2013 De dominee en de koopman

De dominee en de koopman

Decennialang heeft de discussie over opzet en inhoud van  ontwikkelingssamenwerking zich comfortabel genesteld in de archetypen van de dominee en de koopman. De dominee deed goed, de koopman deed zaken. Ontwikkelingsorganisaties werden vanzelfsprekend gesitueerd aan de kant van de dominee: het ging om goed doen, om het leed van medemensen om onrecht dat bestreden moest worden met de beste bedoelingen. het bedrijfsleven kon zich zonder al te veel scrupules identificeren met de koopman: zaken zijn nu eenmaal zaken en in de harde werkelijkheid van internationale concurrentie en globalisering is er geen plaats voor zachtheid en morele overwegingen. Zo was de op zichzelf altijd ingewikkelde wereld van internationale verhoudingen toch weer overzichtelijk geworden.

De combinatie van hulp en handel zoals in de volksmond het nieuwe ministerie van Buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking is gaan heten, is een ontregeling van die overzichtelijke tweedeling. En het is duidelijk dat beide partijen er moeite mee hebben: weg uit de comfortzone van de eigen gekoesterde positie. Toen die combinatie in de kabinetsformatie op tafel kwam, heb ik hem direct toegejuicht. Niet omdat hij gemakkelijk is, maar omdat hij nodig is in een veranderde wereld. De realiteit is dat de dominee niet meer zich kan beperken tot goed doen. Dambisa Moyo heeft met ‘Dead Aid’ (beperkte analyse, maar heldere boodschap) de perverse kant van goed doen op tafel gelegd: ontwikkelingsgeld is te gemakkelijk geld, zet de verkeerde prikkels bij ontvangend overheden, ondergraaft accountability en transparantie. Goed bedoeld geld versterkt regelmatig de positie van incompetente machthebbers. Dat geldt zowel voor nationale overheden als voor particuliere initiatieven op lokaal niveau. Wie goed wil doen, kan zijn ogen niet sluiten voor de verkeerde effecten van goede bedoelingen. Daarnaast is het onmiskenbaar dat met name in de midden inkomens landen (India, Indonesië) en voor de landen die daarheen op weg  zijn (Kenya, Ghana, Bangladesh) de private sector het stokje moet overnemen van de hulp. We zijn met hulp een enorm eind gekomen op het terrein van onderwijs, gezondheidszorg, HIV-Aids bestrijding, positie van vrouwen. Maar nu gaat het in die landen om werk en inkomen om het creëren van infrastructuur, om het vergroten van de basis voor belastingheffing. Daarbij is de rol van de private sector cruciaal. Maar ook de koopman kan zich niet meer beperken tot zaken doen. ‘Business is Business’ is niet meer voldoende om lastige vragen over sociale en ecologische gevolgen van koopmanschap uit de weg te gaan. De klimaat- en voedsel crisis en de noodzaak van maatschappelijk verantwoord ondernemen hebben het bedrijfsleven uit zijn comfortzone gehaald. Voorlopers als Unilever en Verkade snappen dat de rooftocht van natuurlijke hulpbronnen niet eindeloos is, dat ze niet kunnen wegkijken van kinderarbeid is of grootschalige bodemvervuiling. Ze hebben een niet te ontlopen verantwoordelijkheid, al is het maar uit lange termijn eigen belang. Natuurlijk zijn er nog veel te veel bedrijven die zich deze verantwoordelijkheid ontlopen, maar de beweging is wel degelijk ingezet.

De dominee en de koopman zijn in elkaars vaarwater terecht gekomen.  Beide komen niet verder met simpele en karikaturale oordelen over en weer (‘naïeve wereldverbeteraars’ – ‘ nietsontziende geldwolven’). Het is tijd om zich intensief in elkaars denken te verdiepen, om de eigen logica van Hulp en handel te zien en vervolgens te kijken waar ze elkaar echt nodig hebben en kunnen beïnvloeden. Dat is een lastig proces na dertig jaar beleefde afstand en soms wat schimpscheuten over en weer.

Minister Ploumen moet dat proces in goede banen leiden.  Als de minister haar rol goed invult, moet ze beide kanten op werken. Bedrijven moeten meer oog krijgen voor waarden en normen in hun zaken doen, ontwikkelingsorganisaties moeten meer oog krijgen voor het belang van de private sector voor ontwikkeling. Dat gaat niet met een benadering uit de losse pols en een beroep doen op de goede intenties van alle partijen.  Het moet ook niet met dichtgeregelde verordeningen en subsidiesystemen. We weten als ontwikkelingsorganisaties hoezeer dat de creativiteit en innovatie indamt. De minister moet, zeker als het gaat om inzet van haar eigen begroting, een paar heldere kaders formuleren die duidelijk maken dat steun aan het bedrijfsleven in OS moet leiden tot ontwikkelingsrelevante investeringen waar de dominee en de koopman elkaar vinden:

-        Zorg voor werkgelegenheid: alleen op die manier komt er perspectief voor honderden miljoenen jonge mensen

-        Zorg voor kennisoverdracht en stimuleer innovatie van bedrijven zodat ontwikkelingslanden koplopers worden in nieuwe, schone technologie

-        Biedt ondernemers kennis over nieuwe markten en partners

-        Zorg voor duurzaamheid (MVO) als noodzakelijke randvoorwaarde voor internationaal ondernemen

-        Zorg voor accountability en transparantie in resultaten, investeringen en belastingafdrachten.

Deze kaders zijn nodig om de verbinding van de dominee en de koopman tot stand te brengen en te zorgen dat structurele vernieuwing in internationale samenwerking op gang komt. Dat is de dure plicht die ze als minister op zich heeft genomen bij het aanvaarden van de bezuinigingsopdracht van 750 miljoen euro. Die was en is alleen te rechtvaardigen met innovatie die niet alleen ontwikkelingssamenwerking vernieuwt, maar ook internationaal zakendoen op een nieuw spoor zet.  Zonder die nieuwe kaders zal steun aan het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden uiteindelijk toch een vorm van ‘resource extraction’ en dus van klein eigen belang blijven.