2009 De Harde en zacht kant van OS

De Harde en zacht kant van OS: over moreel imperatief en verlicht eigenbelang.

27 september 2009

Inleiding
Daags na Prinsjesdag verklaarde minister Bos in de Volkskrant dat in de noodzakelijke bezuinigingen van de komende jaren er geen taboe ligt op ontwikkelingssamenwerking, net zomin als op hypotheekaftrek. In de algemene beschouwingen liep VVD-leider Rutte daar op vooruit met het voorstel in de tegenbegroting van de VVD om de begroting van OS met 1 miljard te korten, oplopend tot de helft van de begroting in de komende jaren. Het zijn nieuwe tekenen dat het erosieproces van OS voortschrijdt en je hoeft geen helderziende te zijn om te verwachten dat het debat over de toekomst van OS en de financiering daarvan verhit wordt. En dus is er alle reden ons af te vragen of de bestaande defensie nog toereikend is tegenover de oplopende aanvallen. In die verdediging van OS is overigens gaandeweg sprake van een opmerkelijke verschuiving. De morele imperatief lijkt niet langer de belangrijkste pijler maar verlicht eigenbelang. Dit artikel onderzoekt hoe de onderbouwing voor de toekomst van OS eruit zou kunnen zien.

De totems van OS
Het politieke debat over ontwikkelingssamenwerking heeft zich de afgelopen vijftien jaar geconcentreerd op twee items, die elke keer de inzet waren van de verkiezingsprogramma’s en debatten: komt er weer een minister van OS in het kabinet en blijft de 0,7% van het BNP gehandhaafd als kader. Het waren de totems, de heilige bakens van ontwikkelingssamenwerking waaromheen de politieke dans zich afspeelde. En elke keer werd er opgelucht adem gehaald als na de kabinetsformatie die totems opnieuw waren veilig gesteld. Slechts in het eerste kabinet Balkende (met de LPF) moest op het terrein van de minister een nederlaag worden geslinkt. Maar dat duurde slechts een paar maanden. In het tweede kabinet Balkende mocht staatssecretaris van Ardenne zich toch weer minister noemen. De 0,7% is al die jaren regelmatig onderwerp geweest van vervuilingsdiscussies (het oneigenlijk besteden van OS-middelen), maar is als zodanig altijd overeind gebleven.

De debatten over OS zijn voor het overige gekenmerkt door meer technisch-instrumentele onderwerpen zoals effectiviteit of voor zover ze inhoudelijk waren, werden ze gekenmerkt door tijdelijkheid. Ministers van OS kregen de gewoonte om bij het begin van hun ambtsperiode een beleidsnota uit te brengen met hun prioriteiten, die de indruk moesten wekken dat ze vernieuwend waren, maar die bij nadere beschouwing nog wel eens niet verder kwamen van een nieuwe verpakking voor het bestaande. Zo maakten zowel Agnes van Ardenne als Bert Koenders falende staten en seksuele en reproductieve gezondheid tot beleidsprioriteit zij het in andere bewoordingen.

De beide totems van OS zijn inmiddels steeds meer onderwerp van discussie geworden. Bert Koenders gaf daar zelf een belangrijke aanzet toe met de notitie van de Nood-Zuid commissie van de PvdA die in 2005 opriep tot het aanstellen van een minister voor internationale samenwerking met een breed en diepgaand politiek mandaat. In zijn moderniseringsagenda van november 2008 heeft hij die inzet nog eens herhaald als zijn perspectief. Hoewel het hem uiteraard ging om een breed mandaat vanuit OS-perspectief is de instelling van een minister voor Internationale Samenwerking een uitnodiging tot een interessant rondje politiek worstelen tussen de domeinen van o.a. Buitenlandse Zaken, Financiën, Defensie, Economische Zaken en Landbouw. Het zou een illusie zijn te verwachten dat deze ministers hun buitenlandmandaat graag en zonder slag of stoot zouden inleveren bij zo’n nieuwe minister voor Internationale Samenwerking.

De totem van de 0,7% BNP wordt op twee manieren onder vuur genomen. De eerste is het verder oprekken van de criteria voor besteding onder de ODA-criteria. Er bestond daarin al een lange traditie door het toerekenen van opvang asielzoekers (gedurende het eerste jaar) en exportkredieten (vaak zonder ontwikkelingsdoelstelling) aan de OS-begroting. Minister van Ardenne startte in 2007 een kruistocht om die criteria op te rekken ten gunste van de financiering van vredesmissies. De successen op dat terrein waren klein door het verzet van andere OESO landen. Voor de OS-ministers van die landen die meestal nog een lange weg te gaan hadden om de 0,7 doelstelling te halen, lag er weinig aantrekkelijks in het al bij voorbaat vervuilen van het OS-budget. Bovendien dreigde het landen met grote militaire interventies in ontwikkelingslanden (zoals Engeland, Frankrijk en de VS) een eind op weg te helpen naar de 0,7% zonder noemenswaardige extra inspanning. Ondanks het verzet in de OESO is het debat over het oprekken in Nederland niet verstomd. Met name in het CDA is er een hardnekkig pleidooi om meer kosten van vredesmissies onder ODA te brengen en zo de defensie-inspanningen te verlichten.

In de aanloop naar de Kopenhagenconferentie dreigen ook de kosten van de klimaatadaptatie onderdeel te worden van de ODA-bestedingen. Gedwongen door de economische crisis zoeken regeringen van OESO-landen daar een uitweg voor de kosten van adaptatie en conceptueel is weinig tegen besteding ten gunste van klimaatadaptatie in te brengen. Dat het een verdringing van bestaande bestedingen ten gunste van de MDG’s zou betekenen is zonder meer waar, maar dat maakt adaptatiekosten ten laste van ODA nog niet oneigenlijk. Zolang geen enkele minister een geldboom in zijn ministerie heeft staan, is keuzen maken en prioriteiten stellen en ruimte maken voor nieuwe prioriteiten onvermijdelijk.

