2012 van OS naar IS

Internationale samenwerking: de enige weg naar de toekomst

In samenwerking met Jan Gruiters[1]
15 mei 2012

De binnenlandse politieke context
De onderhandelingen in het Catshuis zijn mislukt. Maar deze mislukking kan niet verhelen dat men aan de onderhandelingstafel al overeenstemming had bereikt over ontwikkelingssamenwerking. De komende drie jaar zou er twee miljard minder voor ontwikkelingssamenwerking beschikbaar zijn.

Deze kaalslag is op het nippertje afgewend. Maar daarmee is het debat over ontwikkelingssamenwerking niet van de baan. Integendeel. Te verwachten valt dat de verkiezingen in het teken komen te staan van een heftige ideeënstrijd over de inrichting van de samenleving, over wat van waarde is en bescherming behoeft, over het verdelen van de lusten en de lasten.

Het zal ook een strijd zijn tussen naar binnen keren en naar buiten kijken, tussen eigen land eerst en Europese samenwerking, tussen nationaal belang en internationale solidariteit. En één ding is duidelijk.  De  economische crisis verhoogt de druk op politici prioriteit te geven aan binnenlandse aangelegenheden: The dilemma of the modern politician is that the answers are abroad but the votes are at home.

In deze ideeënstrijd zullen er politieke leiders zijn die ontwikkelingssamenwerking misbruiken als embleem, als een symbool waarmee zij de moraal van hun eigen verhaal krachtig communiceren aan kiezers. Kiezers die onzeker zijn over de toekomst van hun eigen bestaan en van hun eigen land. Ontwikkelingssamenwerking zal dan figureren als een symbool voor het wantrouwen jegens een  overheid die niet thuis geeft, als symbool voor een elite die enkel aan zichzelf denkt en rancune oproept, als symbool voor onzekerheid en onbehagen over de toekomst die bedreigd wordt door de buitenwereld.

Pogingen om die karikatuur van ontwikkelingssamenwerking te ontkennen en te ontkrachten zullen niet werken. Sterker nog. Die ontkenning vormt enkel de bevestiging van het emblematisch gebruik ontwikkelingssamenwerking als illustratie bij een politiek discours dat lijnrecht tegenover internationale samenwerking staat. 

Vanuit de verdedigende stellingen naar hervorming
In de aanloop naar het Catshuis is de sector voluit in de ankers gegaan. In tijden van bezuiniging, met een gedoogconstructie waarbij er partijen uit zijn op de ontmanteling van ontwikkelingssamenwerking, komt het aan op de verdediging van belangen. Dat belang is in een dergelijke politieke strijd enkel uit te drukken in een budgetruimte van 0,7% van het BNP. Een debat over hervorming zou de deur voor bezuinigen wijd open zetten, zonder dat er sprake is van een politiek commitment voor vernieuwing.

Met het klappen van het Catshuisoverleg is de Nederlandse politieke context echter radicaal veranderd. In de aanloop naar verkiezingen kan de sector niet langer inzetten op het veiligstellen van de budgetruimte, hoe belangrijk dat ook is. Het moet nu ook en vooral gaan over de hervorming van ontwikkelingssamenwerking. Het moet gaan over de toekomstagenda voor internationale samenwerking. Dat is noodzakelijk omdat het in deze verkiezingen nu eenmaal zal gaan over hervorming en over de vraag of internationale (Europese) samenwerking een gevaar of een noodzaak is voor de toekomst. Het is ook onontkoombaar omdat politici de tijdgeest goed aanvoelen en niet bereid zullen zijn ontwikkelingssamenwerking te verdedigen als de sector zich enkel defensief manifesteert. En het is noodzakelijk omdat de wereld is veranderd.

Het is zaak met overtuigingskracht een politiek relevante agenda voor internationale samenwerking te ontwerpen en in debat te brengen. Deze toekomstagenda is gebaseerd op een analyse van de wereldwijde problemen maar presenteert ook een politieke overtuiging. Er zal over de toekomstagenda voor internationale samenwerking geen consensus bestaan binnen de sector ontwikkelingssamenwerking en de reikwijdte ervan zal het mandaat van ontwikkelingssamenwerking overstijgen.

