2005 Kerk en Wereld

Kerk en Wereld: engagement en diversiteit

Het overlijden van Johannes Paulus II en het aantreden van zijn opvolger beheersten wekenlang het nieuws. Miljoenen mensen kwamen overal in de wereld bij elkaar om het verdriet daarover met elkaar te delen en elkaar te troosten. Drie miljoen mensen, waaronder veel jongeren en jong volwassenen,  trokken naar Rome voor zijn begrafenis. In de Verenigde Staten van George W. Bush is de invloed van christelijke stromingen op het beleid voortdurend zichtbaar. In eigen land is het voortschrijdende proces van secularisatie ruw doorbroken door de zichtbaarheid van het moslimfundamentalisme als politieke beweging.

We worden ons er meer van bewust dat West-Europa, waar kerk en godsdienst langzamerhand in de zijlijn en achter de voordeur zijn beland, een uitzondering is in een wereld waar voor veel mensen God en Goden deel zijn van hun dagelijkse werkelijkheid. Schoorvoetend en nog wat onwennig erkent de West-Europese samenleving dat ze te snel en te gemakkelijk bij het oud vuil zijn gezet en dat we te gemakkelijk dachten in staat te zijn om de wereld en alles wat zich daarin voordoet te interpreteren en te verklaren vanuit zichzelf, vanuit de eigen wetmatigheid.

Dat schept nieuwe ruimte en mogelijkheden voor religies en kerken om een betekenisvolle rol te spelen en bij te dragen aan de richting waarin de samenleving zich ontwikkeld. Het benutten van die ruimte gebeurt nog niet al te succesvol. Begin 2005 publiceerde Trouw, bij de start van haar nieuwe tabloid-formaat, een onderzoek naar de mate waarin mensen vertrouwen op de verschillende bronnen van informatie. Daaruit bleek dat de kerk laag geplaatst wordt op de rij van gezagvolle instituten waaraan mensen vertrouwen schenken als het gaat om informatie en meningsvorming. Onder de verzamelnaam religieuze instellingen heeft 35% ‘een redelijk vertrouwen als het gaat om informatievoorziening’ van deze religieuze instituten. Uit een totaal van vijftien sectoren staan ze op de twaalfde plaats. Ze staan na de media (radio, tv pers) na de politie en liefdadigheidsorganisaties, na de vakbonden, na de regering. Ze boezemen evenveel vertrouwen in als de Europese Unie en laten alleen de grote bedrijven en de politieke partijen achter zich.

En de onderzoeken naar de kerkelijke betrokkenheid van Nederlanders laat onmiskenbaar zien dat de dalende trend zich voortzet en ook in de komende jaren voort zal zetten. Het sociaal en Cultureel Planbureau doet in haar onderzoek ‘Secularisatie in de jaren negentig’ een voorspelling over de ontwikkeling van het draagvlak van de verschillende kerkelijke gezindten. Bij het katholieke bevolkingsaandeel verwachte het SCP een teruggang van 17% in 2000 naar 13 % in 2010 (in 1995 19%). De regelmatige kerkgang van die 13% zal in 2010 een verdere teruggang te zien geven. In dat jaar zal 12% een geregeld praktiseren tegenover 20% in 2000 en 28% in 1995. Als die twee gegevens gecombineerd worden zal het aantal geregeld praktiserende katholieken als aandeel van de totale bevolking dalen van 4,76% naar 1,56%.

