2005 Een nieuwe paus voor een nieuwe wereld

Een nieuwe paus voor een nieuwe wereld.

De kardinalen bereiden zich voor op het conclaaf en de lijstjes van kanshebbers wekken de indruk wekken dat ook in de kerk, net als in de televisiedemocratie, de personen het belangrijkste. Als de meest geglobaliseerde organisatie – en dat is ze al sinds eeuwen – heeft de Rooms Katholieke Kerk een bijzondere rol in die globaliserende wereld. Johannes Paulus II heeft met zijn reizen naar alle continenten de ontwikkelingslanden een veel zichtbaardere plaats gegeven in de kerk. En met zijn interreligieuze contacten heeft hij de bijgedragen aan een betere verhouding tussen de wereldgodsdiensten. In het voetspoor van die erfenis zullen de kerk en een nieuwe paus vervolgstappen moeten zetten.

De eerste betreft de globalisering en de kloof tussen arm en rijk. De millenium development goals zijn in 2005 nog nauwelijks opgeschoten en zonder aanzienlijk grotere inspanningen van rijke én arme landen is er geen perspectief. Door haar aanwezigheid in Noord en Zuid en haar positie als morele autoriteit heeft de kerk een verantwoordelijkheid om zich uit te spreken over datgene wat nodig is om de kloof te dichten. Dat vraagt om concrete standpuntbepaling. In de rijke landen is er grote druk nodig om landen te brengen tot de toegezegde 0,7% van het nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking. Het Sachs-rapport toont opnieuw aan dat we de kloof voor een aanzienlijk deel kunnen dichten als landen doen wat is afgesproken en beloofd.

Ten aanzien van het onteikkelingsvraagstuk zou de kerk de moed moeten tonen om het probleem van ontwikkelingslanden niet langer te definiëren als een armoedeprobleem. Het wordt steeds duidelijker dat de rijkdom het grote probleem is. Daar ligt de wortel van groeiende ongelijkheid tussen landen en binnen landen. Verdediging en vergroting van rijkdom leidt ertoe dat grondstoffen voor een appel en een ei uit Afrika worden geroofd. De rijkdom zorgt er ook voor dat landen in Centraal-Amerika fungeren als een uitzendbureau van goedkope arbeidskrachten voor de Verenigde Staten. Die omkering van de probleemstelling is ook nodig omdat de wereld niet in staat is al haar inwoners een Westerse levensstijl aan te bieden. De uitputting van grondstoffen en de vervuiling (met als gevolg klimaatveradering en opwarming van de aarde) zullen de aarde op korte termijn onleefbaar maken. Haar geloof in de Schepper  maakt dat de kerk haar zorg om de schepping om moet zetten in veel concretere stellingsnames over de onmogelijkheid van de rijkdom.

De kerk heeft niet alleen een rol te spelen in de rijke landen. Ook in de ontwikkelingslanden zelf is er grote behoefte aan een sterkere rol van de kerk als hoeder van menselijke waardigheid. Teveel landen gaan gebukt onder corruptie en cliëntelisme. Een duidelijk stem van de kerk tegen die praktijken is niet alleen gelegitimeerd op grond van haar morele gezag, maar ook op grond van haar feitelijke inzet voor ontwikkeling. In grote delen van Afrika en Latijns-Amerika is de kerk de belangrijkste dienstverlener op het terrein van gezondheidszorg en onderwijs. In Azië, waar de kerk getalsmatig een kleine minderheid vertegenwoordigt, is een aanzienlijk deel van nationale leiders gevormd op katholieke scholen en universiteiten. Die feitelijke inzet voor ontwikkeling legitimeert een concreet spreken over de dagelijkse werkelijkheid. De Angolese bisschoppen doen dat als het gaat over de wijze waarop oliewinsten worden gebruikt, c.q. verdwijnen. De Congolese bisschoppen doen dat met betrekking tot de slachtpartijen en verkrachtingen in het oosten van hun land. Bisschop Pius Ncube in Zimbabwe gaat openlijk de confrintatie aan met Mugabe. De ervaringen van de kerk in Latijns-Amerika en Azië (Chili, Argentinië, El Salvador, de Filippijnen) en de rol van Johannes Paulus II zelf met betrekkimng tot de ontvoogding van Oost-Europa hebben laten zien dat die rol geloofwaardig en effectief gespeeld kan worden zonder in het drijfzand van partijpolitieke machinaties terecht te komen. De kerk spreekt en handelt in de geschiedenis, niet in een a-histoprische eigen werkelijkheid. Een dergelijke positionering van de kerk vraagt wel een veel sterker decentrale structuur met ruimte voor nationale en regionale bisschoppenconferenties om zich uit te spreken over de eigen werkelijkheid. Een wereldkerk die relevant wil zijn in de geschiedenis van mensen kan het niet af met éénvormige antwoorden die centraal worden vastgesteld.