De tweede aanval op de 0,7% richt zich op dit percentage als zodanig. Daarbij wordt allereerst verwezen naar de meerderheid van landen die deze doelstelling al jarenlang niet halen. Vervolgens naar de veronderstelde bestedingsdruk (geld dat een doel zoekt). En tenslotte naar het ontbreken van enige directe verbinding tussen dit percentage en de doelen die daarmee bereikt moeten worden. Dat het percentage al bijna veertig jaar ongewijzigd is gebleven, wordt gezien als een bevestiging dat er nauwelijks een beleidsrijke onderbouwing onder zit. Het percentage is bovendien steeds meer een vreemde eend in de bijt van een output gestuurde beleidslogica. De 0,7% is een inputmodel uit een verleden waarin werken met inputdoelstellingen vanzelfsprekend was in beleid van overheden. Die beleidslogica is volledig omgedraaid.

Half leeg of half vol: de zachte en harde kant van OS
Het OS-debat spitst zich de laatse jaren steeds meer toe op de vraag naar de effectiviteit en resultaten. Terwijl we elk jaar wereldwijd 100 miljard ontwikkelingshulp geven, lijkt de armoede maar niet af te nemen: het bodemloze put gevoel. Er is geen twijfel dat er veel bereikt is. De levensverwachting, het uitroeien van pokken, de toegang van kinderen tot onderwijs, het ontwikkelen van micro-krediet, de voortgang in de strijd tegen HIV/Aids, de aandacht voor de positie van vrouwen. Het was allemaal niet gebeurd zonder de enorme inspanningen via ontwikkelingshulp.

In de discussie over de resultaten van ontwikkelingssamenwerking is het relevant onderscheid te maken tussen wat ik zou willen omschrijven als de zachte en de harde kant van OS. De meest aansprekende resultaten bevinden zich in de zachte sector van ontwikkelingssamenwerking. Het zijn de onderwerpen die iedereen waardevol vindt en belangrijk en zolang ze door donoren worden gefinancierd heeft vrijwel niemand er last van. En zolang ze de machtsposities in politiek en economie niet aantasten zullen ze ook verwelkomd worden door de harde kant: men profiteert ervan zonder er last van te hebben. Aan de harde kant van ontwikkelingssamenwerking ligt het met de resultaten geheel anders. Als het gaat om politieke macht komen we nauwelijks verder. Op het terrein van goed bestuur komen we nauwelijks verder, kijk naar de Darfur crisis en de Afghaanse verkiezingen waarbij Karzai zich eerst omringde met krijgsheren met veel bloed aan hun handen om vervolgens de nodige verkiezingsfraude te (laten) organiseren. Op het terrein van economische macht blijft de voortgang moeizaam. Ondanks veel guidelines, codes en toolkits over maatschappelijk verantwoord ondernemen lijken de economische belangen onwrikbaar. De oliewinning in de Amazones, de uraniummijnen in Tsjaad, de verkoop van landbouwgrond aan Arabische staten geven geen van allen de indruk dat er fundamentele verschuivingen plaatsvinden in economische machtsverhoudingen. Het treurige spel rond de Doha-ronde van WTO en het herstel van de exportsubsidies begin 2009 om de positie van de Europese boeren te versterken, bevestigen dat het daarbij niet alleen gaat om zuidelijke, maar ook om noordelijke belangen en macht. En het zijn die politieke en economische machtsverhoudingen die fundamenten van armoede en uitsluiting laten bestaan. In de praktijk zijn die zachte en harde kant onafhankelijk van elkaar. En dus is het logisch dat onderzoeken geen verband aantonen tussen investeren in ontwikkelingssamenwerking en economische groei. Investeringen in Hiv/Aids, gezondheidszorg en vrouwenemancipatie hebben geen invloed op de harde economie. Ook van onderwijs is het effect niet direct zichtbaar. De economische opbrengst van de generatie kinderen die nu naar school gaan zal pas over tien tot twintig jaar zichtbaar zijn. En zelfs van micro-krediet is de invloed op de harde economie moeilijk aantoonbaar omdat die informele economie moeilijk zichtbaar is in de officiële statistieken.

Dat we met de zachte kant van OS onvoldoende impact hebben op die harde kant van OS, waardoor het beeld van hardnekkige en onoplosbare armoede blijft bestaan, wekt de indruk dat ontwikkelingssamenwerking niet effectief is. Dat is dezelfde vraag die gesteld kan worden bij de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg. Met een enorme groei aan middelen en enorme uitbouw van instituties is het aantal psychiatrische patiënten alleen maar toegenomen. Of moeten we een miljoen Nederlanders die anti-depressiva gebruiken en steeds meer kinderen met ADHD zien als een teken van een falende GGZ? Het is eerder een oproep om meer geld beschikbaar te stellen omdat we wel snappen dat in de huidige samenleving mensen depressief worden van alle hoge eisen en kinderen overactief door de vele prikkels waaraan ze elke dag worden blootgesteld. Dus is er meer zorg nodig, meer onderzoek naar effectieve medicijnen en meer specialistische zorg.

Zo niet het debat over OS waar het voortduren van de armoede als gebrek aan effectiviteit en dus als legitimatie voor budgetkorting wordt gezien.

Zoals gezegd zijn er op de zachte kant van OS grote resultaten behaald. Die zijn er mede gekomen omdat er grote stappen zijn gezet in onderzoek en kennis. Het verhaal dat ontwikkelingssamenwerking alleen bestaat bij de gratie van goede bedoelingen is hardnekkig maar onjuist. We weten wat werkt in de Aidsbestrijding, we weten wat succesfactoren zijn voor goede microkredietprogramma’s. We weten ook veel beter dan twintig jaar geleden waardoor mensen in armoede vervallen en wat hen helpt uit armoede te ontsnappen. En we weten hoe slecht bestuur en oneerlijke economische machtsverdeling mensen in armoede gevangen houdt.

De morele imperatief als basis voor OS
Veel criticasters van OS vinden dat de morele onderbouwing van OS niet meer van deze tijd is. Ze associëren die nog steeds met de christelijke traditie van de Nederlandse samenleving en constateren dat in een calculerende geïndividualiseerde samenleving zo’n morele onderbouwing van niet meer houdbaar is. De morele onderbouwing van OS heeft twee hoofdlijnen.

