2013 Service delivery en politieke beïnvloeding

De valse tegenstelling tussen service delivery en politieke beïnvloeding.

Abstract
The current debate about the future of development cooperation is not only about finances. It is also about the future role of civil society organizations as actor in development. That debate has increasingly been framed as a debate between service delivery and lobby/advocacy. Service delivery, the provision of education, health, water, food seen as the easy part, not tackling the root-causes of poverty and marginalization. Lobby and advocacy at political level, influencing decision makers, is seen as the real thing that is able to address the fundamentals of poverty and exclusion. The watchdog role is more often mentioned as the real role of Dutch development organizations.

This article questions this frame and reflects on the assumptions and the effectiveness of such an approach to the role of development organizations. It challenges policymakers to look at the transformative power of service delivery and at the often copy-paste hot air produced by lobby and advocacy organizations.

Inleiding
Ontwikkelingssamenwerking zoals we het veertig jaar hebben gekend is aan het eind van zijn levenscyclus. In een eerder artikel in Internationale Spectator heb ik de achtergronden daarvan aangegeven. De simpele verdeling van de wereld in rijke en arme landen is niet langer houdbaar. India en Brazilie, Indonesie zijn geen arme landen meer ondanks dat er veel arme mensen wonen en binnen aan aantal jaren zullen Ghana, Kenya en Bangladesh ook in die situatie. En een land als Angola met enorme olierijkdom is vooral arm omdat de opbrengsten niet bijdragen aan ontwikkeling en de strijd tegen armoede. Die veranderende werkelijkheid neemt niet weg dat er nog steeds meer dan 1 miljard mensen onder de armoedegrens leven. Maar daarvan leeft 70% in midden inkomens landen die in rap tempo van de verschillende landenlijstjes verdwijnen of zelf aangeven dat ze geen prijs meer stellen op ODA-financiering. En een aantal landen in Afrika en Azie (Ghana, Kenya, Tanzania, Bangladesh) hebben de ambitie om binnen tien jaar ook tot die groep van midden inkomens landen te behoren.

Symtomen en oorzaken
In die veranderende realiteit van ontwikkelingssamenwerking wordt intensief gesproken over de rol van maatschappelijke organisaties zoals Cordaid, OxfamNovib, Hivos en anderen. Hun rol was vanzelfsprekend in de afgelopen vijftig jaar: iedereen had een beeld bij hun werk en hun relevantie. Met de ingrijpende transformatie van ontwikkelingssamenwerking, staat ook hun rol ter discussie. Dat debat ontwikkelt zich in toenemende mate langs de lijn van de tegenstelling tussen enerzijds de ‘service delivery’-rol en anderzijds de ‘advocacy en lobby’-rol. Met de eerste wordt vooral gedoeld op de rol van organisaties in het verzorgen van dienstverlening op het terrein van basisdiensten zoals onderwijs, gezondheidszorg, water, microkrediet. In de tweede rol gaat het vooral om activiteiten die gericht zijn nop politieke verandering zoals het realiseren van vrouwenrechten, het bestrijden van corruptie of het zorgen voor beter beleid op het terrein van belastingen, landrechten etc.  Die tweedeling sluit aan bij de tweedeling van symptomen en oorzaken: service delivery is dan het bestrijden van de symptomen van armoede terwijl lobby en advocacy wordt gezien als het aanpakken van de oorzaken die ten grondslag liggen aan armoede. Het debat sluit aan bij de discussie over de MDG’s die worden gezien als een agenda die teveel, welhaast exclusief is gericht op de symptomen van armoede door haar aandacht voor moeder en kindzorg, aidsbestrijding, onderwijs en toegang tot water. Met gelijkheid van vrouwen en mannen is de meer politieke rechtenagenda stiefmoederlijk bedeeld. Veel kritiek op de MDG’s richt(te) zich daarom ook op het ontbreken van een agenda om de structurele oorzaken van armoede aan te pakken. In lijn met die MDG-discussie ontwikkelt zich ook de discussie over de rol van civil society. En het is niet moeilijk te voorspellen welke rol meer gewaardeerd wordt: werken aan de oorzaken is dan veel verkieslijker dan werken aan de symptomen. Verschillende publicatie in de afgelopen twee jaar sturen het debat in die richting. En ook minister Ploumen lijkt de tegenstelling en de daaraan vrijwel onmiddellijk verbonden waardering te omarmen als ze in haar beleidsbrief ‘Wat de wereld verdient’ vooral de watchdog rol van civil society onderstreept en die ziet als meerwaarde voor de ontwikkelingssamenwerking van de toekomst.

