2009 Het MDG-paradigma voorbij

Het MDG-paradigma voorbij

Ontwikkelingssamenwerking en de financiële en ecologische crisis
De nog steeds voortdurende financiële en economische crisis en de zich steeds nadrukkelijker aandienende ecologische crisis (klimaat, energie, grondstoffen, water) dwingen ontwikkelingssamenwerking tot een fundamentele herziening van haar paradigma. Beide zullen de komende jaren de belangrijkste onderwerpen zijn op de internationale agenda en een nieuw bouwwerk van internationaal beleid en internationaal toezicht vragen. Beide beleidsterreinen hebben ook grote invloed op ontwikkelingslanden en vragen om een nieuwe positiebepaling voor OS. Duurzame ontwikkelingssamenwerking moet meer dan ooit gebouwd zijn op de doelstelling de binnenlandse financieringscapaciteit van ontwikkelingslanden te versterken. Dat is geen hersenschim Het zou nu al kunnen. Een strategie die daarop gericht is heeft een groot aantal voordelen: het zal de afhankelijkheid verminderen, het ownership vergroten, de politieke stabiliteit ten goede komen en de transactiekosten in OS aanzienlijk terugdringen. Bovendien zal zo’n strategie bijdragen aan de oplossing van de grote ecologische uitdagingen waarvoor de wereld staat.

Zo’n benadering van ontwikkelingssamenwerking voert ons voorbij het huidige MDG-paradigma, dat gebaseerd is op externe financiering via ontwikkelingssamenwerking en de strategische positie van ontwikkelingslanden in de komende discussie over natuurlijke hulpbronnen over het hoofd ziet.

Financiële crisis bevestigt afhankelijkheid ontwikkelingslanden
De huidige financiële crisis heeft verstrekkende gevolgen voor ontwikkelingslanden. In de eerste fase van de financiële crisis leken de gevolgen voor deze landen beperkt. De meeste banken in ontwikkelingslanden hebben niet belegd in subprime-hypotheken in de VS en hun betrokkenheid  bij de derivatenhandel is beperkt. In de periode dat de meeste Amerikaanse en West-Europese banken bezig waren hun balans op orde te brengen, konden de meeste bankiers in Latijns-Amerika en Afrika en Azië zich redelijk veilig wanen. Nu de financiële crisis ook de reële economie raakt, beginnen de consequenties voor ontwikkelingslanden duidelijker te worden:

De verminderde beschikbaarheid van kapitaal vermindert de ruimte voor directe investeringen in ontwikkelingslanden. Bedrijven kunnen minder gemakkelijk kapitaal lenen voor uitbreiding van investeringen of voor het ontwikkelen van nieuwe markten. Te verwachten valt dat de omvang van de FDI de komende periode zal afnemen en zoals steeds zullen de armste ontwikkelingslanden daarvan het eerste slachtoffer zijn omdat daar de investeringscondities en het perspectief op rendement slechter is dan in midden-inkomens landen.

De bijdrage van de OESO-landen aan ontwikkelingssamenwerking zal afnemen. De franse minister van OS heeft al laten weten een aantal voor 2009 geplande grote programma’s programma’s in West-Afruika voorlopig te schrappen. Hoewel 92% van de Fransen tegen verlaging van OS is (wat draagvlak voor OS betreft lijkt Nederland al lang niet meer koploper) zullen die beslissingen met een beroep op de financiële crisis wel doorgang vinden. In Brussel hebben nieuwe lidstaten al laten weten dat ze hun ambities voor verhogen van hun OS-budget voorlopig even in de ijskast zetten in afwachting van betere tijden.

De economische crisis in de industrielanden zal als eerste de migrantenwerkers treffen in tijdelijke en illegale banen. Als gevolg daarvan zullen de remittances van migranten uit de westerse wereld afnemen. In sommige landen vormen deze inkomsten tien procent of meer van het BNP en in landen als Filippijnen, El Salvador en Lesotho zijn miljoenen families afhankelijk van de overmakingen van hun familieleden.