De eerste is onze morele plicht anderen in nood te helpen. De filosoof en ethicus Peter Singer[k1]  werpt zich sinds kort op als een groot verdediger van deze morele imperatief. Wie ziet dat een kind in de vijver valt en niet kan zwemmen is moreel verplicht dat kind te redden. De situatie van kinderen in ontwikkelingslanden is niet veel anders. Omdat we in staat zijn die kinderen te redden op basis van onze welvaart zijn we het ook moreel verplicht te doen. Dat die redenering  niet zonder precedent is, mag duidelijk worden aan de analogie van de responsibility to protect die de VN in 2006 accepteerde als uitgangspunt voor ingrijpen in conflictgebieden. Als de nationale overheid van een staat, zo luidt de redenering, niet meer in staat is de veiligheid en mensenrechten van haar burgers te garanderen, kan en (in sommige gevallen zoals genocide) moet de internationale gemeenschap ingrijpen om die bescherming wel te bieden. Naar analogie zou de internationale gemeenschap hetzelfde kunnen doen ten aanzien van de sociale en economische rechten. In haar beleidsnota over mensenrechten stelt de Nederlandse regering dat mensenrechten een en ondeelbaar zijn en dat het niet past een onderscheid te maken tussen de burgerlijke en politieke rechten enerzijds en sociale, economische, culturele en religieuze rechten anderzijds. De omvang van het menselijk lijden als gevolg van armoede is vele malen groter dan dat als gevolg van oorlog en geweld. De 900.000 slachtoffers van de genocide in Rwanda en de 300.000 doden in Darfur vallen in het niet bij de meer dan 30 miljoen mensen die jaarlijks omkomen door honger en armoede en zijn ook nog aanzienlijk minder dan de 3,5 miljoen mensen die jaarlijks sterven aan Aids. Er is internationaal, met als basis de mensenrechten, een zekere eensgezindheid over de ondergrens, de bodem waardoorheen we niet zouden mogen zakken. En hoewel er, bijvoorbeeld in de MDG’s wereldwijde overeenstemming is over de vraag wat we moeten bereiken op het terrein van ontwikkeling, wordt er geen moment over gedacht om met dwingende middelen, via interventies van buitenaf, het realiseren van die doelstellingen af te dwingen. Ook de toenemende kans dat doelstellingen niet gehaald worden, is geen reden om naar die zwaardere middelen te grijpen.

De uitvoerbaarheid van zo’n direct ingrijpen om deze invulling van de morele imperatief waar te maken, ligt ver achter de horizon. Zelfs als er, in het kader van een brede interpretatie van de mensenrechten (inclusief sociale en economische) een juridische basis voor gelegd zou kunnen worden, is er geen zicht op het implementeren van zo’n juridische legitimatie. Er is niemand die gedacht heeft aan ingrijpen in Zuid-Afrika toen enige jaren geleden het land een dramatische aidspolitiek voerde. Hoe ondenkbaar ingrijpen is vanwege armoede en  ontwikkeling wordt duidelijk vanuit een vergelijking met de Europese Unie relevant. Binnen de Europese Unie, die mag worden gezien als de meest ingrijpende vorm waarin soevereine staten inmenging in hun eigen binnenlands beleid toelaten, zijn juist de domeinen die de armoede van de Europese bevolking raken (sociale zekerheid, bijstand, gezondheidszorg, huisvesting) domeinen die zijn voorbehouden aan de nationale lidstaten. Een afgeleide vorm van de ‘responsibility to protect’ als onderbouwing van armoedebestrijding is juridisch en praktisch niet te realiseren. Interventionisme, waarbij met voorbijgaan van de soevereiniteit van de nationale staat ingegrepen wordt in een samenleving, moet beperkt blijven tot uitzonderingen en is daarom niet toepasbaar in de armoedebestrijding die zoveel samenlevingen en groepen binnen samenlevingen treft. Op de betekenis en het belang van de nationale staat komt ik later terug.

Een tweede onderbouwing van de morele imperatief vloeit voort uit de mate waarin rijke landen mede schuldig zijn aan de armoede in de wereld. De landbouwpolitiek van de ontwikkelde landen, de wijze waarop ten behoeve van eigen industrie gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen (olie, mijnbouw, soya, palmolie) met negatieve effecten voor ontwikkelingslanden, het gebruik van ontwikkelingslanden als slagveld voor de Koude Oorlog zijn evenzovele redenen voor een morele verantwoordelijkheid om iets terug te doen. Deze morele onderbouwing krijgt in de praktijk echter ook geen vorm. Het zou betekenen dat ontwikkelingssamenwerking verbonden zou moeten worden met die domeinen waar de morele schuld is opgebouwd. In de politieke praktijk is dat maar zelden het geval. Belangen van landbouw, voedingsmiddelensector, mijnbouw en financiële dienstverlening worden niet overgelaten aan het ministerie van OS en de geopolitieke belangen van de rijke landen worden zorgvuldig gescheiden gehouden van het OS-discours.[k2]  Er moet immers voldoende ruimte blijven om autonoom te opereren vanuit die belangen en keuzen te maken die in het belang van het eigen land zijn. Een koppeling aan belangen van ontwikkelingslanden zou de handelingsvrijheid te zeer beperken. Natuurlijk wordt er vanuit het domein van OS invloed uitgeoefend op deze dossiers en zijn maatschappelijke organisaties voortdurend bezig vanuit hun eigen OS-domein in te breken in de andere domeinen, maar de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden wijzigt niet noemenswaard. Genoegdoening als moreel gefundeerd handelen heeft als noodzakelijke component dat er anders gehandeld wordt: zonde vraagt niet alleen om een penitentie, maar ook om bekering.

Deze realiteit van politieke domeinen heeft tot gevolg dat ontwikkelingshulp in essentie ertoe veroordeeld is zich te richten op de gevolgen zonder veel invloed te hebben op de oorzaken. Ze kan de penitentie voldoen, maar heeft onvoldoende invloed op de noodzakelijke bekering. Het is op dit punt dat in toenemende mate Afrikanen en Latijns-Amerikanen reageren. Zij hebben genoeg van alle discussies over ontwikkelingssamenwerking omdat ze het niet over de gevolgen willen hebben, maar over de oorzaken. Ze willen praten over de oliewinning in Nigeria, de soyateelt in Brazilië, de koperwinning in Zambia en de vraag welke belangen en wiens belangen daar achter zitten. Ze beschouwen ontwikkelingshulp als een fooi waar de wereld veel te veel tijd in steekt. Ze willen het hebben over belastingontwijking via de belastingparadijzen of over de effecten van free trade zones op de economie van hun land.

