2004 OS; de sleutel ligt in het Zuiden

Ontwikkelingssamenwerking: de sleutel ligt in het Zuiden.

Zijn gehandicapten arm en zielig en afhankelijk? Zijn asielzoekers alleen maar getraumatiseerde slachtoffers, aangewezen op onze hulp? Zijn WAO-ers de kneusjes van de wegwerpsamenleving die je maar beter niet meer in je bedrijf of organisatie een plaats kunt geven? Vaak lijkt het daar wel op. Onze samenleving  kent zo zijn uitsluitingsmechanismen van wat niet topfit, topaangepast en topproductief is. En om ons sociale gezicht te redden hebben we de nodige vangnetten gecreëerd voor wie niet meekan.

Op wereldschaal doet zich hetzelfde proces voor. Ontwikkelingslanden zitten vaak gevangen in een soms moedeloos makende context van armoede, van burgeroorlogen en etnische conflicten. Ze worden door globalisering en neo-liberaal marktdenken op achterstand gezet. Ze zijn de kneusjes van de wereldsamenleving, niet topfit, topaangepast en topproductief. Ze worden vakkundig uitgesloten maar we hebben met ontwikkelingssamenwerking ons vangnet klaar.

Voor gehandicapten, asielzoekers en WAO-ers geldt dat er pas perspectief ontstaat als we hen aanspreken op dat wat ze wel kunnen, op kracht en vitaliteit, op vaak verborgen talenten. En wat voor individuen geldt, geldt ook voor nationale staten: er ontstaat pas perspectief als we uitgaan van hun eigen kracht om ontwikkeling in eigen hand te nemen. Wie ontwikkelingslanden blijft benaderen als het ‘probleem’ zal nooit verder komen. Pas als we hen zien als de sleutel voor de ‘oplossing’ ontstaat er een nieuw perspectief. Dat lijkt tegenstrijdig aan de beelden die ons regelmatig bereiken over Sudan, Congo, Haiti, en daarmee meer een (geloofs)overtuiging dan een realistisch uitgangspunt voor ontwikkelingssamenwerking. Maar dan wel een geloof dat bergen kan verzetten.  Er is er immers geen andere basis voor een uitweg uit de huidige malaise waarin we denken dat wij het moeten oplossen en waarbij het rendement op onze investeringen de cruciale factor is waarmee we naar de sector kijken.

Ontwikkelingsorganisaties als Cordaid doen al jaren niet anders dan voortbouwen op de kracht en de eigen mogelijkheden van onze partners in het Zuiden. Geheel ten onrechte wordt OS nogal eens op één hoop geveegd met de ‘pamper’-cultuur van de jaren zeventig en tachtig: met halfzachte instrumenten en nutteloze –want onproductieve- ‘uitkeringen’  houden we ze op de been zonder ze aan te spreken op eigen inzet. De werkelijkheid is anders: het benutten van de potenties van maatschappelijke organisaties heeft op essentiële punten bijgedragen aan ontwikkeling. Een aantal voorbeelden die dat staven:. De vrouwenemancipatie heeft een grote impuls gekregen door de gezamenlijke inzet van maatschappelijke organisaties in noord en zuid. De ontwikkeling van micro-kredieten voor armen, waar gevestigde banken hun neus voor ophaalden, is tot stand gekomen door innovatief denken en handelen van zuidelijke en noordelijke maatschappelijke organisaties. Als het alleen aan regeringen en bedrijven had gelegen was dat niet tot stand gekomen. De eerlijke prijs voor koffieboeren was niet tot stand gekomen zonder de steun van noordelijke hulporganisaties en de eigen inzet van boerencoöperaties. En de aankondiging van Douwe Egberts dat zij ook de weg van de duurzaamheid opgaan, laat zien dat maatschappelijke druk zelfs de meest hardnekkige tegenstander in beweging kan krijgen.

