2012 Maak Nederland weer leading

Maak Nederland weer leading by example in Internationale samenwerking

15 mei 2012

Samenvatting

1. Differentieer internationale samenwerking naar drie beleidsterreinen en ontwikkel de interventies, de financiële instrumenten en de organisatie in overeenstemming met deze drie domeinen:

  • massieve inzet op ontwikkelingsprojecten op fragiele staten en conflictgebieden, houd hierbij vast aan inputfinanciering.
  • ontwikkel een uitgebreid instrumentarium voor bestrijding van ongelijkheid en uitsluiting in midden inkomenslanden en restrict de ODA-inzet via het bedrijfsleven aan dit doel.
  • verbind de ontwikkelingsdoelen op beleidsterreinen met nationale en internationale agendasetting voor global common good.

2. Maak Nederland weer leading by example in Internationale Samenwerking en leidend in de internationale agendasetting ten behoeve van het imago en de positie van de BV Nederland.

  • Investeer in Internationale Samenwerking als topsector van Nederland;
  • Houdt de 0,7%-norm vast en stimuleer andere landen deze internationale norm na te streven,
  • Investeer strategisch in de infrastructuur en de rol van maatschappelijke organisaties, in hun netwerken met zuidelijke NGO’s, en versterk daarmee hun positie in de toenemende globalisering van de markt voor financiering van internationale samenwerking.

Inleiding
In het lente akkoord wordt de bijdrage van Nederland aan ontwikkelingssamenwerking van 0,7 % van het BNP gehandhaafd en andere landen blijft stimuleren ook aan deze internationale norm te voldoen. In het licht van de forse bezuinigingen bij de kabinetformatie was dat noodzakelijk en terecht. Dat besluit doet echter niets af aan de noodzaak en breed geuite wens tot hervorming van Nederlands ontwikkelingsbeleid.

Met de verkiezingen voor de deur wil Cordaid een voorstel doen voor die hervorming. Overkoepelend doel is Nederland weer leidend te maken in de wereldwijde agenda van Internationale Samenwerking. Het is één van die onderdelen waar we als Nederland internationaal op gekend en gewaardeerd worden. We moeten die toppositie uitbuiten in plaats van internationale samenwerking te zien als een restant uit het verleden.

Dat kan door differentiëren van nationale en internationale IS agenda in drie domeinen. Het is en open deur vast te stellen dat de wereld is veranderd. Dat geldt voor de verhouding tussen rijke en arme landen, maar ook voor de ontwikkelingen binnen de groep van ontwikkelingslanden. En het is duidelijk dat de agenda voor ontwikkeling niet meer los gezien kan worden van de zgn global common goods agenda.  En willen we onze koppositie terugpakken, moeten we strategisch investeren in de infrastructuur van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en NGO’s.

1. Conflictgebieden en fragiele staten
Ongebreideld geweld en structureel onrecht bedreigen de menselijke waardigheid van 1 miljard mensen in fragiele contexten. De overheid is daar virtueel afwezig of heeft geen legitimiteit en capaciteit om zijn burgers te beschermen, basisvoorzieningen te leveren en de rechtsorde te beschermen. Het gaat om landen als Afghanistan, DRC, Zuid-Sudan, Sierre Leone, Haïti.

In die landen zullen we ook in de toekomst moeten blijven investeren in klassieke ontwikkelingssamenwerking. Dat wil zeggen: mensen hulp bieden is onmisbaar om juist deze mensen uitzicht te bieden op een menswaardig bestaan. En omdat overheden vaak afwezig zijn of disfunctioneel, zijn maatschappelijke organisaties (zuidelijke en noordelijke) van belang om burgers te bereiken en om bij te dragen aan opbouw van de samenleving.

Inhoudelijk moet de focus liggen op veiligheid en goed bestuur, beide van onderop door te bouwen op de kracht van lokale gemeenschappen. Geef bijzondere aandacht aan de rol en positie van vrouwen en gebruik de sociale cohesie van religieuze gemeenschappen als pijler voor de opbouw van de samenleving.

Gegeven de complexiteit van deze landen en regio’s en de noodzaak om op basis van excellente contextkennis te opereren, wordt een specialistisch onderdeel binnen het ministerie ingericht voor de programma’s in deze gebieden.

2. Midden inkomenslanden: armoedebestrijding is herverdeling
In middeninkomenlanden is armoede steeds vaker een ongelijkheidsvraag. 70% van alle armen woont in midden inkomens landen. Dat geldt voor India en Zuid-Afrika maar ook in toenemende mate voor Indonesië, Bangladesh, Ghana en Kenia. De uitdaging in deze landen is niet directe armoedebestrijding maar herverdeling van de groeiende welvaart. Daarbij zijn twee instrumenten van uitzonderlijk belang.

Allereerst de versterking van instituties die voor rechtvaardigheid van belang zijn: belastingdiensten, kadasters, rechterlijke macht, publieke dienstverlening. Daarbij moet in het beleid bijzondere besteed worden aan de positie van vrouwen (erfrecht, eigendomsrecht).

Voor deze institutionele capaciteitsversterking zal gebruik worden gemaakt van de kennis en ervaring in vakministeries, onderzoeks/kennisinstituten en opleidingsinstituten. Financiering van deze capaciteitsversterking (giften en technische assistentie) gebeurt op basis van feitelijk gerealiseerde uitgaven. Er is geen bestedingsdruk: alleen output-relevante interventies worden gefinancierd.

