontwikkelingslanden, waar mensen in directe zin beter van worden, als zinvol en subsidiewaardig werden geacht. Die benadering leidt tot en diffuus beeld van de bijdrage van particuliere organisaties aan ontwikkeling. Bij een voortzetten van die lijn verdwijnt het eigen karaker van particuliere organisaties en worden ze steeds meer inwisselbaar met datgene wat overheden en bedrijfsleven in ontwikkelingssamenwerking doen. Een nieuw MFS zou het eigen karakter va  particuliere organisaties en hun toegevoegde waarde aan ontwikkelingsprocessen centraal moeten stellen en vanuit die meerwaarde moeten beoordelen.

Ik geloof dat die toegevoegde waarde in de volgende aspecten vervat zit:

  • Particuliere organisaties en hun partners in het zuiden stellen in hun werk steeds de vraag naar de machtsverhoudingen als achterliggende oorzaak van armoede. Armoede wordt voor een groot deel veroorzaakt door uitsluiting. Dat gebeurt op wereldschaal tussen rijke en arme landen, dat gebeurt op nationaal niveau tussen rijke elites en arme plattelands- en stadsbevolking. Dat gebeurt op dorpsniveau tussen rijke en arme boeren en in het huishouden tussen mannen en vrouwen: macht uit zich niet alleen in de politieke arena. Die benadering is niet eigen aan overheden en bedrijven. De eersten willen per definitie bestaande machtsverhoudingen bestendigen, de tweede kijken naar de eigen rentabiliteit. Civil society is onmisbaar om de achterliggende machtsvraag voortdurend op tafel te houden. Particuliere ontwikkelingsorganisaties hebben dan ook alleen maar een toegevoegde waarde als ze een strategie hebben ten aanzien van machtsverhoudingen en de verandering daarvan.
  • Het particuliere kanaal is een toonbeeld van ‘good governance’. Terwijl een aantal ontwikkelingslanden (en dan vooral hun overheidsinstanties) de ranglijst van meest corrupte landen aanvoeren, is het aantal zaken van fraude en corruptie bij particuliere organisaties beperkt. Cordaid krijgt jaarlijks 5 fraudegevallen op ongeveer 1000 financieringscontracten. De vertegenwoordiger van de Wereldbank in Bangladesh vertelde mij; ‘Als ik moet kiezen tussen een corrupte overheid en een transparante en niet corrupte NGO, is het voor mij niet zo moeilijk kiezen’. Die kwaliteit geeft particuliere organisaties in het zuiden ook de legitimiteit in de strijd tegen overheidscorruptie. Die waarde wordt overigens alom erkend. Civil society wordt ook door overheden en multilaterale instellingen een belangrijke rol toegedicht als het gaat om ‘good governance’[4]. Zij kan optreden als tegenkracht tegen corrupte overheden en van onderop vragen naar accountability en transparantie.
  • Het particuliere kanaal van ontwikkelingsorganisaties biedt een noodzakelijk alternatief naast het bilaterale en multilaterale kanaal. Ontwikkeling is geen top-down proces dat alleen vanuit hoofdsteden en ministeries tot stand komt en gestuurd wordt. Ontwikkeling is voor alles een proces van mensen zelf: ‘men wordt niet ontwikkeld, men ontwikkelt zichzelf’. Dat geldt des te sterker waar het gemarginaliseerde groepen betreft (vrouwen, dalits, indianen, homosexuelen) of organisaties die zich vanuit hun eigen aard en identiteit onderscheiden (kerken). Daar horen partners uit het noorden bij die dat delen en steunen. Bilaterale en multilaterale programma’s zijn altijd met de overheid verbonden. West-Europa zou afvallen van haar eigen geloof in het eigen initiatief van burgers als ze haar kaarten voor ontwikkeling helemaal zou zetten op overheden. Des te meer daar telkens opnieuw blijkt dat de capaciteit (kwantitatief en kwalitatief) van overheden beperkt is [5]. Het mobiliseren van groepen in de samenleving op hun eigen termen is noodzakelijk om ontwikkeling tot stand te brengen.
  • Particuliere organisaties zijn onmisbaar voor het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking en om opvattingen van burgers daaromtrent zichtbaar en hoorbaar te maken. Het beeld dat Nederlandse burgers hebben van ontwikkelingssamenwerking wordt bepaald door hun beeld van het werk van particuliere organisaties. Men heeft geen idee van het bilaterale beleid, laat staan van wat multilaterale organisaties doen. Ondanks alle inspanningen van voorlichtingsdienst ontwikkelingssamenwerking en de NCDO, bepaalt het werk van particulieren, zowel de MFS-organisaties als de sterk groeiende particuliere initiatieven, dat beeld. Die organisaties bieden burgers ook de gelegenheid om hun opvattingen en meningen te uiten en zo bij te dragen aan politiek debat en besluitvorming.