De sleutel voor die veranderingen en voor het succes ligt in het Zuiden. De bijdrage van noordelijke organisaties is bescheiden en is nooit de beslissende factor. De benadering waarbij de sleutel voor de oplossing in de ontwikkelingslanden zelf ligt, betekent dat de kwaliteit van de samenleving van beslissende betekenis van voor de toekomst van ontwikkelingslanden.. Die benadering sluit aan bij de ontwikkeling die Cordaid als grootste particuliere organisatie in Nederland zelf heeft doorgemaakt en waar de organisatiebenadering het hart is geworden van ons werk: we kijken primair naar de kwaliteit van organisaties, naar hun maatschappelijke legitimatie, naar hun maatschappelijke positie en de verantwoording die ze afleggen, de kwaliteit van hun analyse en van hun visie op het ontwikkelingsproces in hun land. De kwaliteit van organisaties is van veel meer belang dan de details van hun uitvoerende werk en blijkt van beslissende betekenis te zijn voor de effectiviteit van hun werk.

E kwaliteit van de samenleving in ontwikkelingslanden is afhankelijk van drie factoren: een goed functionerende overheid in een goed functionerende rechtsstaat, een sterk maatschappelijk middenveld en goed bestuur op internationaal niveau. Ten aanzien van de rol van de overheid in ontwikkelingslanden zien we in de laatste twintig jaar twee bewegingen, die op het eerste gezicht tegenstrijdig zijn, maar gaandeweg een balans lijken te vinden. In de jaren tachtig en negentig was het adagium van de terugtredende overheid de basis van veel structurele aanpassingsprogramma’s van de Wereldbank en het IMF. Inmiddels realiseren we ons steeds scherper dat alleen een sterke overheid in staat is de condities te scheppen voor ontwikkeling. Economische ontwikkeling, vrede en veiligheid, het overwinnen van etnische tegenstellingen kunnen alleen plaatsvinden als maatschappelijke actoren, bedrijfsleven vertrouwen hebben in de overheid en zich gehoord en erkend weten in hun rol en positie in de samenleving. Overheden die gebaseerd zijn op cliëntelisme en groepsbelang zullen niet in staat zijn condities voor ontwikkeling te scheppen. Een goed functionerende overheid betekent ook een goed functionerende rechtstaat die individuen en organisaties duidelijkkheid en zekerheid verschaft over rechtren en plichten en die mensen waar nodig beschermt tegen de eigen overheid.  Een sterke overheid is iets anders dan een grote overheid. Het gaat niet om grote uitvoerende overheidsorganisaties op het terrein van onderwijs, gezondheidszorg en publieke dienstverlening. Het gaat wel om een overheid die brede en gelijke toegang tot deze diensten garandeert, die kwaliteit bewaakt en die in staat is het verdelingsvraagstuk effectief aan te pakken. Dat laatste zal de komende jaren een steeds belangrijkere vraag worden. De verkiezingen in India hebben op dat punt laten zien wat zich aandient: een groeiende kloof tussen een rijke bovenlaag en een groeiende hogere middenklase enerzijds en  de lagere middenklasse en een merderheid van armen aan  de onderkant van de samenleving. En overheid die het interne verdelingsvraagstuk van rijk en arm niet weet te adresseren, enerzijds door rechtvaaridige belastingheffing en anderzijds door ontwikkeling van de armste groepen, blijft in gebreke en zal op den duur zijn legitimiteit verkiezen.

Een kwalitatief sterke samenleving is ook niet denkbaar zonder een sterk maatschappelijk middenveld: kerken, vakbonden, vrouwenorganisaties, koepels van midden en kleinbedrijf, wijkorganisaties, welzijnsorganisaties, lokale ontwikkelingsorganisaties e.a. Zij blijken telkens weer onmisbaar als tegenkracht tegen een centralistische overheid die macht accumuleert en geen rekenschap hoeft af te leggen.  Daarbij past ook een duidelijke controlerende of uitvoerende rol voor maatschappelijke organisaties in het leveren van publieke en semi-publieke diensten als watervoorziening, energie, onderwijs en gezondheidszorg, Een studie van de Wereldbank naar de deze (semi)publieke dienstverlening aan armen laat zien dat de kwaliteit van de dienstverlening en de effectiviteit voor de armen toeneemt als zijzelf controle en invloed uitoefenen. Daarvoor is geen eenheidsrecept, maar zonder die directe betrokkenheid van individuen en hun organisaties komen resultaten niet op het gewenste niveau.

