2010 Leer ze vissen

Leer ze vissen (en de vis te verkopen)

Inleiding
Ook vandaag worden 1 miljard mensen wakker zonder te weten of er vandaag eten op tafel staat. Armoede blijft ook voor de komende jaren een van de grootste globale problemen. Daar een antwoord op vinden blijft daarom misschien wel de grootste uitdaging in een globaliserende wereld. De grote respons van generositeit van de Nederlandse bevolking na de aardbeving op Haiti laat zien dat men niet onverschillig is in het aangezicht van armoede, gebrek en lijden elders op de wereld. Ook de sterke groei van particuliere initiatieven in ontwikkelingssamenwerking laten zien dat er meer dan genoeg betrokkenheid is en bereidheid om tijd en geld daaraan te besteden. Het is dus te gemakkelijk te zeggen dat Nederlanders niet meer betrokken zijn, dat men wegkijkt van armoede elders in de wereld.

Toch is er veel discussie over ontwikkelingssamenwerking en de effectiviteit daarvan. Er is een tanend geloof in het bestaande model en instrumentarium: is het huidige model nog wel het beste om armoede en achterblijvende ontwikkeling aan te pakken.

Leer ze vissen
Voor het beantwoorden van de vraag naar effectiviteit van OS grijpen wij terug op een oud adagium: ‘geef een arme geen vis, maar leer hem vissen’. Kijk voor de toekomst verder dan het voorzien in de directe noden en behoeften. Niet de vraag of kunnen voorzien in onderwijs, gezondheidszorg, microkrediet is centraal, maar de vraag hoe we ontwikkelingslanden kunnen helpen om er zelf in te voorzien.

Dat lijkt een illusie voor wie kijkt naar de meer dan 1 miljard mensen onder de armoedegrens en voor wie zich realiseert dat de economische en financiele crisis ook daar hard heeft toegeslagen. Toch denken we dat er voldoende aanwijzingen om te denken dat zelfredzaamheid geen utopie is:

  • Alle universiteiten in ontwikkelingslanden leveren jaarlijks duizenden afgestudeerden af. De beschikbaarheid van human capital is groot. De tijd van de dekolonisatie, toen sommige landen nauwelijks hoog opgeleid kader had (congo telde bij de onafhankelijkheid in 1960 vijf universitair opgeleide congolezen), is voorbij.
  • Ontwikkelingslanden zijn met hun natuurlijke hulpbronnen van vitale betekenis geworden in de internationale economie: olie, ertsen, mineralen, maar ook landbouwgrond maken de landen tot serieuze partners in de globalisering.
  • Onderzoeken tonen aan dat de illegitieme kapitaalsstromen (belastingontduiking, internationale corruptie, transferprijzen binnen en tussen internationale bedrijven) een veelvoud bedragen van de ontwikkelingssamenwerking
  • Migratie is een belangrijke factor zowel voor ontwikkelingslanden als ontwikkelde landen en is een bron van inkomsten voor ontwikkelingslanden.
  • Veertig jaar investeren in maatschappelijke organisaties heeft wel degelijk geleid tot een sterker maatschappelijk middenveld van vrouwenorganisaties, boerenbonden, kerken, jongerenorganisaties.

Er is geen reden om te denken dat ontwikkelingslanden veroordeeld zijn tot een eindeloze afhankelijkheid.

Zelfredzaamheid ig geen droom voor de verre toekomst. Ook in ontwikkelingslanden klinken dezelfde geluiden. In Sub Sahara Afrika stellen steeds meer landen zich tot doel om tot de middle income countries te gaan behoren zodat ze de tijd van hulp en afhankelijkheid achter zich kunnen laten.

Gemeenschappelijk eigenbelang
In een globaliserende wereld is internationale samenwerking een vanzelfsprekendheid. De verbondenheid met elkaar is daarvoor te groot en intens geworden. Dat geldt niet alleen voor China en India, het geldt ook voor Afrika en Latijns-Amerika. Ontwikkelingslanden rond de evenaar zijn onmisbaar voor het ‘verteren’ van CO2 en vervullen een belangrijke rol in de strijd tegen klimaat. De energie en grondstoffenvoorraden van Afrika (olie, koper, ijzererts, diamanten) vervullen de komende jaren een strategische rol in de wereldeconome. Afrika heeft een grote potentie om de voedselproductie aanzienlijk te verhogen en zo mee te helpen aan het oplossen van de voor de komende decennia (met een groeiende bevolking) dreigende voedselcrisis. En het is ons eigen belang iets te doen aan de instabilieit in Afrika (Sudan, Congo, Ivoorkust).