Vanuit deze toegevoegde waarde van particuliere ontwikkelingsorganisaties zou een nieuw MFS een beoordelingskader moeten bieden dat juist deze toegevoegde waarde en eigenheid beoordeelt.

Trends en tendensen
Inmiddels staat de tijd niet stil en worden verschillende trends zichtbaar in de discussie over een vervolg op het MFS.

  • Tendering. Met het MFS is een eerste stap gezet in de richting van het beoordelen van concurrerende  voorstellen. Maar de invulling van de activiteiten is in dit eerste MFS nog helemaal overgelaten aan de organisaties. Zij bepalen welke doelstellingen zijn formuleren op welke terreinen en welke activiteiten daarbij horen. De beoordeling heeft zich ook niet op die keuzen gericht. Bij geen van de aanvragen is een specifiek programma-onderdeel als niet relevant afgewezen. Het ging steeds om een generieke beoordeling van de totale aanvraag. Voorstanders van tendering menen dat in het nieuwe MFS een stap verder moet worden gezet op dit pad: de lijn die is ingezet van benchmark en concurrentie moet ten volle worden afgelegd. De overheid moet de kaders zetten voor de programma’s door aan te geven welke doelstellingen ze gerealiseerd wil zien, waarna organisaties kunnen inschrijven. Dat zou leiden tot een programmatische aanpak waarbij de overheid b.v. als doelstelling formuleert om in West-Afrika 1 miljoen mensen van schoondrinkwater en sanitatie te voorzien, waar vervolgens organisatie op kunnen inschrijven. Zij menen dat er dan nog voldoende ruimte is voor organisaties om hun eigen benadering en werkwijze toe te passen. Bovendien zou het de kans bieden om een verdere opening van de sector te realiseren. Niet alleen de bekende particuliere ontwikkelingsorganisaties, maar ook bedrijven (waterleidingbedrijven, ingenieursureau’s), en andersoortige instellingen (TNO) zouden dan een offerte kunnen uitbrengen. Er is in die benadering geen specifieke rol voor particuliere organisaties met hun nadruk op de rol van civil society. Ze zijn uitvoeringsorganisaties en onderaannemers geworden van de overheid.
  • Direct funding. Een andere trend is die waarbij openlijk en steeds luider de rol van Nederlandse organisaties als intermediaire schakels in de keten van ontwikkelingprogramma’s wordt betwijfeld. Zij wijzen op de toename van het aantal ontwikkelingsorganisaties in het zuiden zelf, waar jaren van capaciteitsversterking hun vruchten hebben afgeworpen: kwalitatief goede organisaties die een directe relatie zouden kunnen aangaan met de Nederlandse overheid voor het uitvoeren van programma’s. het zou een versterking betekenen van het eigenaarschap in het Zuiden en het zou de transactiekosten verlagen. Nederlandse ambassades in het Zuiden zouden het loket kunnen zijn waar maatschappelijke organisatie hun aanvragen zouden kunnen indienen. In deze benadering is er geen rol meer voor particuliere organisaties in de relatie met de Nederlandse overheid. Voor zover lokale organisaties van de diensten van Nederlandse organisaties gebruik willen maken (advies, netwerken, joint-venturing) is het aan lokale organisaties daarover te beslissen en daarvoor in hun begroting financiële ruimte te maken.
  • Focus op kennisontwikkeling en netwerkontwikkeling. Een derde trend ziet de toekomstige rol van maatschappelijke organisaties vooral op het terrein van kennis en netwerkontwikkeling in combinatie met lobby, advocacy en draagvlakontwikkeling. Zij wijzen erop dat de toegevoegde waarde van Nederlandse organisaties bij de implementatie van programma’s, vooral als ze gericht zijn op dienstverlening zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, beperkt is. Bij die projecten komt het toch aan op de implementatie-capaciteit van lokale organisaties. Bovendien is opschaling bij die activiteiten de grootste uitdaging en daarvoor zijn de mogelijkheden van Nederlandse organisaties, ook de groteren zoals Cordaid, beperkt. Er is sprake van veel goede projecten op micro-niveau, maar er zijn er weinige die erin slagen schaalgrootte en replicatie te realiseren. In die taakverdeling hebben Nederlandse organisaties vooral hun meerwaarde als kennis- en netwerkinstituten zowel voor organisaties in het zuiden als voor organisaties (bedrijven, overheden, onderzoeksinstituten) in het Noorden. Zij zijn in staat uitwisseling tot stand te brengen en als knooppunt te fungeren in de toenemende stroom van uitwisseling van informatie en ervaring. Vanuit die basis in kennis en netwerken kunnen particuliere organisaties ook een rol spelen in beleidsbeïnvloeding en het mobiliseren van draagvlak.