Vooronderstellingen
Aan de tegenstelling ‘service delivery – lobby en advocacy’ liggen een aantal vooronderstellingen ten grondslag die kritische reflectie en toetsing vragen. Ten aanzien van service delivery is de redenering dat het weliswaar mensen van diensten voorziet die door hen gewaardeerd worden en belangrijk voor hen zijn, maar dat daarmee de maatschappelijke verhoudingen onveranderd blijven en de politieke oorzaken van armoede in stand worden gehouden. Bij advocacy en lobby is de veronderstelling dat in deze activiteiten de systemen van de samenleving en de daarmee verbonden machtsverhoudingen daadwerkelijk veranderen en dat daarmee de levering van de diensten structureel wordt veilig gesteld. Daarmee is de kern van de discussie dat met service delivery geen maatschappelijke veranderingen worden gerealiseerd en met lobby en advocacy wel. En dat met de laatste ook de levering van sociale basisdiensten wordt veilig gesteld.

In de tegenstelling tussen service delivery en lobby en advocacy zit vaak ook de aanname besloten dat verandering via politieke processen en organen tot stand komt en dan nog het liefst via landelijke wetgeving. Daarin wordt als het ware de ultieme waarborg voor verandering gezocht: als nationale wetgeving wordt gerealiseerd op het terrein van landrechten of gelijkheid van vrouwen en mannen, is het doel bereikt. In die aanname zitten tenminste drie vooronderstellingen verborgen:

- dat verandering via de politieke weg tot stand komt,

- dat systeem-verandering van bovenaf gerealiseerd moet worden

- dat verandering van nationale wetgeving ook de beste garantie is dat de verandering en verbetering ook in realiteit van burgers merkbaar is.

In deze benadering wordt voorbij gegaan aan de mogelijkheid om andere dan nationale politieke powerholders (managers, lokale leiders, religieuze leiders) tot verandering te bewegen. Ook wordt voorbij gegaan aan de mogelijkheid om bottom-up verandering tot stand te brengen. Het is het niveau waarop voor de beoogde systeemverandering relevante veranderingsprocessen kunnen worden gerealiseerd. Tot slot is er bij deze vooronderstellingen een mechanistische interpretatie van maatschappelijke verandering. De realiteit is dat wetgeving geen garantie is voor verbetering van de dagelijkse realiteit en dat vaak op het niveau van decentrale overheden en op het niveau van uitvoeringsorganisaties (scholen, ziekenhuizen) het proces van verandering en het doorbreken van machtsverhoudingen opnieuw moet worden ingezet.

Verandering als multi-actor en mulit-level proces
Ontwikkeling is verandering. Verandering is nodig om te zorgen dat mensen zich uit armoede kunnen bevrijden en sociaal en economisch een volwaardige plaats in hun samenleving kunnen innemen. Vaak zijn armoede en uitsluiting verankerd in machtsverhoudingen die armoede en uitsluiting in stand houden. Dat zit in economie, in politiek, in cultuur, in gender, in religie, in etniciteit. Het lijkt me een veel te simpele analyse te veronderstellen dat beleid en politiek de bepalende factor is in het in stand houden van patronen van armoede.. Het doorbreken en veranderen van machtsverhoudingen die mensen vastzetten in armoede en uitsluiting is het doel van ontwikkelingssamenwerking. Die doelstelling geldt zowel voor service delivery programma’s als voor activiteiten op het terrein van lobby en advocacy. Het is geen op voorhand uitgemaakte zaak dat service delivery dat niet doet en lobby en advocacy wel. Dan zouden we erg snel een copie van onze westerse wereld, waarin veel wordt gestuurd via beleids- en politieke processen, van toepassing verklaren op landen in ontwikkeling.

Veranderingen die mensen vrij maken uit armoede en uitsluiting zijn vrijwel altijd multi-actor processen. Wie kijkt naar de positie van vrouwen in de gezondheidszorg in Sub Sahara Afrika of Afghanistan komt een lijstje van actoren tegen die daarop van invloed zijn:

-        Lokale / provinciale overheden die gaan over de spreiding van zorgvoorzieningen

-        Nationale overheden die gaan over financiering van zorg

-        Artsen en andere zorgverleners die prioriteiten stellen in hun dienstverlening

-        Lokale of religieuze leiders die opvattingen hebben over de positie van vrouwen in de gezondheidszorg

-        Mannen die gaan over de besteding van geld in het huishouden.