Ontwikkelingssamenwerking en de veranderde wereld
De wereld om ons heen verandert in hoog tempo en de toekomst is ongewis. De economische vooruitzichten zijn ongekend somber en vol onbekende  risico’s. De gevolgen van de schuldencrisis, de financiële crisis, de economische malaise, de stagnatie in de Doha onderhandelingen en de groeiende werkloosheid zijn overal  voelbaar maar raken in het bijzonder de meest kwetsbare mensen. Deze economische schokken bedreigen bovendien de vooruitgang die de laatste decennia is geboekt in het realiseren van de millennium ontwikkelingsdoelen.

Dat geldt ook voor de niet langer te negeren gevolgen van klimaatverandering. Steeds weer blijken vooral de meest kwetsbare mensen gevoelig voor de gevolgen van extreme weersomstandigheden, stijging van zeespiegel, afname van de landbouwproductiviteit door verlies aan landbouwgronden, groeiende waterschaarste en stijging van voedselprijzen die het gevolg zijn van klimaatverandering.

Het groeiend tekort aan energie en andere natuurlijke hulpbronnen krijgt steeds meer politieke urgentie. De schaarste wordt mede veroorzaakt door een explosief stijgende vraag naar energie en voedsel door een groeiende mondiale middenklasse. Deze schaarste zal leiden tot toenemende internationale competitie en een groter conflictpotentieel. Alle onderzoeken wijzen er op dat de investeringen in nieuwe productiewijzen onvoldoende zijn voor de toekomstige behoefte aan natuurlijke hulpbronnen. Alleen een samenhangende aanpak van enerzijds slimmer en beter produceren en anderzijds minder consumeren kan een uitweg bieden. Slimmer betekent de inzet van nieuwe technologie, beter betekent de productie van goederen die langer meegaan en minder snel afgedankt hoeven worden, minder betekent simpelweg ons instellen op een bescheidener consumptiepatroon.

Niet alleen de wereld maar ook de krachtsverhoudingen in de wereld zijn ingrijpend veranderd door de opkomst van nieuwe economische powerhouses als China, India en Brazilië. Het multilaterale systeem is niet berekend op de nieuwe krachtsverhoudingen in de wereld en de veelheid aan actoren en belangen. Tijdens het Wereld Economisch Forum sprak men van het G-zero model. Voor het eerst tijdens de Tweede Wereld Oorlog  is er geen land of geen blok van landen dat voldoende politieke of economische invloed heeft om een internationale agenda te zetten. De hoop dat de G20 als informeel forum van invloedrijke landen een doorslaggevende rol zou kunnen spelen lijkt te hoog gegrepen. Ook de verwachtingen met betrekking tot Rio 2012 top over duurzame ontwikkeling zijn niet erg hooggespannen.

Ernstig is ook de afnemende rol en geloofwaardigheid van de VN, die in de economische crisis geen enkele rol van betekenis speelde en in geval van Syrië terugviel in een pijnlijke patstelling .  Juist nu de noodzaak van multilaterale samenwerking groot is blijkt dat het multilaterale systeem is niet berekend op  een multipolaire wereld met een groeiende complexiteit en een toenemende conflictpotentieel. Voor zover er sprake is van intergouvernementele samenwerking voltrekt deze zich vooral en steeds meer op regionale platforms. Maar ook deze regionale intergouvernementele samenwerking is kwetsbaar en staat onder immense druk door de economische crisis maar ook door regionale instabiliteit.

Ook individuele samenlevingen veranderen. De Arabische lente laat zien dat kleine veranderingen kunnen leiden tot snelle transitieprocessen waarvan de uitkomst op voorhand niet vaststaat. Ook maakt de Arabische lente duidelijk dat repressieve regimes minder stabiel zijn algemeen aangenomen en dat de transitie van autocratie naar democratie kwetsbaar is voor geweld en mensenrechtenschendingen.

Onderzoekers wijzen op twee wereldwijde transities van een geheel andere orde:  de opkomst van sociale netwerktechnologie en de opkomst van een nieuwe generatie goed opgeleide jongeren met een hoog veranderpotentieel maar zonder werk of toekomstperspectief. Duidelijk is dat beide factoren onder de juiste politieke omstandigheden tot snelle en niet te voorspellen veranderingsprocessen kunnen leiden.