In katholiek Nederland, maar niet alleen hier, hebben de laatste vijf en dertig jaar in het teken gestaan van het conflict tussen ‘progressief’ en ‘conservatief’. Deze begrippen hebben langzamerhand hun zin en betekenis verloren. Nog belangrijker, ze hebben niet bijgedragen aan de ontwikkeling van de katholieke kerk in Nederland. Een terugblik op veertig jaar kerkelijke ontwikkeling kan niet om de conclusie heen dat bede groepen niet in staat zijn geweest om de begin jaren zestig bestaande vitaliteit van de katholieke kerk te bewaren en te transformeren in een tijd van grote maatschappelijke veranderingen. Het project van de vernieuwingsbeweging van de jaren zestig en zeventig is grotendeels mislukt. Niet alleen in het kerkelijk leven, ook in de samenleving als geheel hebben de concepten van de protestgeneratie geen stand gehouden als stevige pijlers onder de samenleving. Tolerantie heeft de gestalte van onverschilligheid en wegkijken aangenomen en inspraak heeft geleid tot een steeds vager besef van maatschappelijke en persoonlijke verantwoordelijkheid: als iedereen medeverantwoordelijk is, is ook iedereen gerechtigd om verantwoordelijkheden door en weg te schuiven. In het kerkelijk domein zijn ten aanzien van de grote strijdpunten (rol van de leken, celibaat, positie van de vrouw) geen vorderingen gemaakt en de vernieuwingsbeweging is niet in staat gebleken om brede groepen blijvend bij de kerk te betrekken. De hoge inzet heeft geleid tot diepe teleurstelling en het vertrek van grote groepen uit de kerk. Tegelijkertijd zou je de winst die de traditionele groepen hebben behaald dor het blokkeren van de vernieuwingsagenda van de jaren zestig, kunnen karakteriseren als een Pyrrusoverwinning. Hun trouw aan de gevestigde structuur en cultuur van de kerk heeft niet geleid tot een nieuwe aantrekkingskracht op de kerk. De onstuitbare teruggang van het aantal actieve kerkleden is niet gestopt en de gemiddelde leeftijd van pastores en lekenkader neemt steeds verder toe. Daarnaast kan ik niet anders dan constateren dat de kerk ook flink heeft ingeboet aan haar contacten met de samenleving. Politieke partijen, vakbonden, onderzoek  en kennisinstituten hechten weinig waarde aan de inbreng van de kerk of maken er selectief gebruik van. Omgekeerd weet de kerk maatschappelijke organisaties niet uit te dagen met haar vragen of dilemma’s. Natuurlijk zijn er her en der kleine tekenen van herstelzichtbaar in met nieuwe kerkelijke organisaties van met name jongeren en in nieuwe wijdingen. De Wereld Jongeren Dagen in Keulen waren daarvan een zichtbaar teken. Ik heb zelf een deel van die dagen meegemaakt en was onder de ondruk van de persoonlijke devotie van sommige jongeren en de enthousiaste toewijding aan hun geloof. Deze bewegingen missen echter kritische massa: deels in kwantitatieve zin, deels ook in kwalitatieve zin omdat deze bewegingen geen nieuwe verbindingen creëren met de veranderde samenleving.

Het conflict tussen ‘progressieven’ en ‘conservatieven’ in de kerk heeft tot een duurzame verlamming in de Nederlandse kerk geleid. Van beiden is geen nieuw en uitdagend antwoord gekomen op de uitdagingen van de moderne samenleving.

Het is daarom tijd voor een nieuw project binnen de katholieke gemeenschap in Nederland dat wars is van aanspraken op eigen gelijk, maar vertrekt vanuit de constatering dat de interne discussie in de kerk ons geen nieuwe verbinding met de samenleving heeft opgeleverd. En het is juist die externe urgentie die vraagt om een nieuw engagement.

Ik beperk mij in deze bijdrage tot de Rooms-Katholieke Kerk. En dan ook nog vooral tot die in Nederland.  Het is aan anderen om te bepalen of diezelfde situatie zich voordoet in andere landen van West-Europa of in andere kerken. Het proces van marginalisering lijkt zozeer geinternaliseerd te zijn dat de kerk langzamerhand is gaan geloven in het beeld dat de buitenwereld van haar heeft opgehangen: een irrelevant instituut, gepreoccupeerd met vragen van sexuele moraal, opgesloten in haar eigen denkkaders. Waarbij dat oordeel van irrelevantie door ‘de wereld’ voor velen tot een geuzenkenmerk is geworden en een bevestiging van het uitverkoren zijn.