Eenzelfde lijstje kun je maken voor de positie van arme boerinnen op het platteland van Sub Sahara Afrika. Hun positie wordt mede bepaald door:

-        Lokale chiefs die over de verdeling van land in de gemeenschap gaan

-        Mannen die bepaalde opvattingen hebben over taakverdeling in huis en op het land

-        Overheden die eigendomsrecht van vrouwen (niet) regelen

-        Religieuze leiders die van invloed zijn op rolverdeling in de samenleving

-        Bedrijven die bepalend zijn voor de prijzen van inputs in de landbouw

-        Tussenhandelaren die de oogst opkopen.

Wie naar dit lijstje van actoren kijkt, zal zich realiseren dat de weg naar verandering niet voor allen langs dezelfde weg verloopt. Artsen en tussenhandelaren zijn gevoelig voor andere incentives die hen moeten verleiden om mee te gaan in veranderingen in hun organisatie dan overheden en hun betrokkenheid verloopt langs ander weg dan die van religieuze of etnische leiders.

Daarbij is er ook sprake van verschillende niveaus die betrokken zijn bij het in stand houden, c,q, veranderen van de verhoudingen. Het betrekken van actoren die hun rol spelen op familie en dorps niveau vraagt andere inzet dan van actoren op provinciaal en nationaal niveau en op internationaal niveau.

Veranderingen tot stand brengen is geen top-down proces waarbij op basis van een analyse deductief kan worden geopereerd van boven naar beneden. De vaststelling dat tussenhandelaren een schakel zijn van een internationale voedselketen en dat de positie van boerinnen alleen verandert als de keten van hoog tot laag, d.w.z. van multinationale agrobusiness tot lokale handelaar, hervormt wordt, miskent dat elke schakel in de keten in staat is beweging tot stand te brengen.

Het is de complexiteit van actoren en niveaus die ons beducht moet maken voor simpele oplossingen. Al te vaak heeft ontwikkelingssamenwerking zich laten verleiden tot de pretentie van simpele oplossingen (economische groei, goed bestuur) die in een automatisch trickle down effect de problemen van armoede als sneeuw voor de zon zouden laten verdwijnen. En met de simplificerende scheiding van service delivery en lobby en advocacy dreigen we een nieuwe simplificatie te omarmen.  Het is om die reden dat Cordaid een aantal jaren geleden het Communities of Change concept ontwikkelde: als we iets willen veranderen in de machtsverhoudingen moeten we communities vormen van verschillende actoren (civil society, overheden, bedrijven, wetenschap, religieuze gemeenschappen, lokale leiders) die van belang zijn om de gewenste verandering te realiseren. Die communities  zijn niet alleen een verzameling van gelijkgestemde en gelijk georganiseerde civil society organisaties, maar willen ook de unusual suspects en soms de blokkerende partijen bij het proces betrekken.

Kader: Performance based finance
Sinds een tiental jaren ontwikkelt Cordaid performance based financing als vernieuwende aanpak in de gezondheidszorg. Die aanpak is complex. Lang was gezondheidszorg een betrekkelijk eenvoudig proces waarbij Cordaid als donor financiering gaf aan een zorginstelling (ziekenhuis, kliniek) om patienten van zorg te voorzien. In PBF is het systeem complex geworden: we hebben nog steeds ziekenhuizen die zorg leveren, maar we hebben inmiddels een inkoopagent die de financiering doet en we hebben een verificatieinstituut die vaststelt of de zorg wel daadwerkelijk is verleent en of hij van goede kwaliteit is. En we hebben de overheid die kaders stelt voor kwaliteit en toegankelijkheid van zorg. Dat oogt al snel veel te ingewikkeld en als een verspilling van kostbaar geld dat zo niet ten goede komt aan patienten: de beruchte strijkstok. De werkelijkheid is dat we met dit PBF systeem werkelijk inspelen op de complexiteit van veranderingsprocessen en de verschillende actoren die een rol spelen bij verandering in hun onderlinge dynamiek betrekken. Ziekenhuizen/zorgverleners zijn niet langer de dominante partij in het spel. Ze hebben nu te maken met een financier ter plaatse die op basis van geleverde diensten betaalt, niet op basis van een vooraf goedgekeurde begroting. Ze hebben te maken met community based verificatieteams die eerst vaststellen of er inderdaad iets geleverd is en of dat van goede kwaliteit is voordat er betaald wordt. En de onderlinge checks and balances voorkomen corruptie en vriendjespolitiek binnen het systeem.  Verschillende actoren en verschillende niveau’s worden zo op elkaar betrokken en zorgen voor kwalitatief betere en efficientere dienstverlening. Machtsposities worden daadwerkelijk veranderd en de invloed van communities neemt toe.