Het tweede instrument is het mogelijk maken van gerichte investeringen die ontwikkeling sturen in de richting van duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. Nederlands beleid zou er opgericht moeten zijn allerlei actoren (denk aan bedrijven, vakbonden, maatschappelijke organisaties) die in deze midden-inkomenslanden actief zijn te stimuleren een bijdrage te leveren aan de herverdelingsagenda. Zo kunnen bijvoorbeeld aan de huidige subsidies (vallend onder ODA) voor het Nederlands bedrijfsleven criteria worden gesteld zodat ze ook daadwerkelijk ontwikkelingsrelevant worden ingezet aantoonbaar bijdragend aan de doelen van bestrijding van uitsluiting en ongelijkheid; maatschappelijk verantwoord ondernemen in samenwerking met noordelijke en zuidelijke NOGO’s.

De centrale aandacht moet daarom liggen bij het midden in kleinbedrijf omdat ook in ontwikkelingslanden de belangrijkste factor is voor werk en inkomen.

De financiering van dit tweede instrument gebeurt via (achtergestelde) leningen, garanties en risicodragende participaties.

3. Global common goods
Zoals gezegd is de armoede-agenda definitief verweven geraakt met het probleem van publieke goederen: klimaat, energie, grondstoffen, voedsel, mensenrechten. In die agenda gaat het om zowel de activiteiten in het noorden als in het zuiden: het gaat om een werkelijk wereldwijde aanpak. Nederland moet als kleine speler focus aanbrengen en een concrete agenda opbouwen voor enkele publieke goederen: veiligheid en rechtsorde, energie, voedsel, water en klimaat. De Nederlandse inzet is per definitie een inzet waarbij overheid, kennisinstituten, ondernemingen en maatschappelijke organisaties samenwerken om meerwaarde te realiseren.

Op het terrein van voedsel moet het Nederlandse beleid gericht zijn op het versterken van de positie van de familielandbouw in Afrika door deze als centrale actor te zien in het vergroten van de voedselproductie en het realiseren van voedselzekerheid.

Duidelijk is ook dat juist de verdeling en verdediging van publieke goederen niet zonder multilaterale en internationale samenwerking. Dus is hervorming van internationale instituties een aandachtspunt.

Institutioneel – ook op nationaal niveau -  zal de integratie van de noordelijke en zuidelijke componenten van de globale agenda vorm gegeven moeten worden. Het ministerie van internationale samenwerking zal voor die zuidelijke component meer een netwerk/regierol ten opzichte van andere actoren dan een direct sturende rol in de uitvoering vervullen.

Ook spelen mondiale burgers een cruciale rol bij het scherp houden van zowel de overheid als het Nederlandse bedrijfsleven. Juist op het terrein van de publieke goederen hebben maatschappelijke organisaties de afgelopen jaren de leiding genomen in de agendering en in het creëren van een ‘enabling environment’ voor verandering van beleid en gedrag: klimaat, energie, biodiversiteit, mensenrechten zijn bij uitstek onderwerpen waar maatschappelijke organisaties de kar hebben getrokken.

Voor de financiering zal op de kortst mogelijke termijn gewerkt moeten worden aan nieuwe mechanismen zoals de financial transaction tax (FTT) en heffingen die de schaarste reflecteren van internationale publieke goederen.

4. Nederland leading by example in Internationale samenwerking
Maak Nederland weer leading by example in Internationale samenwerking. Bepaal de nationale en internationale agenda op bovengenoemde drie beleidsterreinen. Doe dit als investering in IS als topsector ten behoeven van de BV Nederland en haar wereldwijde imago en positie. Deze positie is voor een groot deel te danken aan Nederlandse maatschappelijke organisasties. Er is geen twijfel aan de strategische rol van maatschappelijke organisaties. Op elk van de drie hiervoor geschetste terreinen is hun rol belangrijk en strategisch om noodzakelijke veranderingen tot stand te brengen.

Hun verankering in de Nederlandse samenleving en hun netwerken in het zuiden staat garant voor draagvlak en vraaggerichtheid en biedt ruimte om vanuit de krachten in de zuidelijke samenleving te opereren. Nederland moet naar Internationale samenwerking kijken als een topsector met maatschappelijke organisaties als ambassadeurs van die Nederlandse leidende positie door de erkenning en positie die ze de afgelopen jaren internationaal hebben opgebouwd. Zij leggen de verbinding met de zuidelijke NGO’s en zetten de standaard voor samenwerkingsverbanden tussen kennisinstituten, bedrijfsleven, overheden en NGO’s. In zuidelijke landen zijn ze bekend en gewaardeerd, binnen de eigen internationale netwerken zijn ze vaak trendsetters. Daarom heeft Cordaid in september 2011 gepleit voor het versterken van de strategische rol van maatschappelijke organisaties in het beleid. Strategisch investeren in de kwaliteit en de maatschappelijke organisaties is nodig:

-         in de kennis en onderzoekscapaciteit
-         in de netwerkontwikkeling met zuidelijke ngo’s en met nieuwe actoren.

Het huidige MFS met een totaalpakket van programma-uitvoering, overhead en kwaliteitsimpuls over een breed terrein van internationale samenwerking moet daarop worden aangepast. Het is nodig om voor elk van de drie domeinen (conflictgebieden en fragiele staten, midden-inkomenslanden en internationaal publieke goederen) een mechanisme te ontwikkelen dat maatschappelijke organisaties in staat stelt hun meerwaarde tot gelding te brengen. Het zal maatschappelijke organisaties uitdagen zich verder door te ontwikkelen en waar wenselijk zich te specialiseren om kwaliteit en impact te vergroten. Strategisch investeren in de sector zal ertoe leiden dat de positie van Nederlandse organisaties wordt versterkt in de toenemende competitie in de internationale markt voor financiering van internationale samenwerking.