Er is alle reden om dat proces om te draaien. Om het in bijbelse beelden te zijn: de velden staan vol voor de oogst, maar vanuit het huidige denken over kerk en wereld is er geen schijn van kans dat we in staat zijn de oogst binnen te halen. En dat is zonde, in tweeledige betekenis. Zonde omdat we kansen laten liggen om betekenis en positie te versterken. Zonde in de theologische betekenis: het is een zonde van nalatigheid dat we als kerken geen antwoord geven aan de wereld die op zoek is naar richting, naar betekenis en waarden.

Deze bijdrage probeert in het eerste deel te analyseren hoe we in de huidige situatie terecht zijn gekomen: welke processen hebben daartoe bijgedragen, welke beelden van kerk en wereld zijn daarvoor verantwoordelijk. Het tweede deel gaat over de vraag waar de veranderingen zich moeten voltrekken en wat daarvoor nodig is. Marx zei het al: het gaat er niet om de wereld te analyseren, maar om haar te veranderen.

De verdorven West-Europese cultuur
Hoe vaak praten de Nederlandse bisschoppen anno 2005 nog met de politieke partijen, de vakbeweging, werkgevers, hoofdredacteuren van media? Hoe vaak vinden die gesprekken nog plaats op lokaal niveau tussen pastores en lokale maatschappelijke organisaties? In veertig jaar tijd is de verwijdering vrijwel definitief geworden en is erover en weer een gevoel van marginalisering en irrelevantie gegroeid.

De basis voor dat afstandelijke ligt diep in de kerkgeschiedenis. In de vijfde eeuw na Christus schrijft Augustinus zijn ‘De civitate Dei’ / ‘De stad Gods’, waarin hij een scherp onderscheid vaststelt tussen de stad van de mensen als een stad die onderworpen is aan de zonde en de stad van God, die leeft vanuit de verlossing in Jezus Christus. Het is voor hem niet het onderscheid tussen hemel en aarde. Ook de gevallen engelen maken deel uit van de gevallen stad, en de gelovigen die zich tot Christus hebben bekeerd maken reeds deel uit van de stad van God. In zijn onvermoeibare zoektocht naar de oorsprong van het kwaad en naar de vraag hoe het kwaad overwonnen kon worden, paste het in zijn wereldbeeld om de werelden van goed en kwaad scherp tegenover elkaar te stellen. Augustinus leeft in een grenstijd: de kerk is nog niet de alom dominante geestelijk leider van de West-Europese wereld. Voortdurend steken de oude krachten van het Romeinse veelgodendom de kop op en soms sluit dit traditionele geloof allianties met ketterse stromingen. Er is hem alles aan gelegen om in die tijd een helder onderscheid  te scheppen tussen geredden en verdoemden. Als kort daarna het christendom de overheersende godsdienst wordt en steeds zichtbaarder de verbinding met de macht aangaat, wordt de dichotomie van Augustinus minder functioneel.

Het lijkt erop dat deze tegenstelling tussen de verdorven wereld van de zonde en de wereld van de verlosten het dominante paradigma is geworden van de West-Europese kerk. En daarbij is de kerk de kampioen van deze ‘Stad Gods’ en daarmee een baken voor al degenen die zich afkeren van de zondige wereld.

De kritiek van de kerk op de West-Europese cultuur is de laatste jaren steeds massiever geworden. In de beelden van de vorige en de huidige paus is de westerse wereld zielloos geworden, alleen gericht op materialistisch gewin, een hedonistische cultuur die het eigen plezier zoekt. In zijn toespraak tijdens de mis daags voor het begin van het conclaaf kritiseerde de paus de westerse cultuur, waarin de ultieme waarheden van het evangelie te grabbel werden gegooid en ingeruild voor een vaag relativisme dat een veelheid van overtuigingen en meningen naast elkaar accepteert.