Het armoedevraagstuk zal zich in deze op een radicaal andere wijze manifesteren. De meerderheid van de meest armen in de wereld wonen in de middeninkomenlanden. In de jaren negentig woonden 90% van de armste mensen in lage inkomenslanden. Nu leven meer dan 70% van de meest arme mensen in middeninkomenlanden. De aandeel extreem arme mensen  in fragiele staten is gestegen van 14% in 1990 tot 24% in 2008.

Daarbij komt dat de betekenis van ontwikkelingssamenwerking in het totaal van de financiering van ontwikkelingslanden drastisch is afgenomen. In de aabnloop naar de High Leven meeting on aid effectiveness in Busan in november 2011 rapporteerde de OESO dat het aandeel van ontwikkelingssamenwerking in de financiën van ontwiikkelingslanden was gedaald tot 13% in vergelijking met 65% in de jaren zeventig. De toename van belastinginkomsten, de buitenlandse investeringen en de remittances van migranten hebben tot een totaal andere verhouding van financieringsstromen geleid. De afhankelijkheid van OS-gelden, door Dambisa Moya in haar boek Dead Aid nog aangewezen als het grote probleem, blijkt in de praktijk flink gereduceerd. Dat vraagt om een andere, meer strategische inzet van ontwikkelingsgelden als leverage en katalysator en afscheid van een traditionele ‘turn-key’ benadering van ontwikkelingsprogramma’s.

Het aandeel armen in middeninkomen landen als China en India is niet langer enkel toe te schrijven aan een armoedevraagstuk maar veeleer aan een verdelingsvraagstuk. Het is niet meer verdedigbaar klassieke ontwikkelingshulp te bieden aan een land als India dat tegelijkertijd optreedt als donor en er honderden miljoenen verslindend ruimtevaartprogramma en nucleair wapenarsenaal op na houdt.  Armoede daar mag ons niet onberoerd laten, maar de interventies zullen van een wezenlijk andere orde moeten zijn dan gebruikelijk. 

Bouwstenen voor een hervormingsagenda voor ontwikkelingssamenwerking.
Tegen deze impressionistisch beschreven achtergrond zal er een toekomstagenda voor internationale samenwerking moeten worden geformuleerd. De totstandkoming van zo’n toekomstagenda voor internationale samenwerking vergt overleg. Maar het moet ergens mee beginnen. De analyse over dxe wereldwijde veranderingen is genoegzaam bekend. Het gaat erom de moed te hebben om stappen te zetten en keuzen te maken in het besef dat geen keuze perfect. Daarom hier een eerste voorzet voor een ordening van de toekomstagenda voor een Nederland dat weer tot de voorhoede van internationale samenwerking wil behoren en zich laat leiden door de menselijke waardigheid en het algemeen welzijn, tegenwoordig aangeduid met de publieke goederen.

Prioriteit nummer 1: Veiligheid en rechten van burgers in fragiele staten.
Ongebreideld geweld en structureel onrecht bedreigen de menselijke waardigheid van 1 miljard mensen in fragiele contexten. De overheid is daar virtueel afwezig of heeft geen legitimiteit en capaciteit om zijn burgers te beschermen, basisvoorzieningen te leveren en de rechtsorde te beschermen. Juist in deze contexten moeten overheden met elkaar en met civiele samenlevingsorganisaties samenwerking om het sociaal contract tussen overheden en hun burgers op te bouwen en te versterken. Van essentieel belang is top-down en bottom-up interventies beter op elkaar aan te sluiten. In lijn met het Human Development Report krijgen veiligheid, recht en banen daarbij de hoogste prioriteit.

Daarnaast is in deze landen het achterblijven van institutionele ontwikkeling nog vaak een forse uitdaging. Slecht functionerende  rechtspraak en het ontbreken van systemen voor het betrouwbaar vastleggen van eigendom (kadaster) belemmeren het benutten van mogelijkheden.

Nederlandse internationaal opererende ondernemingen zullen zich strak moet houden aan de internationale richtlijnen, vooral op gebied van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in fragiele staten. De Nederlandse krijgsmacht moet in tijden van bezuiniging niet langer breed inzetbaar zijn maar zich toeleggen op de bescherming van burgers in fragiele staten en conflictgebieden en het beteugelen van de risico’s voor regionale stabiliteit die voortvloeien uit fragiele staten. De bescherming van burgers  stelt eisen aan de inrichting van de krijgsmacht, een dure en overgekwalificeerde JSF is daarbij niet nodig.