Als ik deze trends zie in het licht van de eerder beschreven toegevoegde waarde van het particuliere kanaal, zijn er een aantal kritische kanttekeningen te maken:

In een proces van tendering wordt de eigenheid en toegevoegde waarde van particuliere organisaties vrijwel geheel losgelaten. Ze worden onderaannemers van de Nederlandse overheid en hun werk zal steeds meer binnen het framework van het overheidsbeleid gaan vallen wat betreft landen en sectorkeuze. Het politieke en publieke debat over ontwikkeling en armoede zal verschralen en het dominante discours van Wereldbank en OESO zal ook het denkkader worden van hun werk.

Het proces van direct funding oogt sympathiek: meer ownership en verlaging van transactiekosten. In de praktijk zal het vooral betekenen dat de bovenkant van de particuliere markt in het Zuiden wordt bediend. Alleen de goede en gevestigde organisaties in het Zuiden zijn in staat om te voldoen aan de vereisten voor indiening, rapportage en verantwoording die ambassades zullen stellen. Tenzij ambassades een stevige staf zullen inrichten, zal er weinig tot niets meer gebeuren aan het oppakken van jonge, veelbelovende, maar kwetsbare initiatieven. Ze zij arbeidsintensief en leveren in de eerste jaren nog weinig bijdrage aan resultaten.

Het concentreren van Nederlandse particuliere organisaties op kennis en netwerkontwikkeling leidt tot een ongewenste scheiding tussen beleid en praktijk[6]. Het zal er ook toe leiden dat de contacten van MFS-organisaties zich meer en meer zullen richten op intellectueel-analytisch hoogstaande organisaties, die vooral in de steden (universiteiten) te vinden zijn. De afgelopen jaren hebben laten zien dat juist de spanning tussen de theorieën en blauwdrukken enerzijds en de weerbarstigheid van de praktijk een van de grote problemen is geweest[7] in ontwikkelingssamenwerking. Het is van vitaal belang dat Nederlandse particuliere ontwikkelingsorganisaties direct betrokken blijven bij de uitvoeringspraktijk in het veld.

De drie beschreven trends hebben de charme en de verleiding die eigen is aan duidelijke keuzen, en het consequent doortrekken van ingezet beleid. Hoewel ze waardevolle elementen aanleveren, zijn ze elk in hun naakte vorm ontoereikend als basis voor een volgens MFS.

De toegevoegde waarde zichtbaar in een nieuw MFS
Tegen deze achtergrond moet een beleidskader  voor een nieuw MFS worden ontwikkeld dat de aandacht  voor resultaten en effectiviteit van het eerste MFS vasthoudt en tegelijk een oordeel geeft over de eigen toegevoegde waarde van particuliere organisaties in ontwikkelingsprogramma’s. Die zou vooral zichtbaar moeten worden in een programmatische benadering die de volgende elementen moet bevatten:

Programma’s moeten gebaseerd zijn op machtsanalyses en een perspectief op het veraderen van die machtsverhoudingen. Dat geldt zowel voor onderdrukte minderheden als kleine ondernemers, voor vrouwen als voor aidsprogramma’s. Programma’s moeten ook een mix zijn van beleid en praktijk. Alleen onderzoek of lobby biedt onvoldoende basis voor een significante bijdrage aan veranderingsprocessen. Het perspectief van machtsverandering betekent ook dat programma’s aan twee noodzakelijk daarmee samenhangende voorwaarden voldoen. De eerste is dat ze massa moeten hebben. Geïsoleerde projecten of programma’s in een land hebben geen effect. Cordaid heeft in haar streven haar effectiviteit op dat terrein van machtsverandering te vergroten de laatste jaren moeten constateren dat een programma toch minstens 5 partners in één land moet omvaten en een budget van ongeveer 1 miljoen euro. Naast kwantiteit is ook diversiteit nodig om kritische massa voor veranderingen te realiseren. Een portfolio van partners moet bestaan uit uitvoeringsorganisaties, koepelorganisaties, onderzoeksinstellingen, organisaties die goed zijn in lobby en netwerken. Alleen op die manier kan op de noodzakelijke input bij elkaar gebracht worden om veranderingen in gezondheidszorg, onderwijs, microkrediet, ondernemerschap tot stand te brengen.