Die kritiek is niet zonder grond. De economisering van het denken waarin alles herleid wordt tot financieel winst en verlies is overal zichtbaar. Veertig jaar geleden waren de beursberichten voor een kleine groep, nu zijn ze vast onderdeel van de journaals. Het is vast ook te duiden als democratisering van de economie, maar die democratisering heeft er dan in ieder geval ook voor gezorgd dat voor velen voldoende geld (en liefst nog wat meer) een vanzelfsprekende en onmisbare randvoorwaarde is om gelukkig te zijn. Als de econonomie de alpha en de omega is van het bestaan is er weinig ruimte meer voor spiritualiteit, voor waarden en bezieling.

De kritiek op de westerse hebzucht is ook vanuit mondiaal perspectief terecht. De westerse wereld eigent zich op grond van haar economische macht een groot deel van de grondstoffen op de wereld toe. Op een schaamteloze manier wordt de wereld leeggeroofd zonder dat er sprake is van een eerlijke ruil. De olie uit Nigeria en Angola, de diamanten uit Liberia en de coltan uit Oost-Congo dienen westerse belangen maar leiden niet tot een beter en menswaardiger bestaan voor de lokale bevolking. Waarden als rechtvaardigheid leggen het af tegen simpel economisch (eigen)belang.

Er is dus alle reden voor kritiek op de West-Europese / Westerse cultuur. Het eerder gesignaleerde vastlopen van het vernieuwingsproject van de jaren zestig heeft ook een einde gemaakt aan een positief mensbeeld, waarin ruimte voor eigen ontplooiing en individuele opvattingen als vanzelfsprekend zou leiden tot een betere en aangenamere wereld. De wereld is er niet beter en aangenamer op geworden. Vanuit gelovig perspectief zijn we opnieuw met onze neus gedrukt op het feit van de zondigheid van ons mensen  (individueel en collectief). Steeds vaker zeggen we non-verbaal ‘Ben ik mijn broeders hoeder’ en lappen we de tien geboden van Mozes en het dubbelgebod van de liefde aan onze laars. We trekken ons terug op ons eigen domein en proberen onze angst en onzekerheid te bezweren achter gated communities en massieve fourwheel drives. Het hernieuwde besef van individuele en collectieve zondigheid maakt ons opnieuw aangewezen op verlossing. De wijze waarop we omgaan met dat hernieuwde besef van zondigheid is wat mij betreft cruciaal voor de toekomst.

Het is echter de antagonistische benadering van de slechte en de goede wereld, die de kritiek van de kerk van haar impact berooft. Door zich te verschansen in haar eigen wereldbeeld, staat de kerk in de zijlijn en heft het vingertje. Ze maakt duidelijk dat zij geen deel is van die verdorven wereld. Integendeel: bij haar is de oplossing te vinden. Ik ben ervan overtuigd dat de kerk zich met die houding buitenspel zet. Om het anders te zeggen: de kerk zal geen deel van  de oplossing zijn, zolang ze geen deel van het probleem wil zijn, d.w.z. zolang ze niet voluit erkent dat ze midden in deze wereld staat en dus de problemen van deze wereld als haar eigen problemen beschouwt. Tijdens een Cordaid-conferentie in mei 2004 zei de theoloog Anda Mcdonald het zo: als de wereld lijdt aan Aids, dan lijdt de kerk aan aids. Een kerk die zichzelf als deel van de wereld ziet, kan niet de pretentie staande houden dat de problemen van de wereld haar niet treffen.