Op deze prioriteit kan Nederland zich onderscheiden met zijn integrale benadering en Den Haag als internationale hoofdstad van recht en vrede. Dat schept echter ook verplichtingen. Nederland moet dank ook koploper zijn in de strijd tegen controversiële wapens en voor strenge internationale wetgeving rond wapenhandel en het eigen wapenexportbeleid aanscherpen zodat geen wapens geleverd worden aan landen die deze wapens kunnen inzetten tegen de eigen bevolking bij de schending van mensenrechten.

Nederland voegt enkele fragiele staten toe aan een landenlijst van zo’n 10 landen, te denken valt aan het weer opnemen van DRC en toevoegen van Somalië.

Prioriteit nummer 2: het herverdelen van welvaart in middeninkomenlanden.
In middeninkomenlanden als India en China wonen bijna 50% van alle armen. De uitdaging in deze emerging powers, maar ook in de andere landen in het hoogste segment binnen de categorie middeninkomenlanden, is niet armoedebestrijding maar herverdeling van welvaart. Deze herverdeling is geen taak voor bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Wel is er een taak weggelegd voor civiele samenlevingsorganisaties om de capacities for development van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen te versterken.

Allereerst gaat het in deze landen om de versterking van instituties die voor rechtvaardigheid van belang zijn: belastingdiensten,kadasters, rechterlijke macht, publieke dienstverlening. Daarbij moet in het beleid bijzondere aandachtbesteed worden aan de positie van vrouwen (erfrecht, eigendomsrecht).

Voor deze institutionele capaciteitsversterking zal gebruik worden gemaakt van de kennis en ervaring invakministeries en onderzoeks, – kennis en opleidingsinstituten. Financiering van deze capaciteitsversterking (giften en technische assistentie) gebeurt op basis van feitelijk gerealiseerde uitgaven. Er is geen bestedingsdruk: alleen output-relevante interventies worden gefinancierd.

In de tweede plaats gaat het om gericht te investeren op een wijze die ongelijkheid bestrijdt en duurzaamheid bevordert. Het gaat in deze landen erom zo snel te innoveren dat stappen kunnen worden overgeslagen. Ontwikkelingslanden slaan de fase van vaste telefonie over en stappen gelijk over op mobiele technologie. Zo kunnen ze ook de zware infrastructuur van fossiele energie overslaan en zich direct richten op decentrale duurzame energie. Nieuwe technieken van waste-management en waterzuivering bieden kansen om op nieuwe manier recycling te organiseren.  Het is evident dat het Nederlandse bedrijfsleven hierbij een rol van betekenis kan spelen, de Nederlandse overheid kan hierbij en bij de ontwikkeling van het midden- en klein bedrijf een faciliterende en stimulerende rol spelen. Voorwaarde daarbij is dat investeringen bijdragen aan versterking van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen.

De overheid zal ook een strak beleid moeten voeren bij het reguleren van internationaal opererende ondernemingen op gebied van natuurlijke hulpbronnen en op het vanzelfsprekend maken van de sociale component van de triple bottom line. Nederland moet zich inzetten voor een Europees importverbod voor producten die zijn verkregen op een manier waarbij fundamentele mensenrechten zijn geschonden. De decent work agenda van de ILO zou de vanzelfsprekende basis moeten zijn voor internationaal opererende bedrijven.

Op deze prioriteit kan Nederland zich onderscheiden met een sterk ontwikkeld maatschappelijk middenveld dat zich niet langer toelegt op het bestrijden van armoede als symptoom van ongelijkheid maar op het bestrijden van de ongelijkheid zelf.

Nederland bouwt bovendien de bilaterale hulp aan middeninkomenlanden af. In elk geval geldt dit direct voor Colombia, Vietnam, Zuid-Afrika, Indonesië  en op termijn ook voor Bangladesh, Ghana, en Kenia.