Ontwikkelingslanden zullen niet toekomen aan een betere samenleving zonder goed internationaal bestuur. Ontwikkelingslanden zijn nog steeds de wingewesten van het rijke Noorden, de leveranciers van goedkope grondstoffen en van goedkope arbeidskrachten die geen volwaardige plaats krijgen aan de internationale verdelingstafel. Als ontwikkelingslanden niet in staat worden gesteld om zelf verwerkende industrieën op te bouwen en zo een eigen economisch potentieel op te bouwen, blijven stabiliteit en duurzame ontwikkeling achter de horizon. Een overheid die geen ontwikkelingsperspectief kan scheppen voor zijn burgers zal geen legitimiteit kunnen vestigen.

Wie meent dat de sleutel voor ontwikkeling bij landen zelf ligt, legt daarmee ook de verantwoordelijkheid voor de toekomst in hun handen. Dat is geen ‘blaming the victim’: het gaat niet om de schuldvraag met betrekking tot het verleden, het gaat om zeggenschap over de toekomst. Die ligt ten principale bij ontwikkelingslanden zelf. Er ligt een duidelijke parallel met onze binnenlandse discussie over de sociale zekerheid. Daarbij gaat het in essentie om de balans tussen eigen verantwoordelijkheid en solidariteit. Om het scheppen van condities dat eigen verantwoordelijkheid kan worden waargemaakt door faciliteiten voor scholing, integratie in arbeidsmarkt, de-stigmatisering van gehandicapten en WAO-ers. En vervolgens om solidariteit voor diegenen die niet kunnen aanhaken en desondanks recht hebben op participatie in de samenleving.

In ontwikkelingssamenwerking gaat het om hetzelfde vraagstuk van verantwoordelijkheid en solidariteit. De rol van ontwikkelingssamenwerking is om die eigen verantwoordelijkheid waar te maken en invulling te geven. Het vestigen van een sterke samenleving die berust op een rechtvaadige en sterke overheid, een stevig maatschappelijk middenveld en een internationale gemeenschap die condities schept voor ontwikkeling is daarbij een essentiële voorwaarde. Daarbij hebben ontwikkelingslanden zelf het voortouw in de inrichting van de eigen samenleving, in de opbouw van de rechtstaat, in het uitbannen van corruptie. Daarbij hebben particuliere ontwikkelingsorganisaties als Cordaid een rol in het versterken van maatschappelijke organisaties om hun rol in dat goed bestuur te spelen, soms als waakhond en luis in de pels van de overheid, soms als partner, soms als uitvoerende organisatie in (semi)publieke dienstverlening. De landen van het Noorden hebben een niet te onderschatten verantwoordelijkheid om in de globaliseringsdiscussie te zorgen voor eerlijke condities en voor een benadering waarin zich ontwikkelende economieën de kans krijgen. Dat kan ook betekenen dat er tijdelijke bescherming kan komen voor landen die meer willen zijn dan grondstoffen leverancier en eigen eindproducten willen fabriceren. Alleen dan ontstaat eern context waarin de eigen verantwoordelijkheid kan worden waargemaakt en de eigen mogelijkheden tot ontplooiing kunnen komen. Nog teveel zijn ontwikkelingslanden veroordeeld tot Sysyphus-arbeid. Elke keer doen ze pogingen de steen de berg op te duwen, om telkens opnieuw te ontdekken dat belangen van de rijke landen ertoe leiden dat ze weer van voren af aan kunnen beginnen

In de vijf jaar dat ik als directeur van het kenniscentrum vluchtelingen en gezondheidszorg Pharos intensief betrokken was bij de zorg voor vluchtelingen en asielzoekers is mij één ding duidelijk geworden: zolang we naar hen blijven kijken als afhankelijke slachtoffers, die aangewezen zijn op onze goedwillendheid en zorg, wordt het niets met hun  toekomst en hun plaats in onze samenleving. Pas als zijzelf hun lot in handen nemen, is er perspectief: bij onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijke participatie is het aanboren van hun eigen kracht beslissend.

Op het niveau van staten is het in essentie niet anders. Geloven in de eigen kracht van ontwikkelingslanden en –organisaties en  daarop inzetten – ook als dat tegen de heersende werkelijkheid en beeldvorming ingaat – is de basis. Daarom zal de kwaliteit van de samenleving (kwalitatief sterke overheid, krachtig maatschappelijk middenveld, geloofwaardige internationale verhoudingen) het hart zijn van ontwikkelingssamenwerking in de komende jaren.