Niemand weet hoe lang de crisis zal duren, maar wie kijkt naar de onderliggende problemen van de kredietcrisis kan wel constateren dat een van de fundamentele oorzaken gelegen is in het feit dat een flink deel van de welvaartsgroei in de afgelopen jaren gebaseerd niet gebaseerd is geweest op datgene wat mensen verdienen maar op datgene wat is geleend. Dat geldt niet allen voor de VS met zijn creditcard-cultuur en een overheid die zich heel diep in de schulden heeft gestoken. In Engeland en Spanje is de florerende huizenmarkt een belangrijke basis geweest voor het aangaan van leningen, die omgezet zijn in consumptieve en productieve bestedingen. Maar ook in Nederland is een flink deel van de welvaartsgroei gebaseerd op de waardevermeerdering van huizen en de groei van beleggingen die als onderpand voor leningen fungeerden. Als wereldwijde cultuur van lenen op de helling moet en gaat, en als een deel van de economische groei van de afgelopen jaren gebaseerd is op het niet duurzaam aangaan van schulden, kan de recessie meer dan kortstondig zijn en zal het duurzame niveau van economische groei daarna bescheidener zijn dan de afgelopen jaren.

Tegen die achtergrond verschijnt een somber perspectief voor ontwikkelingslanden die afhankelijk zijn van de financiering door OESO-landen. Het behalen van de afgesproken percentages voor ODA wordt onzeker. De Europese belofte om in 2012 0,56% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking te geven en in 2015 de ooit beloofde 0,7% zal als gevolg van de financiële crisis onder druk komen te staan. Maar zelfs als die belofte wel gehaald wordt zal de vervulling daarvan, bij daling van het BNP en daarna  bij bescheiden groei, in absolute zin weinig groei te zien geven. De Britse centrale bank verwacht voor 2009 een krimp van 1,3% (Financial times 13 nov 2008) en ook minister Bos begint te erkennen dat we volgend jaar wel eens een jaar van krimp zullen krijgen. Hetgeen betekent dat de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in 2009 in absolute bedragen mee zal krimpen. Daarmee komt de realisering van de MDG’s, die voor een belangrijk deel gebaseerd is op de ODA-middelen, wel erg ver uit beeld. Maar meer nog bevestigt dat het beeld van de afhankelijkheid van ontwikkelingslanden. We staan daarmee voor de noodzaak ons adagium van OS bij te stellen. Het adagium geef ze geen vis maar een hengel om te vissen gaat nog steeds ervan uit dat wij ze een hengel zouden moeten geven. Het moet erom gaan dat ze hun eigen hengel verdienen. Dat is geen hersenschim voor de verre toekomst. De verdiencapaciteit van ontwikkelingslanden is groot, maar komt niet tot ontplooiing door de bestaande internationale economische verhoudingen.

Eigen financieringscapaciteit versterken
De conferentie over de financiering van ontwikkelingssamenwerking van Monterrey in 2002 gaf als eerste opdracht mee de financieringscapaciteit van ontwikkelingslanden zelf te vergroten. (citaat). In de jaren na Monterrey is de aandacht echter steeds sterker verschoven naar de financiering van ontwikkelingssamenwerking via externe bronnen zoals ODA en directe investeringen. Economen (Geoffrey Sachs voorop) hebben in de afgelopen jaren berekend hoeveel er nodig is, c.q. dat 0,7% voldoende is om de MDG’s te financieren. Daarmee is het beeld geschapen dat de realisatie van deze doelstellingen afhankelijk is van externe financiering en is de eerste opdracht van Monterrey buiten beeld gebleven.

In de afgelopen jaren is er steeds meer onderzoek gedaan naar de mate waarin ontwikkelingslanden hun eigen inkomsten genereren en naar de daarbij ontbrekende schakels en gemiste kansen. Ook voor ontwikkelingslanden geldt dat belastingen de belangrijkste bron van inkomsten zijn. De haperende belastinginning betekent dat belangrijke bronnen van eigen inkomsten onbenut blijven. Daardoor is de staat niet bij machte haar herverdelende rol te spelen en de groeiende economische activiteiten om te zetten in zichtbare verbeteringen van levensomstandigheden voor de armsten. Ten aanzien van die belastingproblematiek een aantal observaties:

  • In de afgelopen jaren is het aantal free trades zones dramatisch gestegen. In 1975 waren er 79 vrijhandelszones in 25 landen. Inmiddels zijn het er meer dan 2700 in meer dan 100 landen. Free trade zones bieden bedrijven speciale belastingvrijstelling of andere gunstige belastingregels waardoor landen belastinginkomsten mislopen, terwijl ze wel investeren in infrastructuur (energie, communicatie). Doordat ook de regels met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in die vrijhandelszones flexibel worden gehanteerd lopen ook arbeiders inkomen mis. Op dit terrein is sprake van een ‘race to the bottom’ die uiteindelijk voor ontwikkelingslanden individueel en collectief slecht uitpakt.
  • In ontwikkelingslanden is sprake van een verschuiving van de inkomsten van de staat van directe belastingen naar indirecte belastingen. De invoering van BTW is in veel landen gaande of staat op de agenda. De verschuiving van directe naar indirecte belasting heeft over het algemeen een denivellerend effect omdat de BTW op voedsel en brandstof en diensten beide groepen treft.
  • Jaarlijks wordt er volgens schattingen tussen de 1100 en 1600 miljard dollar via niet toegestane (‘illicite’) transacties gesluisd naar brievenbusfirma’s in belastingparadijzen zoals de Kaayman-eilanden, Guernsey, de Bermuda’s, de Nederlandse Antillen, Liechtenstein e.a. Daarvan is ongeveer de helft (550-800 miljard) afkomstig van ontwikkelingslanden of transitielanden. Van dat bedrag is naar schatting 3% afkomstig van corruptie, ruim 30% komt van criminele activiteiten en 65% komt van het reguliere bedrijfsleven. De conclusie is dat tussen de 330 en 520 miljard dollar zich onttrekt aan belastingheffing.
  • De voorstellen voor het afschaffen van handelsbelemmeringen tussen landen zal leiden tot een vermindering van inkomsten uit invoerrechten, die zeer nadelig kan uitwerken voor ontwikkelingslanden als er geen compenserende inkomsten uit andere belastingen tegenover staat. Voor zover die compensatie in de indirecte belastingen wordt gezocht, leidt ze tot de eerder genoemde denivellerende effecten.
  • De grote verspreiding van multinationale ondernemingen leidt ertoe dat er een levendige handel tussen bedrijfsonderdelen is ontstaan. Bij de onderlinge verrekening van kosten tussen die bedrijfsonderdelen zijn bedrijven op zoek naar de meest gunstige verdeling: zo min mogelijk opbrengsten en zoveel mogelijk kosten in landen met veel belastingen en omgekeerd. Het ontbreken van transparantie en het ontbreken van voldoende controle in ontwikkelingslanden leidt ertoe dat via dit systeem van zgn ‘mispricing’ grote bedragen buiten beeld blijven bij belastingheffing.

De conclusie van deze constateringen is dat ontwikkelingslanden veel mogelijkheden missen om hun eigen financiering te organiseren en als gevolg daarvan afhankelijk zijn van externe financiering van hun ontwikkeling. En de constateringen leiden ertoe dat de verschillen tussen arm en rijk binnen ontwikkelingslanden alleen maar groter wordt. De impact van een betere belastingheffing is groot. Een betere belastingheffing in ontwikkelingslanden zou met gemak in staat zijn de huidige omvang van de ontwikkelingshulp (ongeveer 100 miljard dollar) te evenaren. Het zou daarnaast ook leiden tot een versterking van de staat en de staatsinstituties.

Ontwikkeling van de in potentie aanwezige zelffinancieringscapaciteit van ontwikkelingslanden, en zich dus niet langer focust op de ODA-middelen, zou wat mij betreft de eerste pijler moeten zijn onder een nieuw paradigma dat voorbij de MDG’s denkt.

Institutionele capaciteitsversterking
Vergroten van het zelf financierend vermogen leidt niet alleen tot versterking van de instituties, maar veronderstelt die ook. Daarmee is het vraagstuk van de institutionele ontwikkeling van ontwikkelingslanden een centraal probleem. Het is een onderwerp dat de afgelopen tien jaar steeds verder is gedaald op de ontwikkelingsagenda. De nadruk op de MDG’s met zijn hele concrete op sociale onderwerpen gerichte doelstellingen (onderwijs, moeder en kind zorg, hiv-aids, schoon drinkwater) heeft ontwikkelingssamenwerking steeds meer gestuurd in de richting van een proces van distributie van producten en diensten. De formulering van de MDG’s in outputtermen (producten en diensten) heeft dat nog eens versterkt. De MDG’s zijn daarmee voor OS in hun formulering een dilemma of misschien wel een Trojaans paard geworden. Ze waren zinvol voor de publieke steun voor ontwikkelingssamenwerking en ze

richtten de aandacht op de mensen om wie het gaat. Ze hebben echter de aandacht afgeleid van institutionele ontwikkeling door hun sterke nadruk op concrete mensen en ze hebben de aandacht afgeleid van vraagstukken van economische en politieke macht door de aandacht op de sociale dienstverlening.