Prioriteit 3: de verdeling en verdediging van de publieke goederen als collectief belang.
Nederland moet als kleine speler focus aanbrengen en een concrete agenda opbouwen voor een drietalpublieke goederen: veiligheid en rechtsorde, voedsel en water, dat zijn de niches waarin Nederland meerwaarde kan genereren in strategische samenwerking met andere actoren. De Nederlandse inzet is per definitie een inzet waarbij overheid, kennisinstituten,  ondernemingen en civiele samenlevingsorganisaties samenwerken om meerwaarde te realiseren. Duidelijk is ook dat juist bij de verdeling en verdediging van publieke goederen, multilaterale en internationale samenwerking van belang is. Hier is geen rol meer voor strikt bilateraal landenbeleid. Ook hervorming van instituties is daarbij een aandachtspunt. Ook spelen mondiale burgers een cruciale rol bij het scherp houden van zowel de overheid als het Nederlandse bedrijfsleven. 

Financiering
Bij elk van deze drie prioriteiten behoort een eigen financieringsstrategie.  Nederland moet zich tot 2015 houden aan internationale afspraken en minimaal 0,7% van het BNP, vermeerderd met verplichtingen bij te dragen aan bescherming van klimaat. Daarnaast en daarboven moet Nederland een innovatief financieringsinstrument ontwerpen waardoor de private sector bijdraagt aan de verdediging en verdeling van publieke goederen.,Een vernieuwde ODA (op dit momentjaarlijks  4,4 miljard zou bestemd zijn voor prioriteiten 1 en 2. Extra financiering zou  beschikbaar moeten komen voor prioriteit 3, met name uit de private sector. De besteding van deze gelden voor prioriteit 3 zou in overleg moeten plaatsvinden tussen overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Een nieuwe “global public goods” toets, in aanvulling op de ODA-toets, zou door de OESO, zo mogelijk met bredere internationale steun, moeten worden ontwikkeld om te waarborgen dat dit deze middelen daadwerkelijk bijdragen aan de publieke goederen. Het is daarbij denkbaar dat een deel van deze middelen bijdragen aan armoedebestrijding in de klassieke zin en dus overeenkomen met de ODA-criteria. Concreet betekent dat, dat de bijdrage van de belastingbetaler (de overheid) aan ODA omlaag zou kunnen waar de private sector extra bijdraagt aan ODA.

Prioriteit 1 vergt een integrale benadering van internationale samenwerking waarbij veiligheid, mensenrechten en ontwikkeling hand in hand gaan en waar de Nederlandse overheid (whole of government) en maatschappelijke organisaties samenwerken aan het herstel van vertrouwen tussen burgers en hun overheid in fragiele  contexten.  Omdat het  gaat om landen die simpelweg niet over de middelen beschikken om hun burgers van basisdiensten te voorzien is er ook behoefte aan ondersteunen op deze terreinen. De klassieke vorm van ODA blijft hiervoor geschikt, zij het dat daarnaast ook interventie nodig zijn die gericht zijn op veiligheid en ontwapening. Na 2015 kan op basis van internationale consensus de ODA-norm wellicht worden verruimd om daadwerkelijk integraal beleid, voor zover dat door de huidige norm niet tot stand kan komen, te faciliteren.

Prioriteit 2 betreft het via nieuwe modaliteiten bijdragen aan ontwikkeling. Op dit terrein zijn innovatieve initiatieven aan het ontstaan die de overheid met durfkapitaal, investeringen en kredietverzekering kunnen ondersteunen, onder de voorwaarde dat de economische groei bijdraagt aan herverdeling van welvaart en bescherming van publieke goederen. De financiering van capacity for development van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen verloopt via maatschappelijke organisaties want herverdeling is geen taak voor bilaterale donoren.

Prioriteit 3 zou gefinancierd moeten worden met innovatieve financieringsmodaliteiten. De voornaamste uitdaging is de private sector, in het bijzonder het in Nederland gevestigde multinationale bedrijfsleven aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor en belang bij de publieke goederen. Een solidariteitsheffing zal om te beginnen moeten worden ingevoerd in de financiële sector waar sprake is van een lage belastingdruk en die baat heeft bij publieke goederen die bijdragen aan een  internationale sociale en economische stabiliteit die de basis vormt voor een wereldwijde economie. Een solidariteitsheffing binnen de financiële sector moet 3,7 miljard Euro op jaarbasis kunnen opleveren[2].

Kanalen
Bij elk van deze drie prioriteiten hoort ook de vraag op welke partijen hieraan een bijdrage kunnen leveren.