Verlicht eigenbelang als (nieuwe?) basis voor OS
Het antwoord op de vraag naar de onderbouwing van OS is deels te vinden in onze eigen sociale geschiedenis. De ontwikkeling van de armoedebestrijding in de zeventiende eeuw en de sociale ontwikkeling in de industriële revolutie zijn daarbij instructief. In de zeventiende eeuw tot aan het eind van de negentiende eeuw ging het bij armoedebestrijding om drie basisargumenten:

  1. Goed doen. De gegoede burgers van de opkomende steden wilden laten zien dat ze zedelijk en moreel hoogstaande mensen waren in hun zorg voor anderen.
  2. Het voorkomen van gevaren. Armoede bleek een aanjager te zijn van epidemische ziekten en waren een aanjager van misdaden. Bescherming tegen pest was na de grote epidemieën van de middeleeuwen dringend geboden.
  3. Het creëren van koopkrachtige vraag. Met name aan het eind van de negentiende eeuw werd het voor de rijke elite duidelijk dat economische groei zou stokken als de koopkracht van de armen niet zou stijgen en hun vermogen om bij te dragen aan die economie middels scholing en ontwikkeling niet zou toenemen.

Naast de morele imperatief die zijn geldigheid door de eeuwen heeft gehouden – en terecht want moraliteit is een essentieel element van ons mens zijn – heeft eigenbelang een lange traditie in de sociale kwesties van de geschiedenis. Er is dan ook weinig belang om eigenbelang in deze globale sociale kwestie terzijde te schuiven.

Inmiddels is (verlicht) eigenbelang een steeds vaker gebruikte term in het OS debat en een nieuwe verdedigingslinie in dat debat. De vraag is echter of eigenbelang een voldoende stevige basis onder ontwikkelingssamenwerking. En of het een wenselijke legitimatie is. Wat dat laatste betreft hebben we in ontwikkelingssamenwerking ervaring. Tot in de jaren negentig is gebonden hulp (met meestal een economisch eigenbelang van Nederlandse bedrijven) deel van het beleid geweest. Die gebonden hulp is toen afgeschaft omdat er een negatieve relatie bleek te bestaan tussen gebonden hulp en kwaliteit van de hulp. Voor zover een  beroep op eigenbelang gestoeld is op het directe economisch belang van het Nederlandse bedrijfsleven, is grote voorzichtigheid geboden. Er zullen duidelijke condities moeten worden geformuleerd om te voorkomen dat het eigenbelang net als in het verleden negatieve effecten zal hebben op ontwikkeling. De condities zijn beter doordat we meer weten over die effecten en omdat het maatschappelijk verantwoord ondernemen in veel bedrijven een plaats heeft gekregen, maar kritisch volgen lijkt hoe dan ook op zijn plaats.

Bovendien heeft in de afgelopen decennia laten zien dat eigenbelangen van landbouw, industriepolitiek, grondstoffen en geopolitieke belangen altijd zorgvuldig gescheiden zijn gehouden van OS: blijkbaar was er geen businesscase te maken waarin ontwikkelingshulp en eigen belang goed samengingen.

Om een stevige basis te leggen zou er een min of meer dwingende logica moeten zijn die in een oorzaak en gevolg redenering de verbinding kan leggen tussen armoedebestrijding en het geformuleerde eigenbelang. Mijn overtuiging echter is dat er slechts sprake is van een indirecte oorzakelijkheid en dat een directe link tussen eigenbelang en ontwikkelingssamenwerking moeilijk te leggen is. Daarvoor neem ik drie terreinen als voorbeeld:

  1. op het terrein van immigratie wordt graag de redenering aangehouden dat met meer ontwikkeling de migratie naar West-Europa kan worden beperkt. De push factoren voor migratie van grote groepen Afrikanen en Latijns-Amerikanen naar Europa kunnen daardoor worden weggenomen. Migratie onderzoek laat zien dat de causaliteit ingewikkelder is en dat de factoren die migratie bevorderen betrekkelijk moeilijk te beïnvloeden zijn. Wie kijkt naar de grote immigratiegroepen van de laatste twee decennia (vanaf 1990) moet constateren dat oorlog en geweld (Balkan conflict, Irak, Afghanistan, Somalië) directere oorzaken zijn dan armoede. En wie kijkt naar de groepen vluchtelingen die naar Nederland komen moet constateren dat het eerder de middenklassen en hogere, goed opgeleiden zijn die de weg naar West-Europa weten te vinden dan degenen die onder het bestaansminimum leven. De sterke conflictgerelateerdheid van migratie zou eerder pleiten voor meer vredesmissies dan voor ontwikkelingshulp. In de indirecte mate waarin ontwikkelingshulp conflicten voorkomt of helpt oplossen heeft ontwikkelingshulp invloed op migratie. Ook is het goed te bedenken dat de huidige Nederlandse migratievraagstukken en het probleem van de integratie niet zijn verbonden met de minst ontwikkelde landen: Marokko en zeker Turkije kunnen niet als zodanig beschouwd worden. Tot slot mag van een koppeling tussen migratie en ontwikkelen vanuit verlicht eigenbelang geen korte termijn resultaat worden verwacht. Het zal nog jaren duren voordat armoede als push-factor voor migratie zal zijn verdwenen.
  2. Op het terrein van economie is het eigenbelang van Nederland beperkt. Hierboven is al gewezen op de ervaringen met de betekenis van economisch eigenbelang voor ontwikkeling. Het belang van Afrika voor de Nederlandse economie is bovendien heel klein. Als het directe economisch eigenbelang van Nederland bepalend zou zijn voor beslissingen over economische samenwerking zou dat veel meer gediend zijn met investeringen in Oost-Europa en China dan met investeringen in Afrika. Er is wel een indirecte redenering te maken dat Nederland belang heeft bij de toegang tot Afrikaanse bodemschatten (vandaar de deelname aan het strategisch energie initiatief voor de West-Afrikaanse kust), maar op dat terrein laat men de sturing niet over aan ontwikkelingssamenwerking.  Voor een flink aantal grondstoffen (koper coltan) hebben we overigens meer belang bij Chineze exploitatie dan Nederlandse exploitatie. Alleen via China als werkplaats van de wereld houden we de toevloed van goedkope producten gaande houdt.
  3. Terrorisme is een derde terrein van eigenbelang waar ontwikkelingshulp een bijdrage kan leveren. Ook hier zijn relativerende opmerkingen op zijn plaats. Hoewel Al Qaida haar aanslagen op de Twin Towers vanuit Afghanistan heeft kunnen organiseren, zijn de aanslagen in London vanuit Engeland zelf gepland. Het terrorisme netwerk is zodanig geglobaliseerd dat het moeilijk te localiseren valt en een directe relatie met armoede moeilijk te leggen is. In indirecte zin kan mogelijk geargumenteerd worden dat armoede mensen ontvankelijker maakt voor radicale ideeën, maar Saoedi-Arabië, een van de pijlers van het wahabitisch moslimfundamentalisme kan moeilijk als een arm land gekarakteriseerd worden.