De kritiek op de westerse cultuur vraagt om een veel grondiger doordenken van de rol van kerk en christendom in de westerse cultuur. De westerse cultuur van renaissance en humanisme is ten diepste een christelijke cultuur, waarin de kerk een centrale rol speelde in het tot bloei brengen van wetenschap en cultuur. Wie de franse kathedralen beschouwt, de Sint Pieter en kunstschatten van het vaticaan, de bloei van wetenschap aan universiteiten en in kloosterorden, realiseert zich hoezeer christendom en kerk de van mooier, groter, hoger gevoed hebben. Het expansionistische denken dat zo duidelijk zichtbaar is in de westerse cultuur, heeft diepe wortels in het christendom. De geschiedenis van de kolonialisme is één lange uiting van expansionistisch denken, gevoed door de West-Europese cultuur. Max Weber met zijn these over de verbinding tussen het kapitalisme en het protestantisme is een ander spoor dat duidelijk maakt dat kerk en christendom deel zijn van het probleem waarmee de westerse cutluur op dit moment worstelt. De stelling dat dit streven naar mooier, hoger en groter tot doel had God te eren, miskent de autonome betekenis en doorwerking van processen.

Onze wereld heeft een dynamische en innovatieve cultuur nodig om de grote vraagstukken op te lossen. Het moet beter en slimmer om de grote milieu-vraagstukken op te lossen. Het is een illusie te pleiten voor stilstand van technologische ontwikkeling en voor een nostalgisch verlangen naar een romantisch ‘vroeger’. Dat is het beste recept voor onbeheersbare spanningen tussen volkeren. Een stilstand scenario zal vooral leiden tot een grotere neiging tot defensief denken en handelen van het westen om tenminste haar huidige welvaart te behouden. Een stilstandscenario zal niet bijdragen aan het oplossen van de armoede en de ongelijkheid in de wereld.

Het gaat zeker ook om vraagstukken als de grenzen van de groei, om beperking van de alsmaar groeiende behoefte aan consumptie. Als de hele wereld op hetzelfde welvaarts – en consumptieniveau zou willen leven als de inwoner van West-Europa zouden we tenminste vier aardbollen nodig hebben om ons te voorzien van grondstoffen, water en landbouwgrond. De discussie over grenzen aan consumptie is iets anders dan te streven naar een cultuur die in innovatieve zin tot stilstand komt. In die zin is de westerse cultuur deel van het probleem, maar tegelijk ook onmisbaar deel van de oplossing.

In haar kritiek op de westerse cultuur verliest de kerk de band met de mensen die in de westerse cultuur leven. Zij voelen zich niet aangesproken door het beeld van een verdorven cultuur. Ook als ze die dingen doen die de kerk veroordeelt: gewone mensen scheiden van hun huwelijkspartner, ze sluiten een homo-huwelijk, ze zijn kien op hun volgende vakantie of een grotere auto. Maar zij voelen zich niet als degene die door hun gedrag en keuzen die verderfelijke cultuur van het westen vorm geven en in stand houden. Er is sprake van een groeiende kloof tussen het individu en de samenleving. Het recente onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau naar de sociale staat van het land brengt dat nog weer eens treffend in beeld: de Nederlander is gemiddeld tevreden over zijn eigen leven, maar ontevreden over de samenleving. Er lijkt sprake te zijn van een proces van terugtrekking in het eigen domein van werk, vriendenkring, familie.  Met de beschikbare middelen voor ontspanning en reizen kan men zich wel voelen en de boze buitenwereld buitensluiten. Er ontstaat geen nieuw engagement, er is sprake van een ontlopen van verantwoordelijkheden en van inzet van eigen mogelijkheden ten behoeve van het collectief. Met die gescheiden werelden voelt men zich niet aangesproken door de cultuurkritiek van de kerk: die gaat over de boze buitenwereld, niet over hun individuele sociale leefruimte. Ook katholieken horen de kritiek van de kerk en denken dat het over iets buiten hen gaat of in ieder geval over andere mensen dan zijzel