Voor prioriteit 1 blijft bilaterale hulp, in coördinatie met andere donoren en maatschappelijke organisaties, een reële mogelijkheid, onder voorwaarde (zoals ook bepleit door de WRR) dat er sprake is van hoogwaarde kennis van landenspecifieke contexten. Verdere professionalisering is noodzakelijk. De aanbevelingen van de WRR betreffende NL-Aid verdienen een serieus antwoord. Daarmee kan een verschil worden gemaakt. Tegelijk kan hier een effectieve samenwerking tussen verschillende overheidsinstituties interessante meerwaarde opleveren (justitie/rechtspraak, kadaster, VNG)

Voor prioriteit 2 zal het instrumentarium van FMO en andere vormen van participatie en kredietverzekering moeten worden uitgebreid. Daarnaast is het maatschappelijk kanaal bij uitstek geschikt voor het bereiken en versterken van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. Bilaterale hulp wordt uitgefaseerd.

Voor prioriteit 3 is er geen basis meer in nationaal / bilateraal beleid. Wie de uitdagingen van de global public  goods wil aanpakken, moet van meet af aan denken aan globale arrangementen. Soms zal het effectiever maken en vitaliseren van VN-organisaties mogelijk zijn, soms zullen specifieke en autonome globale fondsen (klimaat, energie) nodig zijn om effectief stakeholders te verzamelen en bij te dragen aan innovatie en het ontwikkelen van nieuwe internationale standaarden en best practices. Daarnaast zijn concrete programma’s noodzakelijk waaraan Nederland in samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen in specifieke landen of regio’s bijdraagt  aan de verdediging en verdeling van veiligheid, water en voedsel.

Bij elk van de drie prioriteiten speelt civil society een rol, simpelweg omdat het bij ontwikkeling altijd om burgers gaat en omdat samenlevingen zich alleen kunnen ontwikkelen als burgers betrokken zijn en een stem hebben om hun verhaal te vertellen en hun perspectief en belang op tafel te leggen.

Mondiaal burgerschap zal in de toekomst daarom een steeds grotere rol spelen, niet enkel omdat de uitvoering van de toekomstagenda van internationale samenwerking draagvlak in de Nederlandse samenleving vergt maar ook en vooral omdat burgers een eigen bijdrage zullen moeten leveren. Als kiezers, als consumenten, spaarders en beleggers, als producenten en ondernemers, als gebruikers van publieke goederen.

De bijdrage van de Nederlandse overheid, van Nederlandse ondernemingen en van de Nederlandse maatschappelijke organisaties aan de toekomstagenda zijn essentieel. Daar waar mogelijk zal er samenwerking moeten zijn, daar waar nodig zullen partijen elkaar aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Dat geldt zeker voor maatschappelijke organisaties die van oudsher een onafhankelijke en kritische rol hebben te vervullen in hun eigen samenleving en in de wereld. Die rol vergt vrijheid en veronderstelt verantwoordelijkheid. Maatschappelijke organisaties vervullen op basis van hun meerwaarde voor internationale samenwerking een publieke functie.

Tot slot
Dit is niet meer dan een aanzet voor debat. Een eerste begin van een nieuwe agenda voor de toekomst. Een agenda die vernieuwing en hervorming veronderstelt en de bijdrage van andere partijen. Daarom is deze tekst ook een uitnodiging aan anderen om vanuit hun visie een bijdrage te leveren aan de consensus die nodig is voor het aanpakken van de urgente uitdagingen die wij niet langer kunnen negeren of uit de weg kunnen gaan.

De toekomstagenda voor internationale samenwerking is een investering in de toekomst. Er is geen andere toekomst dan een gemeenschappelijke toekomst. Er is geen ander belang dan een collectief belang. Er is geen andere optie dan internationale samenwerking.


[1] René Grotenhuis is algemeen directeur Cordaid, Jan Gruiters is algemeen directeur IKV Pax Christi

[2] Volgens de “Evaluatie van de financiële transactiebelasting”, Op verzoek van het Ministerie van Financiën. CPB Notitie, 21 december 2011, (pagina 4) zou een Financial Transaction Tax (FTT) in Nederland jaarlijks 3,7 miljard euro opleveren.