De relatie tussen eigenbelang en armoedebestrijding is daarom naar mijn overtuiging eerder een indirecte dan een directe en eerder een lange termijn dan een korte termijn causaliteit. Hoewel het in het huidige debat nieuw en dus aantrekkelijk lijkt om de verdedigingslinie te verleggen van de morele imperatief naar het (verlicht) eigenbelang, is het de vraag of daarmee voor de langere termijn een stevig fundament kan worden gelegd.

Maar ook als de indirecte relatie tussen eigenbelang en ontwikkelingshulp wordt gevolgd, geeft dat nog geen duidelijkheid over de maatvoering. De omvang van het eigenbelang zou dan mede maatgevend moeten zijn voor de omvang van OS. Dat eigenbelang kan waarschijnlijk niet voor jaren in de vaste verhouding van 0.7% BNP worden uitgedrukt. De relatie leggen met eigenbelang versterkt de redenering dat 0,7% van het BNP als inputdoelstelling voor OS niet goed te onderbouwen is.. Het eigenbelang argument zal duidelijk moeten maken dat investeringen in OS ook rendement voor dat eigenbelang opleveren. De mate van OS zal daarom gerelateerd moeten worden aan eigenbelang en kan dan niet bij voorbaat gegeven zijn.

Mijn conclusie is dat eigenbelang terecht onderdeel is van de argumentatie van ontwikkelingssamenwerking. Dat is ook in lijn met eerdere historische interventies op het terrein van armoede en sociale ontwikkeling in eigen land. Het is echter eerder een indirecte dan een directe relatie en eerder lange termijn dan korte termijn. Daarbij mag Afghanistan een illustratief voorbeeld zijn: wie verwacht had dat we met ontwikkelingssamenwerking het probleem van het geweld en terrorisme daar op korte termijn zouden kunnen keren, komt nu bedrogen uit. Voor migratie zal hetzelfde gelden: het is niet te verwachten dat ontwikkelingssamenwerking op korte termijn de potentiële migranten van gedachten doet veranderen. En ook de economische crisis in Nederland lossen we niet op met meer OS. Daardoor is het eigenbelang een onzekere onderbouwing in tijden van hevig politiek debat.Bovendien biedt de eigenbelang-redenering onvoldoende houvast voor een kwantificering van de omvang van OS: het helpt de onderbouwing van de OS-inspanningen maar lijkt een kwetsbare onderbouwing voor de lange termijn.

Mensen ontwikkelen zichzelf
Van Prins Claus is de veel geciteerde uitspraak: mensen worden niet ontwikkeld, zij ontwikkelen zichzelf. Zestig jaar ontwikkelingssamenwerking is aanleiding tot bescheidenheid over wat externe interventies vermogen in het oplossen van het armoedevraagstuk. In een eerdere paragraaf heb ik laten zien dat het ook onmogelijk is een ontwikkelingsagenda vanuit een internationale morele verantwoordelijkheid af te dwingen. Er is geen legitimatie, noch een praktische invulling van zo’n interventionisme. Er is geen andere weg dan via de processen van verandering die zich in de eigen samenleving van ontwikkelingslanden voltrekken. Daarbij kunnen, in een globaliserende wereld, externe actoren een rol spelen, maar zij zijn niet de dragers van zo’n proces. Dat begrip ‘eigen samenleving’ valt wat mij betreft niet automatisch samen met de natiestaat. Samenlevingen zijn veel complexer dan dat ze samenvallen met het institutionele begrip van de natiestaat. Juist in ontwikkelingslanden is de samenleving veel gelaagder: wie in Ghana een stuk grond wil kopen doet er goed aan niet als eerste naar de statelijke autoriteiten te gaan maar eerst belet te vragen bij de traditionele leiders.

In het huidige discours over ontwikkeling vindt dat terecht zijn uitdrukking in het begrip katalysator: ontwikkelingssamenwerking kan slechts een katalyserende rol vervullen in ontwikkelingsprocessen. Dat veronderstelt dat er processen zijn waarop OS een katalyserende invloed kan uitoefenen. De vraag is dan welke die processen zijn. OS kan en moet een katalyserende invloed hebben op processen in onze eigen samenleving zoals de landbouwpolitiek, de energie en grondstoffenpolitiek, de vredesmissies. Dat is niet nieuw, de onderlinge verbanden zijn bekend. De beleidsmatige vertaling daarvan is nog maar net begonnen. De nota van de ministers Koenders en Verburg over landbouw en ontwikkeling is een eerste voorzichtige stap, die operationeel nog veel uitwerking vraagt. Een consequent doorredeneren van OS als een eigen domein met een eigen beleidslogica en een eigen financieringslogica heeft dan steeds minder bestaansrecht. Daarnaast is de katalyserende werking uiteraard te vinden in ontwikkelingslanden. Daar vraagt het echter om een ander beleidsinstrumentarium. In het huidige denken is er sprake van een lineaire oorzaak en gevolg logica waarbij vanuit Nederlands OS-beleid interventies worden geïnitieerd die in ontwikkelingslanden tot resultaten leiden. Een consequent doortrekken van de katalysator rol betekent dat we veel zorgvuldiger eerst de processen in ontwikkelingslanden moeten worden beschreven om vervolgens te definiëren welke invloed daarop vanuit Nederlandse OS-interventies kan worden uitgeoefend zodanig dat het al op gang zijnde proces wordt versterkt en waar mogelijk verbeterd.