Een tweede pijler van programmatisch werken is werken aan de downward accountability. Onderscheidend aan programma’s van particuliere MFS-organisaties en hun partners zou moeten zijn dat ze de verantwoording aan en de zeggenschap van de eindgebruikers systematisch versterkt. Daarmee wordt ook de basis gelegd voor de rol die maatschappelijke organisaties en hun achterban kunnen spelen in het proces van good governance. Alleen als eindgebruikers van projecten en programma’s ervaren wat zeggenschap betekent over de programma’s, zullen ze met die ogen ook kijken naar dat wat hun overheid hen te bieden heeft[8]. De veel geroemde countervailing power van civil society komt niet van de grond als ze niet geworteld is in de eigen praktijk. De toename van het aantal intermediaire organisaties in het Zuiden, vaak effectief, efficiënt en goed georganiseerd maar zonder duidelijke achterban maakt het versterken van de downward accountability tot een serieuze uitdaging.

De derde pijler is de aandacht voor netwerken en lobby. De uitdagingen van ontwikkelingsorganisaties in het Zuiden zijn niet uniek. Ook wie oog heeft voor de specificiteit van contexten zal ontdekken dat er voor de wederopbouw van Sudan, Congo en Afghanistan wel degelijk over en weer te leren valt en dat de ontwikkeling van microkrediet in Afrika kan leren van wat er in Azië en Latijns Amerika is ontwikkeld. Juist MFS organisaties met een breed internationaal netwerk zijn in staat en dus verantwoordelijk om dwarsverbanden tot stand te brengen en het wederzijds leren te verdiepen. Vanuit die internationale netwerken en kennisontwikkeling krijgen ook lobby en beleidsbeïnvloeding hun inhoudelijke voeding en hun legitimiteit.

De vierde en laatste pijler is draagvlakversterking. Ontwikkelingssamenwerking is geen hobby van organisaties, maar een zaak die alle Nederlandse burgers aangaat. Omdat zij, anders dan ten aanzien van veiligheid, onderwijs en zorg, meestal geen directe ervaring en kennis hebben van de sector is er een belangrijke taak voor particuliere organisaties weggelegd om die draagvlakversterking te realiseren en burgers de handreikingen te doen om tot oordeelsvorming en standpunten te komen. Die verantwoordelijkheid moet zichtbaar worden in resultaten, waarbij overigens het percentage eigen inkomsten niet het enige criterium zou moeten zijn.

Conclusie
De MFS-ronde die voorzien is voor 2010 kan niet een herhaling worden van die van 2006. Ook het verwerken van de inzichten die tot nu toe met betrekking tot proces en beoordelingsmethodiek zijn opgedaan zijn niet voldoende .Met handhaving van het framework van een benchmarkproces, waardoor brede toegang tot het subsidiekanaal wordt gegarandeerd, is een fundamentele herziening van het accountability-schema nodig alsmede een helder en ambitieus perspectief op de meerwaarde van het particuliere kanaal. Zonder dat glijdt particuliere ontwikkelingssamenwerking verder af naar een kleurloos en inwisselbaar instrument.

[1] Daarmee gebeurt op het terrein van OS hetzelfde als wat in Nederland in zorg en onderwijs reeds gemeengoed is.

[2] Zie ook Easterly: hij wijst het ontbreken van goede feedback systemen van de doelgroep aan als één van de  kernproblemen van effectieve ontwikkelingssamenwerking.

[3] Zie ook artikel van D.J.Koch in The Brooker

[4] cidse rapport over good governance beleid van de Wereldbank.

[5] zie daarvoor ook de rapportage van het ministerie Resultaten in Ontwikkeling.

[6] De WRR analyseert in haar studie ‘bewijzen van goede dienstverlening’ voor Nederland de scheiding tussen beleid e n praktijk als één van de belangrijkste oorzaken van de problemen in de publieke sector.

[7] Zie ook William Easterly, The White Man’s burden.

[8] Zie ook het wereldbank rapport ‘Make services work for the poor’ dat uitgebreid ingaat op het belang van downward accountability.