Theory of Change
Ontwikkeling is geen rechte weg met simpele oorzaak en gevolg logica. Als het simpel was, zouden we er allang in geslaagd zijn om de problemen van armoede op te lossen. Het is wonderlijk hoezeer we in ontwikkelingssamenwerking wars zijn van complexiteit. Voor het aanleggen van een spoorlijn zijn we jaren bezig met voorbereiden. Onderzoek, betrekken van alle actoren, processchema’s, kritische pad analyses, onderlinge afhankelijkheden, alles wordt bij elkaar gebracht om zo’n proces succesvol te laten verlopen. En dan nog gaat er wel eens iets mis… Bij maatschappelijke veranderingen, vooral in andere landen, willen we het liefst rechtdoor en simpel de problemen oplossen zonder ons te bekommeren om ingewikkelde maatschappelijke verhoudingen, ragfijne sociale processen en diep ingesleten tradities.

Juist als buitenstaanders past het donororganisaties (overheden, civil society en anderen) om bescheidenheid en zorgvuldigheid te betrachten. Anders lopen we als olifanten door de porseleinkast van anderen. Het gaat erom zicht te krijgen op de complexiteit van veranderingsprocessen om vervolgens te zien waar de aangrijpingspunten liggen om die verandering tot stand te brengen. Dat vraagt om zicht te krijgen op de dynamiek, de processen en de actoren die een rol spelen in het voortduren van armoede. Dat lijkt ingewikkeld en dat is het ook. Op basis van zo´n omvattende analyse  moet een op die analyse toegespitste theorie van verandering geformuleerd worden op basis waarvan een interventielogica kan worden vastgesteld.

Zowel service delivery programma´s als lobby& advocacy programma’s kunnen niet zonder een dergelijke theory of change. Voor beide geldt dat niet de output, maar de outcome van belang is. De uiteindelijk relevante vraag is niet hoeveel kinderen je naar school hebt geholpen of hoeveel manifestaties en petities je hebt georganiseerd, maar of er iets veranderd is in de patronen van armoede en uitsluiting en of daarmee de maatschappelijke verhoudingen die mensen gevangen houden in armoede en ongelijkheid veranderen.

Het gaat dus niet om de beoordeling of een programma zich richt op service delivery of op lobby en advocacy om de betekenis daarvan voor verandering van armoedepatronen te bepalen. Pas in de theory of change die achter de interventie zelf zit en dus in het antwoord op de vraag welke veranderings-outcome men beoogt, kan iets over die betekenis worden gezegd.

Niet heilig
Bij voorbaat zijn service delivery of lobby en advocacy niet heilig. Er gebeurt het nodige aan service delivery dat de toets der kritiek niet kan doorstaan omdat programma´s zich tevreden stellen met levering van diensten zonder dat er sprake is van een onderbouwde theory of change. Men is tevreden met de primaire resultaten in onderwijs, gezondheidszorg of schoon drinkwater zonder dat de programma´s in hun service delivery de ambitie hebben om de patronen van armoede te doorbreken. Of het daarmee slechte programma´s zijn, is niet zomaar gezegd. Zeker in de sfeer van kleinschalige particuliere initiatieven zijn er veel services delivery programma´s zonder dieper gravende analyse en doelstelling. Mijn stelling is dat die programma´s, mits gekeken is naar ´do no harm´ principes, tenminste voor de betrokken gemeenschap iets opleveren. Maar ze hebben nauwelijks impact op de sociale verhoudingen en de patronen van armoede.  Grote civil society organisaties en bilaterale en multilaterale donoren moeten wat mij betreft altijd de ambitie hebben hun programma’s zo te ontwerpen dat ze een bijdrage vormen aan de noodzakelijke veranderingen van maatschappelijke verhoudingen.

Voor lobby en advocacy programma’s geldt iets dergelijks. Er is veel op dat terrein wat evenmin de toets der kritiek kan doorstaan. Teveel organisaties in noord en zuid pretenderen lobby en advocacy te bedrijven maar komen niet veel verder dan persverklaringen, handtekeningen acties of workshops waarin het beleid van anderen (overheden, bedrijven) wordt geanalyseerd en gekritiseerd. Veelal betreft het standpunten die door anderen al lang zijn verkondigd en waar geen toegevoegde waarde in zit. Het roepen als zodanig is echter nog geen effectieve lobby en advocacy. Het is een onbewezen stelling dat het zich voegen in het koor per definitie betekenisvol is in het verwezenlijken van de doelstelling.