Bij de bescheidenheid van ontwikkelingshulp hoort ook de overtuiging dat het een ‘ second best’ oplossing is. Als systeem van inkomensoverdracht is OS een noodzakelijke, maar niet ideale oplossing voor armoede. Noodzakelijk omdat zonder OS de eerder beschreven resultaten zoals groeiende levensverwachting, onderwijs voor kinderen en microkrediet waarschijnlijk (het ontbreekt aan een controlegroep een voor zekerder bewijsvoering) niet waren gerealiseerd. En Dambisa Moyo zal argumenteren dat al die ontwikkelingshulp de zaak van ontwikkeling eerder kwaad dan goed heeft gedaan. Maar ook als de positieve effecten overeind blijven kan ontwikkelingshulp nog steeds als niet ideaal worden gekwalificeerd omdat het wenselijker zou zijn als samenlevingen in staat zouden zijn hun eigen ontwikkeling te financieren vanuit de eigen sociale en financieel economische dynamiek. Eveneens niet ideaal omdat het leidt tot afhankelijkheid die negatief uitwerkt in ontwikkelingslanden. Het boek Dambisa Moyo is het topje van de ijsberg van een groeiend besef in ontwikkelingslanden van de negatieve effecten van de grote afhankelijkheid als gevolg van OS. Vooral de langdurigheid van die afhankelijkheid (in sommige landen is de overheidsbegroting al jarenlang voor meer dan de helft afhankelijk van donoren en niet van binnenlandse inkomsten) is daarbij een negatieve factor aan het worden. Met de erkenning dat elke vergelijking zijn beperkingen heeft, dringt zich voor mij de vergelijking op met onze bijstandswet. Er is geen enkele twijfel aan nut en noodzaak van de bijstandswet en aan de betekenis daarvan als teken van goed georganiseerde solidariteit in de samenleving, maar er is ook weinig twijfel dat het een second best oplossing is. De gedachten over een arbeidsloos inkomen uit de jaren zeventig als ideaal beeld van een nieuwe samenleving hebben slechts een heel kort leven geleid. Ik ben ervan overtuigd dat andere vormen van betaalde participatie in en interactie met de samenleving beter en meer nastrevenswaardig zijn. Bijstand heeft aperte nadelen omdat het de verkeerde incentives geeft en eerder de neiging heeft mensen te isoleren van de samenleving dan dat het activeert (vandaar de transgenerationele bijstand). Voor ontwikkelingshulp geldt dus mutatis mutandis hetzelfde. Het is second best en het heeft het gevaar de verkeerde incentives te geven. Ook daarvan zijn mensen in ontwikkelingslanden zich in toenemende mate bewust. Ze zien de hulpafhankelijkheid en de overtuiging dat er in tijden van  nood toch wel ergens een internationale organisatie opduikt om de nood te lenigen. Net als de bijstand op nationaal niveau is op internationaal niveau ontwikkelingshulp een noodzakelijk instrument. Maar er is alle reden om onder ogen te zien dat het op de tweede plaats komt nadat voluit ingezet wordt op de andere instrumenten die echte participatie en ontwikkeling tot stand kunnen brengen. Er bestaan immers geen arme landen, wel landen met veel arme mensen. Ontwikkelingslanden zijn door de bank genomen rijk aan human en natural resources. Er is ook geen twijfel aan het potentieel van ontwikkelingslanden om hun eigen ontwikkeling te financieren uit eigen inkomsten. De omvang van de ‘ illicit financial flows’ uit ontwikkelingslanden laat zien dat een aanzienlijk deel van die rijkdom aan die landen wordt onttrokken. De VN becijfert de illicit flows op ongeveer 600 miljard per jaar. En de ‘race to the bottom’ waarin ontwikkelingslanden verstrikt zijn in pogingen externe investeerders te lokken versterkt dat proces van waarbij potentiele inkomsten niet gerealiseerd worden. Alles bij elkaar is er sprake van een kapitaalsuitstroom van 200 miljard per jaar vanuit ontwikkelingslanden naar rijke landen. In het licht daarvan is ontwikkelingshulp second best.

Goed bestuur: OS en het sociaal contract
Ook wie gelooft in globaliseren en voor wie de betekenis van landsgrenzen relatief is, zal erkennen (zie ook de eerdere verwijzing naar de EU) dat ontwikkeling en armoedebestrijding nog steeds plaatsvinden binnen het kader van de nationale staat. Met alle gebreken blijkt het het meest voor de hand liggende instituut waar burgers zich toe kunnen wenden als het hen ontbreekt aan zaken als onderwijs, schoon water en gezondheidszorg. En nog steeds blijkt de nationale staat een belangrijke rol te spelen in economische ontwikkeling, althans voor het merendeel van de inwoners. Voor de armen in de wereld is het dus van groot belang of de staat in staat is een sociaal contract aan te gaan en te onderhouden met al zijn burgers. Vlak voor het nieuwe millenium ontwikkelde de Wereldbank goed bestuur als een nieuw criterium in ontwikkelingssamenwerking. Uit onderzoeken bleek er een flinke correlatie te zijn tussen goed bestuur en effectieve ontwikkelingssamenwerking. Onze minister Herfkens (daarvoor werkzaam bij de Wereldbank) omarmde die gedachte en formuleerde goed bestuur als een van de criteria voor het Nederlandse OS-beleid. Dat leidde tot flinke discussies en werd later, omdat anders teveel landen zouden moeten afvallen,  teruggebracht tot ‘landen die werk maken van goed bestuur’. Ook de Amerikaanse regering Bush lanceerde een nieuw initiatief onder de titel Millenium Challenge waarvoor alleen die landen zich konden kwalificeren die aantoonbaar goed bestuur in de praktijk brachten. Wat goed bestuur precies inhoudt is misschien lastig te definiëren in een alles omvattende en exclusieve definitie, maar drie dingen zijn essentieel:

-       er is democratie en dus is er gelegenheid voor de burgers om invloed / ste te hebben in het bestuur
-       er is een onafhankelijke rechtspraak zodat mensen hun recht kunnen halen en conflicten eerlijk worden beslecht\
-       er is geen corruptie zodat geld en middelen niet gebruikt worden voor zelfverrijking.