Het gaat  bij de toekomst van ontwikkelingssamenwerking steeds meer om gemeenschappelijk eigenbelang. Dat is niet het platte eigenbelang dat ten koste gaat van anderen. Gemeenschappelijk eigenbelang klinkt innerlijk tegenstrijdig, maar is het niet. Er is in een globaliserende wereld eigenlijk geen eigenbelang meer dat niet verbonden is met delen van de rest van de wereld. We hangen tezeer met elkaar samen om te denken dat het nog mogelijk is om een hek te zetten om Nederland of om Europa. Wie dat wil, zal uiteindelijk daarvan de rekening betalen. Gemeenschappelijk eigenbelang is geen stap terug ten opzichte van het morele imperatief dat zo lang de belangrijkste pijler is geweest onder ontwikkelingssamenwerking. Het is eerder een stap verder, voorbij de hulpgedachte waarbij we als rijke landen arme landen helpen. In die hulpgedachte kunnen we voor onszelf de pretentie hebben dat we zonder de ander kunnen, dat wij Afrika en Latijns-Amerika niet nodig hebben. Een globaliserende wereld kan niet meer toe met hulp, maar heeft wederzijdse verbondenheid nodig.

Pijlers voor zelfredzaamheid
Wil het adagium ‘leer ze vissen’ geen utopie blijven, dan moeten we verder kijken dan het bestaande instrumentarium van ontwikkelingssamenwerking. Twee hoofdlijnen dienen zich daarom aan.

1. Globalisering en Zorg voor de Common Goods.
Er komt geen wenkend perspectief voor ontwikkelingslanden zonder inernationale hervorming:

  • Internationale handel: de verstorende werking van landbouwsubsiside in de EU en de VS is genoegzaam bekend. Te snelle volledig geliberaliseerde vrijhandel is desastreus voor ontwikkelingslanden. Haiti produceerde vijftien jaar geleden 90% van zijn eigen voedselbehoefte, nu minder dan 50%.
  • Verhoging van internationale standaarden in productie is dringend noodzakelijk: waarom boren we gas in de Waddenzee (kwetsbaar natuurgebied) met toptechnologie terwijl olieboringen in het Amazone gebied uitgevoerd worden met aftandse, goedkope, maar zwaar vervuilende technologie? Dat geldt niet alleen voor de ecologische bescherming. Ook de sociale standaarden (salaris, pensioen ziektekostenverzekering) moeten omhoog
  • Internationale financiele regelgeving. Terecht zijn we in de slag met belastingparadijzen over de kapitaalsvlucht uit eigen land. De kapitaalsvlucht uit ontwikkelingslanden betekent een structurele verzwakking van de eigen financieringscapaciteit.
  • Een goed klimaatverdrag met mogelijkheden voor ontwikkelingslanden om mee te doen in technologische innovatie. Er is geen enkele reden waarom ontwikkelingslanden zouden vastzitten aan binnekort ouderwetse technologie, gebaseerd op fossiele brandstoffen. De wet van de versnellende achterstand (remmende voorsprong) kan hier zijn werk doen.

Zonder deze vliegwielen die internationaal ingericht moeten worden, is er geen perspectief  voor ontwikkelingslanden om zelf te leren vissen en die vis vervolgens te verkopen op de internationale markt.

2Ontwikkeling binnen landen
Internationale hervormingen zijn noodzakelijke, maar zijn in zizhczelf nog onvoldoende om ontwikkeling en zelfredzaamheid te realiseren. Binnen ontwikkelingssamenwerking, d.w.z. in projecten en programma’s die in directe zin gericht zijn op ontwikkelingslanden moet er geinvesteerd worden in tenminste de volgende drie onderwerpen:

-       Stabiliteit. Dat is onmisbaar omdat leven in gewapende conflicten vrijwel altijd in tegenspraak is met zelfredzaamheid. Conflicten betekenen dat mensen beroofd worden van hun mogelijkheden tot ontwikkeling en dat investeringen (zowel sociale als economische) in de toekomst uitblijven. Het gaat bij stabiliteit niet om een conflictvrije samenleving, Die bestaat niet. Het gaat erom te zorgen dat geweld niet langer de manier is om conflicten op te lossen. Zolang geweld dreigt of realiteit is, is zelfredzaamheid een illusie.

-       Goed bestuur. Goed bestuur is essentieel omdat zelfredzaamheid alleen realistisch is als er sprake van landen die hun kansen benutten en zo een stevige positie innemen in de globalisering, hun interne bestuur op orde hebben. Goed bestuur gaat overigens niet alleen over regering en parlementen, maar ook over het beheer van de dorpsschool, de zeggenschap van boeren over hun cooperatie, de inspraak van patienten in de gezondheidszorg. In die goed bestuur heeft agenda heeft Nederland met zijn rol als centrum van internationaal recht een belangrijke rol te spelen.