Lobby en Advocacy hebben daarnaast in toenemende mate last van de groeiende aversie in ontwikkelingslanden tegen westerse invloed op hun beleid. De vanzelfsprekende plaats van westerse maatschappelijke organisatie en denktanks in de discussie over het beleid van ontwikkelingslanden wordt steeds vaker betwist. Dat ondermijnt de aanname dat lobby en advocacy vanuit westerse organisaties effectieve kanalen zijn om verandering tot stand te brengen. Ook lokale organisaties hebben er last van in zoverre zij steun voor hun werk krijgen vanuit het Westen. Overheden (Ethiopie, Rwanda) richten steeds vaker wetgeving in die organisaties in hun kritische rol naar overheden beperkt. Terecht staat dat onderwerp op de politieke agenda, maar het zal hogere eisen stellen aan de strategie van lobby en advocacy om in die context effectief te opereren.

De veranderkracht van service delivery
Goede service delivery draagt bij aan empowerment van armen in hun samenleving en aan het veranderen van maatschappelijke verhoudingen. De RBF-gezondheidsprogramma’s (zie kader 1) geven burgers/patienten zeggingsmacht en zorgen voor een aanzienlijk kleinere afhankelijkheid van zorgverleners en zorginstituties: de klant wordt een beetje koning.  De CMDRR-programma’s  (zie kader 2) geven mensen de instrumenten in handen om zich te wapenen tegen rampen en zorgen versterken de claim-making power bij de lokale overheid. Ze laten zien dat maatschappelijke verhoudingen veranderen als gevolg van de veranderkracht van goed ingerichte dienstverlening: het gaat niet alleen om logistieke distributie van goederen en diensten.

Als kennis macht is, en als geld macht is, dan zijn programma’s op het gebied van onderwijs of microfinanciering mogelijkheden om bij te dragen aan eerlijke machtsverhoudingen. Juist de niet-politieke actoren in de samenleving laten zich aanspreken en meenemen in veranderingen door betere uitvoering van sociale diensten. De directeur van een ziekenhuis of van een bank, het hoofd van een agrarische extension service, de directeur van de waterleiding gaan mee en worden deel van een veranderingsproces wanneer ze verleid kunnen worden om in hun dienstverlening de positie van armen te versterken. Een bottom-up benadering van verandering vraagt om het betrekken van verschillende stakeholders en dat verloopt vaak het meest succesvol via concrete projecten en programma’s. Daar wordt ook bewijsmateriaal verzameld hoe eerlijke maatschappelijke verhoudingen in de praktijk gerealiseerd kunnen worden. Het levert ervaringen uit de praktijk die in het politieke veranderingsproces nodig zijn om te overtuigen.

Uiteindelijk moeten maatschappelijke ontwikkelingen hun beslag krijgen in politieke wet- en regelgeving. Goede services maken politieke verandering niet overbodig: ze vragen uiteindelijk om politieke bevestiging. Goede service delivery programma’s hebben vrijwel altijd een lobby component om de resultaten van hun werk in wet en regelgeving te verankeren en om opschaling ervan mogelijk te maken. Maar de lobby is altijd gebaseerd op de praktijk van het werk en de resultaten die zijn geboekt.

Om de veranderkracht van services te benutten zijn wel een aantal randvoorwaarden noodzakelijk:

-        Haak aan bij lokale organisaties en lokale leiders die zich verantwoordelijk maken voor de uitvoering van de dienstverlening.

-        Heb weet van de maatschappelijke dynamiek en weet hoe veranderingen in de samenleving tot stand komen: going with the grain.[1]

-        Onderbouw de programma’s met een evidence based benadering: organiseer je bewijs in je programma’s en aarzel niet om programma’s bij te stellen. Stel hoge eisen aan je monitoring en evaluatie en richt je niet alleen op output, maar ook op outcome en impact.

-        Investeer in technologische innovatie zodat nieuwe technologie als katalysator van maatschappelijke verandering gaat optreden.