In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat goed bestuur misschien wel het grootste obstakel is voor ontwikkeling en voor effectieve ontwikkelingssamenwerking. Het zijn niet alleen de zogenaamde falende staten (Afghanistan, Haiti, Sudan, Congo) waar goed bestuur een struikelblok is. Teveel landen in Afrika en Latijns-Amerika en Azië scoren hoog op de verschillende goed bestuur indices. Zelfs de Ghanezen, als land vaak voorbeeld voor goed bestuur, konden begin dit jaar in hun kranten de verhalen lezen van ministers en parlementsleden die na de verkiezingen nog snel even voor een prikkie de dienstauto’s en kantoren overnamen. En in landen als Kenya, Zimbabwe, Peru en Honduras worden is elke vergunning geld waard, kan elke verkeersovertreding worden afgekocht en is elk oordeel van een rechter te beïnvloeden. De invloed van overheden via ontwikkelingssamenwerking op dat proces is zeer beperkt. Goed bestuur in Afghanistan staat al enkele jaren hoog op de agenda en donoren zeggen elke keer hoezeer het hen ter harte gaat, maar de verkiezingen in Afghanistan hebben als test voor goed bestuur laten zien hoe veel of beter w=hoe weinig dat heeft opgeleverd.

Het is mijn overtuiging dat de strijd voor goed bestuur niet van buitenaf, maar van binnenuit gewonnen moet worden. Buitenlandse regeringen zijn simpelweg te zeer beperkt door geopolitieke belangen (Kenya is wel een door en door corrupt land maar van strategische betekenis voor de Hoorn van Sfrika) en de diplomatieke mores om werkelijk een vuist te maken. De strijd om een betekenisvol sociaal contract tussen de overheid en haar burgers kan niet van buitenaf worden afgedwongen. In alle ontwikkelingslanden hebben burgers de pest aan corruptie en worden ondernemers moedeloos van rechters die omkoopbaar zijn. En overal zijn maatschappelijke organisaties van burgers, ondernemers en kerken op lokaal en nationaal niveau actief om de strijd aan te binden met kwalijke bestuurspraktijken. Het is geen verloren strijd, maar het is een illusie te denken dat die strijd via contacten van overheid tot overheid gewonnen zal worden.

Naar een nieuwe ontwikkelingssamenwerking.
Verdere en grondiger vernieuwing van ontwikkelingssamenwerking is onontkoombaar in de komende jaren. Inhoudelijk zou die zich moeten concentreren rond drie domeinen:

  1. armoedebestrijding. Met meer dan één miljard mensen beneden de armoedegrens is er geen enkele reden dit onderwerp van de agenda te halen. Er is wel reden om er veel meer focus aan te geven. De Afrika evaluatie van IOB constateert in haar onderzoek naar 10 jaar Afrikabeleid dat het aan een echte armoedeagenda ontbroken heeft. In het huidige beleid wordt alles wat onder ODA plaatsvindt als armoedebestrijding gekarakteriseerd. Van elke interventie wordt verondersteld dat die ofwel via een directe interventie of wel via een trickle down effect, bijdraagt aan armoedebestrijding. Daardoor heeft het ontbreken aan een scherpe analyse van armoede. Het is tijd voor een echte armoede-agenda gebaseerd op een goede analyse van de oorzaken van armoede, de dynamiek van ontkomen aan en (terug)vallen in armoede. Er is de laatste jaren veel goed onderzoek gedaan naar dat armoedeproces. De grote omvang van de armoede is ook alle reden om de zachte kanten van OS (onderwijs, gezondheidszorg, drinkwater, [positie van vrouwen) hoog op de agenda te houden.
  2. Economische structuurversterking. De ontwikkeling van economie en werkgelegenheid is van cruciale betekenis voor ontwikkelingslanden. Voor landen waar inmiddels 40% of meer onder de 25 jaar is, wordt de druk om werkgelegenheid te creëren steeds groter. Dat vraagt om gerichte investeringen in economische structuurversterking. Daarin moet het doorbreken en veranderen van economische machtsposities bewust doel zijn van die agenda. Zonder dat zullen we ook over twintig jaar eenzelfde discussie over het falen van OS kunnen voeren. Dat proces is deels globaal en deels lokaal. Lokaal waar het de ontwikkeling van het Midden en Klein bedrijf betreft. Dat zal ook in OS de grote banenmotor moeten worden en de ontwikkeling daarvan is vooral afhankelijk van lokale processen en het doorbreken van lokale economische machtsverhoudingen. Tegelijk is het globaal nu internationale handel het overall-kader heeft geschapen voor rentabiliteit. Zonder meer rechtvaardige globale verhoudingen zal het lokale midden en kleinbedrijf veel moeite hebben zich te ontwikkelen. Nieuwe internationale verhoudingen zijn nodig om de externalisering van sociale en ecologische kosten te stoppen en zo de bijdrage van globale economie aan ontwikkeling te vergroten. Economische ontwikkeling vraagt andere interventies dan inkomensoverdrachten. Klassieke OS in die vorm is juist op economisch terrein eerder schadelijk dan succesvol: het verstoort gezonde marktprocessen en schept schijn-rentabiliteit van bedrijven. Daar gaat het vooral om faciliterende processen opzetten van Kamers van Koophandels, Kredietfaciliteiten, faciliteren van ontwikkeling van lokale markten en marktketens, versterking van brancheorganisaties. Het gaat ook om gemeenschappelijke kennisontwikkeling tussen Noord en Zuid (dus niet zomaar kennisoverdracht). En het gaat, zoals gezegd om regelgeving op internationaal niveau. Daarmee wordt ook expliciet een kader gecreëerd om de faciliteiten te scheppen die van belang zijn voor de ontwikkeling van een middenklasse die als cruciaal wordt gezien voor stabilteit en ontwikkeling. Die middenklasse zit niet te wachten op inkomensoverdrachten maar wel op een speelveld dat hun ontwikkeling ondersteunt.
  3. Opkomende internationale problemen. Het gaat daarbij om internationale ontwikkelingen die grote invloed hebben op armoede zoals klimaat, energie en natuurlijke hulpbronnen, migratie, en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het zijn thema’s die en veel bredere uitwerking hebben dan alleen het terrein van ontwikkelingssamenwerking maar die wel cruciaal zijn: zonder aanpak van die vraagstukken blijft het op de eerste twee domeinen dweilen met de kraan open.

Dwars door deze drie domeinen loopt het thema van goed bestuur als een doorsnijdend thema. De strijd  voor democratie en eerlijke rechtspraak en tegen corruptie is op elk van de drie domeinen van cruciaal belang. Tot het gebied van goed bestuur hoort wat mij betreft, en prominent, ook versterking van zelffinanciërend vermogen van ontwikkelingslanden. Het versterken van het belastingregiem om belastingontwijking tegen te gaan is cruciaal voor ontwikkelingslanden. Dat is alleen denkbaar als er op globaal niveau gewerkt wordt aan regels om die belastingvlucht naar de Bahama’s, de Kaaimaneilanden en de Nederlandse Antillen tegen te gaan.

