2005 Na de Tsunami

Na de Tsunami

In samenwerking met Lilianne Ploumen 

Twee maanden na de overweldigende vloedgolf in Azië en de overweldigende respons in Nederland en Europa wordt daar en hier de eerste, voorlopige balans opgemaakt. Langzamerhand verdwijnen de puinhopen stap voor stap, draaien scholen weer in geïmproviseerde onderkomens en is de voedselvoorziening gestabiliseerd. In ons land is de actie van de samenwerkende hulporganisaties afgesloten en wordt op 2 maart de eerste verantwoording gegeven over de besteding van het geld. Voor hulporganisaties als Cordaid/Mensen in Nood (grootste ontvanger van 555-geld) is het tijd om ons af te vragen wat deze actie voor ons heeft opgeleverd. Ik zie vier belangrijke lessen – niet allemaal nieuw, wel scherper in beeld en medebepalend voor de toekomst van ons werk.

De eerste is dat ontwikkelingshulp en noodhulp, ook in deze enorme catastrofe, in eerste instantie ter plaatse wordt beantwoord. Voor er hulp van multilaterale en particuliere organisaties ter plaatse was, was er een overweldigende lokale respons. De inzameling van geld en goederen in de getroffen landen en de inzet van hulpdiensten (incl. leger) heeft in de eerste twee weken slachtoffers erdoor heen geholpen. Lokale partnerorganisaties van Cordaid/Mensen in Nood waren vanaf de eerste dag in de weer. Dank zij hen hebben wij effectief en direct kunnen reageren. Dankzij hen kunnen we ook de wederopbouw voor de langere termijn ter hand nemen. Er past ons, westerse donoren, in dat licht enige bescheidenheid. Die was er ook in de Nederlandse reactie niet altijd. Met een soms tenenkrommende behoefte om goed te doen gingen velen in Nederland ervan uit dat wij de grote redders zouden zijn. De gedachte dat de inzet van Nederlandse werklozen zinvol zou kunnen zijn gaat voorbij aan het besef dat lokale bevolking heel goed weet wat er moet gebeuren en er meer dan genoeg werkende en werkloze Sri-Lankanen en Indiërs zijn die met meer effect daar aan het werk kunnen.

De tweede les betreft de rol van particuliere initiatieven. Voor het eerst hebben zich in een grote ramp zoveel particulieren gemeld met eigen projecten. Wat bij structurele hulp al langer zichtbaar was, openbaarde zich nu ook bij noodhulp. Cordaid/Mensen in Nood heeft daarbij steeds als uitgangspunt gehanteerd dat die initiatieven een zinvolle aanvulling zijn op grootschalige overheids en multilaterale hulp en de middelgrote hulp van particuliere organisaties. Echter met een grote mits: het is alleen zinvol als er bestaande contacten zijn, als er zicht is op de lokale situatie, als er een inschatting gemaakt kan worden van behoeften. Wie bedacht had op de bonnefooi iets goed te kunnen gaan doen, kon beter thuis blijven. De groeiende groep mensen die regelmatig over de wereld reist, contacten opbouwt en zicht heeft op de lokale situatie, heeft iets toe te voegen aan OS. Voor de lange termijn zal die trend zich voortzetten: kleinschalige particuliere initiatieven hebben een volwaardige plaats in het spectrum van OS, ook als het gaat om noodhulp.

Een derde les, die nauw verbonden is met de particuliere initiatieven, betreft de emotiekant van OS. Er is van verschillende kanten kritisch gereageerd op de hype en het hoge emotiegehalte van de respons in Nederland omdat het ten koste zou gaan van aandacht voor Darfur, Congo en andere landen. Ik deel die reactie niet en zeker niet de soms wat zure ondertoon. Ontwikkelingssamenwerking is niet alleen een kwestie van professionaliteit, van gedegen analyses, van rapportage en verantwoordingssystemen. De emotie van de betrokkenheid, van geraakt zijn door het leed van anderen is de basis en de bron van elke reële solidariteit. Wie denkt dat solidariteit een vrucht is van macro-economische analyses heeft weinig begrepen van de menselijke ziel. De vraag of al die aandacht voor Azië niet ten koste gaat van Darfur is eerst en vooral een uitdaging voor organisaties zoals Cordaid/Mensen in Nood. Het is aan ons om de betrokkenheid en solidariteit door te trekken naar andere delen van de wereld. De respons die Cordaid/Mensen in Nood begin januari kreeg op een uitzending over oorlogsmisdaden tegen vrouwen in Congo liet ons zien hoe mensen direct de relatie legden tussen Azië en Congo.

Een laatste les is dat ontwikkelingssamenwerking in alles wat ze is en doet, gaat over machtsverhoudingen tussen mensen en groepen. Een deel van de verklaring van het succes van de Tsunami-actie ligt in het a-politieke karakter van de ramp. Anders dan in Darfur gaat het niet om rebellen en oorlog. Een vloedgolf heeft geen politieke oorzaken. Wie nu echter, twee maanden na dato, kijkt naar de hulpverlening, moet vaststellen dat ook de hulpverlening aan de slachtoffers alles met politiek te maken heeft. De hulpverlening in Sri Lanka begeeft zich in een gevoelige context van etnische spanningen tussen Singalezen en Tamils. Wie help je, hoe houd je een balans tussen beide groepen. Of nog scherper: hoe kun je noodhulp en wederopbouwhulp gebruiken als versterking van processen van vrede en verzoening door gezamenlijke plannen te maken, verantwoordelijkheid voor de organisatie van hulpverlening bij beide partijen te leggen. In India kan de hulpverlening niet om de positie van de kastelozen (Dalits) en andere mensen in de marge van de samenleving heen. We zorgen ervoor dat ook zij hun deel krijgen van de hulpverlening. En de vissers die al jaren illegaal op het strand woonden hebben niet alleen boten en netten nodig. Zonder juridische steun om het gevecht met de autoriteiten aan te gaan, is er een grote kans dat ze niet terug kunnen naar hun oude woonstek, maar dat projectontwikkelaars hun kans grijpen om de kuststrook ‘te ontwikkelen’.

De Tsunami laat diepe sporen na in de landen van Azië en bij de getroffen bevolking. Ze scherpt tegelijkertijd ons toekomstige denken over ontwikkelingssamenwerking in het algemeen en noodhulp in het bijzonder.