Voor Nederlanders en West-Europeanen in het algemeen is het bestaan van de instituties zo vanzelfsprekend dat het belang daarvan soms niet meer gezien wordt. We vinden instituties soms lastig en zijn  vaak van mening dat ze onvoldoende of niet goed functioneren. Het vitale belang voor het functioneren van de samenleving en het feit dat we er eeuwen over hebben gedaan om ze tot stand te brengen en adequaat te laten functioneren, verdwijnt dan uit het zicht. Voor het functioneren van de politiek, de economie, veiligheid en rechtspraak en de sociale verhoudingen zijn de instituties van onmisbaar belang. Aan het functioneren van de instituties ontlenen alle leden van de samenleving het vertrouwen dat er ruimte en oog is voor hun individuele en collectieve belangen. Het tot stand brengen van de instituties is een proces van eeuwen geweest en is begonnen met de vorming van de Italiaanse stadsstaten (Florence, Sienna, Lucca) in de twaalfde en dertiende eeuw. Ontwikkelingslanden hebben die tijd niet. Met grote snelheid zijn samenlevingen de afgelopen vijftig jaar ingrijpend veranderd. Traditionele instituties van stammen en clans zijn opengebroken door o.a. de vorming van natiestaten, globalisering, migratie. Ontwikkelingslanden hebben, anders dan West-Europa, geen eeuwen  om de noodzakelijke instituties op te bouwen. Tegelijk zijn die instituties broodnodig voor het intern functioneren en voor de positie van ontwikkelingslanden in de internationale relaties.

Met institutionele ontwikkeling doel ik op het geheel van overheidsinstituties (rijk, provincie, gemeenten, belastingdienst, kadaster, rechtspraak), bedrijfsleven (banken, industrie, dienstverleners, media) en maatschappelijke instituties (scholen, ziekenhuizen, werkgeversorganisaties, vakbonden, vrouwenorganisaties). Het onderkennen van het centrale belang van  institutionele ontwikkeling betekent in de eerste plaats een veel grotere investering in kennis en onderzoek van institutionele ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Institutionele ontwikkeling is geen simpel copy-paste proces. Het zal een zorgvuldig zoekproces zijn waarin enerzijds de nog steeds bestaande en functionerende instituties hun rol spelen en anderzijds nieuwe antwoorden worden gezocht met behulp van internationale kennis en ervaring. Wat het eerste betreft leert het proces van democratisering van Afghanistan ons veel: terwijl na de val van de Taliban het westen (de VS voorop) aandrongen op snelle verkiezingen naar het model van de representatieve democratie, hebben de laatste twee jaar de traditionele sjura’s en jirga’s weer aan belang gewonnen om conflicten op te lossen en draagvlak in gemeenschappen te organiseren. Wat het tweede betreft: ook in ontwikkelingslanden zijn debet en credit net zulke harde werkelijkheden als bij ons en ook mensen in ontwikkelingslanden houden van goed management en begrijpen dat accountancy daarvoor een onmisbaar instrument is.

Investeren in institutionele ontwikkeling is een tweede noodzakelijk onderdeel van een nieuw OS-paradigma dat voorbijgaat aan de MDG-benadering met zijn sterk distributieve logica.

De ecologische crisis
Bij de recente financiële crisis en de al veel langer bestaande institutionele crisis voegt zich de ecologische crisis die de positie van ontwikkelingslanden in  de komende jaren zal veranderen. In Europa en Noord-Amerika is de klimaatcrisis nog vooral voorwerp van toekomstige projecties zoals de stijgende zeespiegel. In een groeiend aantal ontwikkelingslanden is de ecologische crisis nu al manifest en bovendien is ze breder dan de klimaat / CO2 crisis.