Toch is er in de onderstroom van de samenleving wel het besef dat we misschien niet op het goede spoor zitten. Uit het ’21 minuten.nl’ onderzoek van McKinsey, waaraan 150.000 Nederlanders deelnamen. Dat onderzoek bracht opvallende kloven aan het licht tussen de richting waarin we ons begeven in de dagelijkse werkelijkheid van politiek en economie en dat wat mensen ‘eigenlijk’zouden willen. Uit dat onderzoek blijkt dat mensen meer waarde hechten aan solidariteit en zorg voor elkaar en dat de richting van meer concurrentie en ‘ieder voor zich’ niet het gedroomde toekomstideaal is van brede lagen in de bevolking. De onderzoekers benoemen het als kiezen voor solidariteit en kwaliteit van het bestaan. En er is grote zorg over de toekomst. Terwijl nu 55% zegt (zeer) gelukkig te zijn, verwachten Nederlanders dat van de volgende generatie nog maar 29% dat zal zeggen: bijna een halvering. Ook karakteriseert bijna drie-kwart van de deelnemers onze huidige samenleving als brutaal, terwijl men zou willen dat we met zijn allen wat bescheidener zouden zijn.

Dergelijke onderzoeken geven niet de ultieme mening weer van Nederlanders (beperkingen in representativiteit, sociaal wenselijkheid van antwoorden), maar ze reflecteren in ieder geval de onderstroom van verlangen, van angst en verwachting.

Die zoektocht naar waarden en naar zingeving is breed voelbaar. Bij beleidsmakers en managers groeit het besef dat de echte vragen van de samenleving niet worden opgelost met een nieuwe benchmark, een nieuw kwaliteitssysteem, een nieuwe set van regels voor registratie en verantwoording. En toch komen we niet op een ander spoor. Voor elk opduikend probleem verzinnen  we een nieuwe set van regels en registratie, vertrouwend op de mogelijkheden van de digitale techniek om alles wat we willen ook mogelijk te maken. Het debat over normen en waarden komt niet verder dan ‘huis  tuin en keuken’-  fatsoen en verzandt in discussie over nieuwe gedragsregels in het publieke domein, waardoor we terug zijn bij meer van hetzelfde.

Kerk en samenleving zitten in hetzelfde schuitje: er is een breed besef dat we misschien niet de goede richting op gaan, dat we ons moeten ontworstelen aan een technocratische, kwantitatieve cultuur, dat we een centralere plaats moeten inruimen voor waarden in onze samenleving. Beide, kerk en samenleving, weten ook niet hoe we de koers verleggen, hoe we het vraagstuk van de cultuur tot een vraagstuk van mensen maken en hoe we opvatting, houding en gedrag beïnvloeden.

De kerk als waardengemeenschap slaagt er niet in zich te verbinden met deze maatschappelijke vraagstukken. Juist als vertolker van de evangelische waarden van barmhartigheid en gerechtigheid (Lucas 4) zou ze een bondgenoot kunnen zijn in de zoektocht van de samenleving. Maar zij kiest ervoor in de zijlijn te blijven staan.  Het zwarte beeld over de westerse cultuur als zielloos, technocratisch en hebzuchtig -materialistisch wordt vervolgens vertaald in een set van nieuwe (oude) gedragsregels die vooral het privé-domein van het leven raken. Ongetwijfeld gaat die gedachte uit van de aanname dat de samenleving bestaat uit individuen en dat beïnvloeden van het moreel gedrag van individuen leidt tot een betere samenleving (‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’). Die benadering gaat voorbij de hierboven geconstateerde kloof tussen individu en samenleving en miskent de autonome dynamiek die maatschappelijke processen hebben.

De scherpe tegenstelling die de kerk construeert tussen de zondige wereld (civitas terrena) en haar eigen deel zijn van de gemeenschap van verlosten (civitas dei), leidt ertoe dat de kerk zich in een positie van zelfgekozen marginalisering manoeuvreert en zich presenteert als een enclave van moraliteit in een steeds verder afglijdende wereld. Daarmee versterkt ze ook de opvatting van individuen die hun eigen privé wereld van familie, vrienden en werk construeren als een enclave in een onrechtvaardige en onveilige wereld. Dat denken legitimeert in zekere zin de vorming van gated communities, waar mensen achter hekwerken en bewaking hun aangename leven leiden, niet bezoedeld door de boze buitenwereld.