De veranderkracht van lobby en advocacy
Als de veranderkracht van service delivery wordt onderschat, dan wordt die van lobby en advocacy overschat. Juist omdat de komende jaren de vanzelfsprekendheid van lobby en advocacy zal afnemen door toenemende weerstand in ontwikkelingslanden tegen externe lobby-invloed, moeten we hogere eisen stellen aan deze interventies. Ik onderscheid daarbij een aantal succesfactoren:

-        Net als bij goede services delivery: Heb weet van de maatschappelijke dynamiek en weet hoe veranderingen in de samenleving tot stand komen: going with the grain. Vanuit het Noorden blijven we buitenstaanders die intervenieren in een andere context. Dat vraagt zorgvuldigheid en subtiel opspringen met die context.

-        Zorg voor een sterke onderbouwing van je casus. Morele overtuiging of morele verontwaardiging is de drijfveer, niet de boodschap. Weten waar je het over hebt en zorgen dat je data voorhanden hebt is onmisbaar.

-        Mobiliseer public support. Zonder een constituency die je boodschap ondersteunt en gewicht geeft, blijft lobby opgesloten binnen de eigen groep.

De tijd van politieke en beleidsconditionaliteiten loopt op zijn eind. De ‘no strings attached’ benadering van de emerging countries (China, India, Brazilie) versterkt de aversie in landen tegen de traditionele donorstrategie om aan financiele steun een lijstje beleidsvoorwaarden te koppelen. Die ‘no strings attached’ benadering stuit in ons deel van de wereld op verzet omdat we ze zien als een poging om onder een aantal vanzelfsprekendheden op het terrein van rechten (vrouwen, etnische minderheden, sexuele minderheden) en good governance (transparantie, rule of law) uit te komen. Ik ben minder pessimistisch op dat punt. Het is niet zo dat deze onderwerpen afhankelijk zijn van externe westerse aandacht: overal in de wereld worden mensenrechten en good governance herkend als te verdedigen en te versterken waarden. Onze agenda is niet anders dan die van veel inwoners van Afghanistan. Sudan of Guatemala. De realiteit is dat zij niet zomaar dezelfde sociale en institutionele vormgeving zullen overnemen die wij er in de seculiere westerse samenleving voor hebben ontwikkeld. De vraag is hoe we nieuwe vormen vinden, buiten de strategie van beleidsconditionaliteiten, om de bewegingen ronden mensenrechten en good governance te steunen als gedeelde, maar niet uniforme agenda.

Soms lijkt de verhouding van westerse donorlanden tot ontwikkelingslanden op die van ouders en kinderen. De kinderen die vroeger als vanzelfsprekend zich voegden in de lijn en richtlijnen van de ouders, zijn inmiddels jong volwassenen geworden. En terwijl de ouders nog steeds ervan overtuigd zijn dat zij, met hun levenservaring, weten wat goed is voor hun kinderen en welke wegen ze wel en niet moeten gaan, gaan de kinderen hun eigen wegen, maken fouten en leren. En één ding is zeker: de kinderen worden geen duplicaten van hun ouders. De jong volwassenen zijn ook meer geinteresseerd in de meningen en opvattingen van hun peers dan in die van hun ouders. Wij als ouders vinden dat gedrag onverantwoord omdat het schadelijk is en levens kost. En elke ouder maakt het proces door van het vinden van een nieuwe relatie met zijn kinderen in de fasen van (jong)volwassenheid, waarin ervaringen en adviezen opnieuw relevant worden, maar in een geheel; andere relatie komen te staan.

Tot slot
De valse tegenstelling tussen service delivery en lobby en advocacy is de weerslag van simplistisch en één dimensionaal kijken naar ontwikkeling. De complexiteit van maatschappelijke veranderingen, zeker als het gaat om samenlevingen waar we als buitenstaanders bij betrokken zijn, moet ons op voorhand voorzichtig stemmen. Uiteindelijk gaat het bij beide interventies om het realiseren van maatschappelijke veranderingen die de positie versterkt van wie arm en buitengesloten zijn. Om dat te bereiken zijn complexe veranderingsprocessen nodig die verschillende stakeholders betrekken en waarbij uitgekiende bottom-up en top-down strategieën nodig zijn. Onderschatting van het veranderpotentieel van goede dienstverlening en overschatting van lobby en advocacy zetten ons op het verkeerde been als we zicht willen krijgen op de betekenis van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking. Tegen de achtergrond van de veranderende relatie tussen de landen van Noord en Zuid en van de zuidelijke landen onderling, is het tijd oude interventieconcepten te herzien en valse tegenstellingen los te laten.



[1] Going with the grain van David Booth