  • De in gang gezette klimaatsverandering leidt in delen van Afrika tot veranderende patronen van regenval. In deze kwetsbare savanne-gebieden van Noord-Kenia en Ethiopië leidt een onzeker patroon van regenval tot grote problemen, zowel voor de sedentaire landbouwers als de trekkende veehoeders. In Midden-Amerika en de Cariben betekent de toename van het aantal wervenstormen en orkanen een constante aanslag op bestaanszekerheid van de meest kwetsbare groepen.
  • De groeiende zoektocht naar mineralen en fossiele brandstoffen leidt in de meeste ontwikkelingen tot forse ecologische schade. De olievervuiling in het Amazone-gebied van Ecuador is zeer ernstig en in vrijwel alle ontwikkelingslanden is een ware mijnbouwkoorts aan de gang In Honduras steeg het aantal verleende mijnbouwconcessies in een paar jaar tijd van 25 naar 150 (checken). En overal gaat mijnbouw gepaard met forse ecologische schade (‘open pit-mining, watervervuiling).
  • De ontbossing van het tropisch regenwoud heeft grote consequenties voor het wereldwijde ecologisch evenwicht en het vermogen om CO2 te absorberen. Die kap is bovendien een grote aanslag op het behoud van de noodzakelijke biodiversiteit.
  • De schaarste aan zoet water zal zich de komende jaren steeds indringender laten voelen. Landen die nu al kwetsbaar zijn (sahelgebied, midden-oosten, zuidelijk afrika) zullen steeds meer problemen krijgen om hun bevolking, hun landbouw en hun bedrijven van voldoende water te voorzien.
  • Er zal het komend jaar hard gewerkt moeten worden om in Kopenhagen financiering te vinden voor de al bestaande klimaatproblemen van de ontwikkelingslanden die niet ten koste gaat van de bestaande ODA-financiering. Anders wordt het oplossen van de klimaatproblemen van ontwikkelingslanden een koekje van eigen deeg.

Bij de oplossing van de wereldwijde ecologisch crisis  is de positie van ontwikkelingslanden cruciaal. Zij zijn de eerste die nu al last hebben van de klimaatverandering. De humanitaire consequenties (rampen, massale migratie) worden daar het eerst gevoeld. Zij zijn bovendien de landen waar de grootste potenties liggen voor de toekomstige aanvoer van grondstoffen (olie, mineralen, hout, veevoer).

De komende decennia zal ecologisch verantwoord denken en handelen een steeds belangrijkere plaats in gaan nemen in de internationale politiek. Dat gaat, zoals ontwikkelingslanden nu al in de praktijk merken, veel verder dan de problemen van broeikasgassen. Een fundamentele herstructurering van productie en consumptie is nodig om een antwoord te vinden op de verschillende ecologische uitdagingen. Voor ontwikkelingslanden liggen daar bedreigingen en kansen.

De goeroes van de craddle-to craddle strategie voorspellen dat een ecologisch verantwoorde productie en consumptie noodzakelijkerwijs gepaard zullen gaan met een herregionalisering van de economische activiteiten. Het constante slepen van goederen en diensten over de hele wereld is niet sustainable. De ecologische kosten daarvan zijn te groot (CO2-uitstoot) en de schaarste aan energie zal ons dwingen transportkosten terug te dringen. Bovendien zal in een craddle-to-craddle strategie het hergebruik zodanig toenemen dat er veel minder grondstoffen nodig zijn. Dat zal grote consequenties hebben voor ontwikkelingslanden die in de afgelopen jaren hun economische groei vooral ontleend hebben aan de export van grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten voor de markt van Europa, de VS cs. Recentelijk spraken ook SER-voorzitter Rinooy Kan en staatsecretaris Timmermans van Buitenlandse Zaken over het perspectief van regionalisering van het internationale economisch systeem. In dat licht is inzetten op globalisering als dé oplossing voor armoede en ontwikkeling een riskante strategie.

Meer regionalisering van productie en consumptie betekent nog geen regionale autarkie. Intercontinentale handel zal van belang blijven. Als bezitters van grondstoffen en energie bezitten ontwikkelingslanden een sterke positie op de internationale markt. Zij zullen die kunnen inzetten om enerzijds de waarde van hun natuurlijke hulpbronnen in de prijs tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de collateral damage van vervuiling terug te dringen. Het in stand houden van het tropisch regenwoud in plaats van houtkap zal ecologische en dus economische waarde krijgen.  Het inzetten van hoogwaardige winningstechnieken om ecologische  schade te voorkomen zal vanzelfsprekend worden: als in het Amazonegebied met dezelfde ecologische voorzorgen zou naar olie en gas zou worden geboord als in de Waddenzee zou dat de vervuiling in Ecuador en Peru aanzienlijk terugdringen.

De ecologische crisis is mede veroorzaakt door het afwentelingsmechanisme, waardoor de ecologische schade die in productie en consumptieprocessen wordt veroorzaakt, wordt ontlopen. Zonder het opnemen van de ecologische kosten in de prijsvormingsketen zullen we er niet in slagen de nu al onhoudbare ecologische druk omlaag te brengen.  Met het introduceren van emissierechten hebben we de eerste stappen gezet op het pad van het doorberekenen van ecologische kosten in de prijsvorming. Op dat pad zullen we verder gaan. In alle stadia van het productie- en consumptieproces zal het afwentelingsmechanisme uiteindelijk vervangen worden. Ontwikkelingslanden zullen daarvan profiteren en zullen hun inkomsten zien stijgen.