Van deze domeinen zal bij de uitwerking snel blijken dat ze ook organisatorisch een andere opzet vragen. Uit de stelling dat economische ontwikkeling en good governance niet in de eerste plaats draaien op financiële overdracht maar op kennisontwikkeling en internationale regelgeving leidt ik af dat de huidige positionering van de minister van OS niet voldoende is. Met alle respect voor de pogingen die gedaan zijn en worden op de harde kant is de opzet van het huidige ministerie er een waarbij de zachte kant van OS centraal staat. Voor een effectief opereren op de harde kant van OS is een andere positionering, een ander mandaat en een ander (niet-financieel) instrumentarium nodig. En voor het harde domein van de politieke macht (goed bestuur) concludeer ik op grond van de ontbrekende resultaten dat ook daar een heel ander instrumentarium nodig is. Dat vooral gericht is op de interne dynamiek in landen.

De financiële toekomst
Tegen de achtergrond van deze inhoudelijke heroriëntatie en transformatie van OS moet vervolgens de discussie over de financiering van OS plaatsvinden. Dat is uiteraard het meest gevoelige onderwerp. Ik maak me geen illusies over de scherpte van het debat daarover, overigens net als over de hypotheekrente en de AOW en de kinderbijslag. En er is geen twijfel dat de aanvallen op OS zullen toenemen.

Met een miljard armen is er een groot moeel imperatief om het OS-budget met hand en tand te verdedigen. De groeiende kloof tussen arm en rijk is eerder een argument te pleiten voor verhoging van het OS-budget. Toch zijn er ook nadelen aan deze strategie verbonden. Mijn beeld is in toenemende mate dat OS opgesloten zit in een bunker die stevig beveiligd is met gewapend beton, bestaande uit morele en internationaal-rechterlijke argumenten. Zo’n verdedigingsstrategie heeft als voordeel dat ze stevig is en zich de afgelopen twintig jaar heeft bewezen. Ze heeft er echter ook toe geleid dat OS opgesloten is geraakt en een makkelijk doelwit is geworden voor de toenemende beschietingen. Is die verdediging nog toereikend?

De belangrijkste reden om met de discussie over de financiering van OS niet uit de weg te gaan is mijn eerder in dit artikel geformuleerde opvatting dat ontwikkelingshulp als inkomensoverdracht een second best oplossing is. Ik pleit voor een grotere investering in betere oplossingen die een andere architectuur van OS vragen, en waarbij geld niet de belangrijkste factor voor verandering is.

Die betere oplossingen zijn er en ze zijn bekend. Het verbeteren van het belastingregime in ontwikkelingslanden en tegelijkertijd het dichten van allerlei mazen in de internationale regelgeving rond financiële transacties kan ontwikkelingslanden honderden miljarden opleveren, meer dan het huidige ODA. Het verbeteren van sociaal verantwoord ondernemen waarbij zowel de sociale als de ecologische kosten in ontwikkelingslanden beter worden gedekt, zal ook leiden tot aanzienlijk meer geldstromen in en naar ontwikkelingslanden. Het ontwikkelen van minimumstandaarden voor de ontginning van delfstoffen en natuurlijke hulpbronnen (waarom leggen we voor boren in de Waddenzee de hoogst denkbare maatstaven aan en voor boren in het Amazonegbeied de laagst denkbare of helemaal geen?) zal de economische ontwikkeling aanzienlijk versterken. Net als bij het klimaatprobleem gaat het er niet om dat we niet weten wat er kan en moet gebeuren. We weten wat er nodig en mogelijk is om het zelfverdienend vermogen van ontwikkelingslanden te vergroten. In combinatie met goed bestuur – deels vanzelfsprekend omdat betere belastinginning leidt tot grotere (eisen om) accountability en transparency: no taxation without representation – ligt daar de sleutel voor de komende tien tot twintig jaar. Zonder die gerichte investering in alternatieven die inwerken op de harde kant van OS en de positie van ontwikkelingslanden zullen versterken, blijft het debat over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking een debat over de bijgerechten. Zonder die grondige herbezinning zal het debat over OS in het kader van de bezuinigingen een ordinare greep in de kas worden. Ook voor de herbezinning op OS en de financiele gevolgen daarvan is zorgvuldigheid een eerste vereiste. Voor de invoering van de 67 jarige leeftijd in de AOW nemen we 24 jaar. Voor de hervorming van de hypotheekrente zal zeker tenminste tien jaar worden uitgetrokken om deze zorgvuldig en zonder te grote schokken te laten verlopen. Die zorgvuldigheid moet ook het uitgangspunt zijn voor de hervorming van OS. Maar net als bij de hervorming van AOW en hypotheekrente moet het doel wel helder geformuleerd worden. Ik ben daarbij een voorstander van een beleidsrijke hervorming, waarbij het dus niet alleen gaat om de discussie over omvang van budget, maar om een nieuwe fundering die de toekomst van OS voor de komende jaren een stevig fundament verschaft.

Tot slot
Ontwikkelingssamenwerking doet wat het kan maar het kan niet wat het moet. We zijn succesvol op die zachte kanten van ontwikkeling waar we invloed hebben: onderwijs, gezondheidszorg, emancipatie, microkrediet. De huidige opzet van OS (en dat is een opzet van veertig jaar geleden) is onvoldoende in staat de basisvoorwaarden en –verhoudingen in economie en politiek zo beinvloeden dat de strijd tegen armoede structureel wordt gewonnen. In die herbezinning kunnen budget en de huidige positie en mandaat van de minister van OS niet langer de totems zijn waaromheen we ons groeperen. Door ze niet langer als totems te zien, berdwijnt ook hun taboe-karakter. Dan komt er hopelijk ruimte voor een grondig debat over welke nieuwe op zet en welk nieuw instrumentarium nodig is voor de noodzakelijke invloed op goed bestuur en economische macht om de strijd tegen de hardnekkige oorzaken armoede succesvol te voeren.


 [k1]Even een referentie erbij – wie is peter singer – professor morele ethiek / onderzoeker?

 [k2]De vraag: waarom is dat zo? (omdat geopolitiek eigenbelang zwaarder weegt etc) Vind ik een interessante.  Als je daar in 2 zinnen een kort antwoord op kan formuleren, wordt het sterker.