-       Koopkracht. Koopkracht  is een essentiele zaak voor zelfredzaamheid omdat een eeuwige afhankelijkheid van buiten niet tot zelfredzaamheid leidt. Of het nu is via eigen betalingen, gemeenschappelijke arragementen (cooperaties, verzekeringen) of via belastingen, koopkracht is essentieel. Met een bevolking die in ontwikkelingslanden voor de helft uit mensen onder de 20 jaar bestaat, is volle inzet op werkgelegenheid noodzakelijk. En net als in ons eigen land is de ontwikkeling van een vitaal Midden en Klein Bedrijf als motor van werkgelegenheid en koopkracht essentieel. Nederlandse kennis op het terrein van landbouw en waterbeheer komen in de armste landen waar soms meer dan 60% afhankelijk is van de landbouw, voluit tot hun recht.

Stabiliteit, goed bestuur en koopkracht (is niet hetzelfde als macro-economische groei) zijn de pijlers van effectieve ontwikkelingssamenwerking in de komende jaren. Of dat plaatsvindt in minder landen en al of niet via NethAid is daarbij minder belangrijk.

Geen tegenstelling tussen armoedebestrijding en ontwikkeling
Het WRR rapport heeft geleid tot de gedachte dat er een tegenstelling is tussen armoedebestrijding en ontwikkeling. Die tegenstelling is heilloos. Wat aan de orde is dat we in ontwikkelingssamenwerking te snel tevreden zijn geweest met aan de oppervlakte zichtbare resultaten zonder kritische vragen over de diepere doorwerking van onze projecten en programma’s. De vraag is niet alleen of aidsmedicijnen bij de patienten zijn aangekomen, maar of ze werkelijk bij hebben gedragen aan een beter leven. Hebben de vrouwen die microkrediet hebben ontvangen echt een sterkere positie in de economie van hun dorp gekregen? En hebben al die programma’s en projecten een bijdrage geleverd aan andere machtsverhoudingen aan de keukentafel, in de dorpsraad, in de landspolitiek? Armoedebestrijding is ontwikkeloing als we meer ambitie ten toon spreiden: niet alleen distribueren van goederen en diensten maar kijken of ze tot echte verandering leiden. Dat tilt onze discussie over effectiviteit ook op een hoger niveau.

Concreet betekent dat dat bij alle projecten en programma’s de vraag gesteld zou moeten worden of en in hoeverre ze bijdragen aan die zelfredzaamheid: een betere organisatie in de samenleving, het versterken van het zelf oplossend vermogen, veranderende machtsverhoudingen, een beter functionerende overheid.

De strategische betekenis van Civil society en bedrijfsleven
Voor zelfredzaamheid, versterking van het zelfoplossend vermogen, goed bestuur en het realiseren van koopkracht zijn civiol society en bedrijfsleven van strategisch belang. Natuurlijk kan het niet zonder een goed functionerende overheid, maar in teveel landen is de overheid deel van het probleem. En niet in staat om zich aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken. Bedrijfsleven en civil society doen steeds twee dingen: zelf oplossen organiseren en vernieuwing aandragen en tegelijk oefenen zij druk uit op de overheid om in wet- en regelgeving de kaders te scheppen waarbinnen bedrijven aan de slag kunnen en civil society als spreekbuis van de samenleving kan functioneren. Voor goed bestuur is die rol van groot belang. En daar waar fragiliteit van landen wordt veroorzaakt door etnische en religieuze twisten of door veronachtzaming van regio’s ten opzichte van het centrum/hoofdstad is inzet van maatschappelijke organisaties van belang voor stabiliteit stabiliteit en om de basis te leggen voor initiatieven die leiden tot koopkracht.

Daarbij hebben lokale civil society en lokaal bedrijfsleven het voortouw. Het gaat om hen en  ook hier geldt zelfredzaamheid niet als utopie maar als praktuisch uitgangspunt.  Echter, in een globaliserende wereld zijn de groeiende internationale netwerken (zuid-zuid en zuid-noord) een belangrijke stimulans en bron van kennis en ervaring. Die strategische betekenis moet ook in een toekomstig kabinetsbeleid terugkomen.

Voor een toekomstige Nederlands OS_beleid betekent dat:

  • Een minister voor duurzame globalisering en ontwikkelingssamenwerking.
  • Een sterk interminsterieel coordinatiemechanisme tussen de verschillende ministeries (landbouw, economische zaken, financien, defensie, justitie) onder verantwoordelijkheid van deze minister voor duurzame globalisering met een interdepartementale directie
  • Zowel inzet op minder landen maar tegelijk een duidelijke ambitie om een rol te spelen internationale kennisontwikkeling en kennisdistributie. De strategische betekenis van civil society zou vertaald moeten worden in een internationaal gericht kenniscentrum over de rol van civil society in ontwikkelingssamenwerking
  • Het actiever inzetten en matchen van investeringsfondsen naast giften en het creeren van een fonds structuurversterking ontwikkelingslanden waarin meerjarig gefinancierd kan worden om ongewenste bestedingsdruk te voorkomen.
  • Vasthouden aan het huidige niveau waarbij tenminste voor 0,7 % van het BNP geldt dat ze besteed worden binnen de ODA-criteria.
  • De strategische betekenis van civil society en bedrijfsleven in het kabinetsbeleid tot uitdrukking brengen.