2008 OS op de schop?

Ontwikkelingswerk op de schop?

Er is veel discussie over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking, en terecht. Onlangs wijdde de Volkskrant hier één van zijn Rode Hoed debatten aan, met minister Koenders. En deze week overleggen ontwikkelingsorganisaties in Ede over de agenda van de toekomst.

Die discussie is ter zake, want de wereld verandert drastisch. De economische en politieke macht verschuift van het Westen naar het Oosten (China en India). De schaarste aan grondstoffen en energie knagen aan de fundamenten van de huidige economische modellen. Klimaat maakt verschillende delen van de wereld onleefbaar. Migratie maakt dat overal op de onze wereld diversiteit vanzelfsprekend wordt en homogene gemeenschappen de uitzondering. Grote groepen mensen klimmen op uit de armoede, maar helaas tekenen zich ook nieuwe tegenstellingen af. In alle landen groeit de kloof tussen arm en rijk. In die veranderende wereld moet ontwikkelingssamenwerking opnieuw haar plaats vinden. Dat geldt zowel voor overheden als voor particuliere organisaties zoals Cordaid.

Met een zwart-wit discussie schieten we niet veel op. Ophouden met ontwikkelingssamenwerking is niet het goede antwoord in een wereld waarin we steeds meer op elkaar zijn aangewezen en waar de grote sociale verschillen even zovele bronnen van conflict zijn. Met 1,2 miljard mensen die van minder dan 1 dollar moeten leven, is er aan armoedebestrijding  nog genoeg te doen, ook als we in 2015 de millennium ontwikkelingsdoelen zouden halen.

Uitgangspunt voor Cordaid is dat ontwikkelingssamenwerking veel méér is dan flankerend beleid voor buitenlandse politiek. Buitenlands beleid, zowel bilateraal als multilateraal, wordt nog te vaak bepaald door politieke en economische belangen en door de groeiende angst voor onveiligheid en schaarste aan natuurlijke hulpbronnen. Cordaid en haar duizend partners zien dagelijks dat op die manier de armoedekloof niet wordt overbrugd en de armsten niet worden bereikt. Ontwikkeling is voor een  belangrijk deel emancipatie, strijd tegen armoede die veroorzaakt wordt door uitsluiting. Die uitsluiting vindt zijn grond in economische, politieke, religieuze of etnische machtsverhoudingen en belangen. De maatschappelijke verandering die nodig is om die uitsluitingsmechanismen te ontmantelen, moet het hebben van binnenlandse krachten. Van mensen zelf dus en van hun maatschappelijke organisaties.

Bij het opbouw van eigen bestaan en samenleving kan men natuurlijk steun van buitenaf gebruiken: financieel maar ook door delen van kennis en kunde, door gebruik te maken van nieuwe media, door het organiseren van netwerken en door in de eigen samenleving gewortelde lobbyacties. Het creëren van de juiste voorwaarden waarin mensen zelf het heft in handen nemen, is en blijft daarom de kern van de zaak. Let wel: eigen bewegingen, organisaties en uiteindelijk een samenleving opbouwen vergt lange adem! Maar met slimme allianties en inzet van ontwikkelingsnetwerken kunnen mensen wel een duwtje in de rug krijgen. Daarbij helpen betrokken individuen en maatschappelijk verantwoorde ondernemers. Daarbij helpt ook de kennis en ervaring van ontwikkelingsorganisaties zoals Cordaid.

Als de strijd tegen armoede in essentie een emancipatiestrijd is die in de landen zelf zijn wortels heeft, dan vraagt het ook dat we meer oog krijgen voor de eigen cultuur, levensbeschouwing en instituties.

Te vaak gaan de gesprekken in ontwikkelingspolitiek louter over sociaal-economische zaken inkomen, investeringen en handel. En ze gaan over onze instituties en de vraag hoe die zo snel mogelijk kunnen worden gekopieerd. De landbouwcrisis van dit moment laat zien hoezeer we de lokale capaciteiten van miljoenen boeren en boerinnen en hun manier van werken en hun manier van organiseren over het hoofd gezien hebben. Opnieuw nadenken over de plaats van ontwikkelingssamenwerking vraagt meer dan vragen om meer effectiviteit en meer efficiency. Dat zijn onze  traditionele managementantwoorden op maatschappelijke problemen

Minister Koenders heeft terecht aangegeven dat verschillende stadia van ontwikkeling in landen elders in de wereld onderscheiden aanpak en inzet vergen. Met zijn onderscheid tussen falende staten, MGD- landen en landen in transitie erkent hij dat we afscheid moeten nemen van een algemeen toepasbaar model van ontwikkeling. Een samenleving die uiteengevallen is na dertig jaar oorlog is niet in een maandje weer opgebouwd en vormt echt een andere setting dan een land waarin de infrastructuur weer op poten is gezet. Afscheid nemen van maakbare managementoplossingen en van algemeen toepasbare modellen verlost ontwikkelingssamenwerking van te hoog gespannen, simplistische verwachtingen en noopt tot meer bescheidenheid.

De erkenning dat er geen algemeen toepasbaar model is en dat de blauwdrukken van de afgelopen decennia niet afdoende hebben gewerkt, vraagt om een andere benadering, waarbij ontwikkelingssamenwerking meer weg heeft van werken met lego-stenen. We weten welke bouwstenen van belang zijn (onderwijs, werk, cultuur, religie, toegang tot krediet, zeggenschap, spreiding van macht, kennis en inkomen). Maar in elk context bouwen we met die bouwstenen een huis dat er anders uitziet. Alleen op die manier ontstaat een huis dat past bij de bewoners en dat duurzaam is voor de toekomst. Dat vergt ook constante investering in kennis. Het gaat in ontwikkelingssamenwerking immers niet alleen om geld. Alleen door in kennis te investeren, krijgen we oog voor lokale verschillen. In die benadering waar bij kennis en maatwerk voorop staan zal ook de rol van het ministerie een grondige herziening vragen. Van een ministerie dat zich concentreert op het uitgeven van geld en het verantwoorden daarvan zal het zich moeten ontwikkelen tot een ministerie dat het knooppunt wordt van kennis en netwerken. Voor al die bouwstenen voor ontwikkeling is in Nederland veel kennis en ervaring beschikbaar bij ontwikkelingsorganisaties, bij bedrijven, bij kennisinstituten. We missen in Nederland teveel mogelijkheden om die netwerken van kennis en ervaring beschikbaar te maken.

Hardnekkige armoede (vooral in Sub Sahara Afrika maar niet alleen daar) en groeiende ongelijkheid vragen om een ontwikkelingssamenwerking die zich rekenschap geeft van een veranderde wereld. En die erkent dat het de vrouwen en mannen in ontwikkelingslanden zelf zijn, die de motor zijn van de noodzakelijke veranderingsprocessen als het gaat om macht en uitsluiting. Ontwikkelingsorganisaties van het maatschappelijk middenveld in Nederland spelen in dat proces met hun kennis, netwerken en geld een bescheiden, maar belangrijke rol.

Van René Grotenhuis verschijnt op 25 juni 2008 het boek ‘Geloven dat het kan: nieuwe perspectieven op ontwikkeling, macht en verandering’.