In een dergelijke zorg om rechtvaardigheid en menselijke waardigheid zal de kerk het bevolkingsvraagstuk opnieuw onder de loep moeten nemen. De bevolkingsdruk in relatie tot schaarse hulpbronnen (zie de crisis in Soedan) is te vaak oorzaak van conflicten en menselijk lijden. Ouders zijn te vaak niet in staat hun kinderen voldoende te voeden, gezond te houden en een opleiding te geven. De kindersterfte die volgens de laatste cijfers van de VN weer stijgt is daarbij een niet te negeren signaal. De positie van vrouwen, die zo vitaal is voor effectieve ontwikkeling, krijgt overal een impuls als het aantal geboortes afneemt. Ook een ontwikkelingsorganisatie die zijn eigen vak én zijn verbondenheid met de katholieke wereldgemeenschap serieus neemt, kan niet om die werkelijkheid, en dus om de noodzaak van geboorteregeling als onderdeel van een ontwikkelingsagenda heen. Het vastzittende kerkelijk spreken over het bevolkingsvraagstuk moet opnieuw op de agenda om het dichten van de kloof tussen arm en rijk dichterbij te brengen.

Dat alles zal alleen effectief zijn als de kerk een theologie van de inclusiviteit ontwikkeld. Onze westerse samenleving is steeds meer gebouwd op uitsluitingsmechanismen. Kijk hoe we in nederland omgaan met asielzoekers, met migranten, kijk hoe de globalisering op wereldschaal miljarden mensen in de zijlijn plaatst. Ze kunnen niet meedoen en leven van de kruimels van de tafel. De katholieke kerk met haar wereldwijde netwerk en haar ervaring van zowel meerderheids- (Latijns-Amerika, Zuid-Europa) als minderheidsgemeenschap (Azië, Midden-Oosten), heeft een geweldige potentie om een boodschap van insluiting te presenteren. In een dergelijke boodschap moet de toenadering van Johannes Paulus II tot de wereldgodsdiensten een vertaling krijgen die in het hart van het katholieke denken en handelen geworteld is. De cultuurkritische rol van de kerk zou zich meer moeten richten op de uitsluitingscultuur van de rijkdom.

De kerk heeft daarbij niet alleen een boodschap voor de wereld, maar ook voor zichzelf. De kerk is geen societas perfecta, maar een societas peccata: ze is niet volmaakt, ze leeft zelf in zonde. Er is weinig reden tot triomfalisme met het evangelie van de gerechtigheid in de hand. De discussie over het dichten van de kloof tussen rijk en arm, over rijkdom als het probleem en over uitsluiting moet ook binnen eigen kring gevoerd worden wil ze naar buiten toe geloofwaardig zijn.

Tijdens een ontmoeting met Kardinaal Rodriguez van Honduras (ook iemand van ‘het lijstje’) vroeg ik hem naar het antwoord van de katholieke kerk op de sterke groei van evangelische kerken in Latijns Amerika. Hij antwoordde dat de kerk zich niet in hetzelfde spoor moet begeven. Ons antwoord blijft een evagelische inzet voor gerechtigheid, voor eerlijk delen tussen arm en rijk in de directe dagelijkse werkelijkheid van mensen. Met die agenda in het hoofd is er alle reden om te hopen op een paus die de historische werkelijkheid van vandaag verstaat en die dan dus bij voorkeur uit  Afrika, Azië of Latijns-Amnerika komt.