De centrale positie van ontwikkelingslanden in de oplossing van de ecologische crisis zal een  derde element zijn dat tot een nieuw OS-paradigma zal leiden dat verder gaat dan de MDG-benadering die zich vrijwel exclusief richt op sociale dienstverlening.

Het MDG-paradigma voorbij?
Het zoeken naar een nieuw OS-paradigma voorbij de MDG’s is geen ontkenning van het belang van de doelen zoals die in de MDG’s zijn geformuleerd. Zolang er volgens de laatste Wereldbank-cijfers 1,4 miljard mensen zijn die van de meest essentiële voorzieningen verstoken zijn, is het oplossen van dat tekort een simpele eis van menselijke waardigheid. De MDG’s zijn nog steeds relevant en het is waar dat aan het eind van de dag telt of het leven van mensen er beter op is geworden: toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, schoon drinkwater, gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Alle inspanningen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking missen hun betekenis als ze niet leiden tot een beter dagelijks bestaan van die 1,4 miljard mensen.

Het probleem met de MDG’s is dus niet de relevantie van de doelen, maar dat de doelen ook methoden zijn geworden. Een dus wordt het gebrek aan onderwijs beantwoord met het bouwen van scholen en het tekort aan  gezondheidszorg met het distribueren van medicijnen of het bouwen van klinieken. Door het samenvallen van doelen en methodieken en strategieën is ontwikkelingssamenwerking een distributieproces geworden, een logistieke operatie met als doel overal voorzieningen van producten en diensten te creëren.

Toen ik, ongeveer een jaar na het vredesaccoord tussen Noord en Zuid Sudan in het Zuid-Sudan was, kon ik me goed voorstellen dat er een plan te maken is voor het wederopbouwen van de gezondheidszorg in dat deel van het land na decenia van oorlog. Je kunt daar kloppende berekeningen voor maken: een ziekenhuis voor de grote steden, klinieken voor de kleinere, mobiele klinieken voor de dorpen. Je kunt uitrekenen hoeveel bedden nodig zijn, hoe duur de gebouwen zijn, hoeveel; verpleegkundigen daarvoor nodig zijn, wat die kosten. En aan het eind van de exercitie heb je een keurig en ook nog betaalbaar (zeker in het licht van de miljarden van de kredietcrisis) plan. Je weet alleen dat het niet gaat werken. Nu niet, over vijf jaar niet en over tien jaar ook nog niet. Omdat gezondheidszorg niet alleen een logistiek distributieproces is maar ook een institutioneel proces, waarbij het gaat om het inrichten van organisaties, het opleiden en vasthouden van mensen, het ontwikkelen van kwaliteitsbeleid en het realiseren van toegang tot de zorg voor de armsten. In de praktijk betekent dat een goed functionerend ministerie van gezondheidszorg, helderheid over wat in die situatie een basispakket van gezondheidszorg is en wat daarvoor de kwaliteitsvereisten zijn, goede universitaire en hbo-opleidingen voor artsen en verpleegkundigen, een financieringssysteem dat de bevolking toegang biedt tot de zorg, koepelorganisaties die de ontwikkeling van de eigen sector ter hand nemen. Daar ligt de noodzakelijke verbinding met institutionele versterking van ontwikkelingslanden. Die noodzaak wordt alleen maar sterker als we ons realiseren dat de overheden van ontwikkelingslanden een centrale rol dienen te spelen in de publieke dienstverlening die centraal staat in de MDG’s.

Een andere blikrichting
Ontwikkelingssamenwerking vraagt om een nieuwe blikrichting. We moeten ons niet langer blindstaren op de traditionele, in het noorden geformuleerde, effectiviteitsvragen die geleid hebben tot steeds meer greep van donoren op de programma’s. Na de voedselcrisis ontstond terechte kritiek op het gebrek aan aandacht voor de landbouw. Die kritiek kan uitgebreid worden naar gebrek aan aandacht voor de economie en de daarmee verbonden machtsverhoudingen in het algemeen. De eenzijdige aandacht voor de publieke sociale dienstverlening vraagt om een grondige herziening waarbij de blikrichting verschuift van Noord naar Zuid. De eigen financiële capaciteit van ontwikkelingslanden, het versterken van hun instituties en het vertalen van hun positie in het huidige debat over klimaat, grondstoffen en energie zijn daarvoor de belangrijkste pijlers.