Er is grote behoefte aan een kerk die niet in de zijlijn gaat staan, maar zich in het hart van de samenleving plaatst en zich engageert. De kerk zou haar rol als gesprekspartners van de samenleving in een gezamenlijke zoektocht opnieuw moeten opnemen. In dat verband is het relevant terug te grijpen op het initiatief van een aantal Duitse bisschoppen na het aannemen van de abortuswetgeving. Deze voorzag erin dat vrouwen na aanmelding van hun wens tot abortus een wachttijd in acht moesten nemen en verplicht in gesprek moesten met een adviesinstelling over hun keuze. Enkele Duitse bisschoppen besloten zelf deze adviesinstellingen in te richten om zo met deze vrouwen (en hopelijk ook hun partners) in gesprek te kunnen komen over hun abortuswens en te zien of er alternatieven waren. Onder druk van collega’s en onder ruk van Rome werden deze bisschoppen gedwongen hun adviesinstanties te sluiten omdat ze er – voor zover ze geen abortus konden voorkomen – indirect mee zouden werken aan abortus. Van een positie in het hart van een maatschappelijk vraagstuk en een maatschappelijk debat, verschoof de kerk naar een positie in de zijlijn. Die positie in de zijlijn leidt ertoe dat de kerk niet meer wordt gezien als een relevante actor in maatschappelijke discussies. De samenleving die richting zoekt heeft geen behoefte aan stuurlui aan de wal, maar aan kapiteins op het schip die in stormachtige tijden koers proberen te houden – en daar niet altijd in zullen slagen.

De positie in de zijlijn en de gedachte dat de kerk een enclave is in een overigens zondige wereld, dreigt zich te ontwikkelen in een positionering van de kerk als societas perfecta. Daarvoor is geen reden. De kerk is deel van deze wereld die getekend wordt door genade én door zonde. De geschiedenis van de kerk laat voortdurend die vermenging zien. Paus Johannes Paulus II heeft terecht om vergiffenis gevraagd voor het aandeel van de kerk in de jodenvervolging. De geschiedenis van missie is in zichzelf een verwevenheid van authentieke inzet voor het heil en respectloze omgang met identiteit en cultuur. De huidige crisis als gevolg van seksueel misbruik van priesters kan niet afgedaan worden als individueel falen zonder institutionele wortels. Een heilshistorische doordenking van de rol van de kerk vertrekt vanuit de overtuiging dat Gods genade in deze wereld werkt en zichtbaar is. Wie denkt over de kerk als een enclave van genade in een zondige wereld legt de kiem voor een nieuw denken over de kerk als de gemeenschap van zuivere mensen. Het besef dat de kerk deel is van een zondige werkelijkheid moet de basis zijn van haar kritische boodschap over de westerse cultuur.

Van volkskerk naar theologenkerk
Het is nauwelijks meer dan een generatie geleden dat de katholieke kerk een volkskerk was: elke zondagochtend meerdere missen met elk honderden gelovigen. Een katholieke zuil met dagbladen, omroeporganisatie, vakbeweging, sportbonden, vrouwenverenigingen etc. Inmiddels, zijn we, nauwelijks veertig jaar later, in een andere werkelijkheid terecht gekomen. Parochies fuseren bij gebrek aan gelovigen, de zuil is verdwenen en het aantal priesters en pastores neemt in snel tempo af. We maken van de nood een deugt en roemen dat we van een volkskerk een vrijwilligerskerk zijn geworden en dat katholiek zijn een keuze en een overtuiging is geworden.

Achter die harde werkelijkheid van aanpassing aan nieuwe omstandigheden is er meer aan de hand. De geschiedenis van de kerk vanaf het begin van de vijfde eeuw, toen de kerk zich onder de bescherming van de staat verder kon ontwikkelen, is getekend geweest door het principe van de volkskerk en daarmee door de ambitie om de samenleving als geheel aan te spreken en in te lijven. De massale doop van de Germaanse koningen met duizenden van hun volgelingen vond niet plaats nadat eerst een leerstellige screening had plaatsgevonden. In die lange geschiedenis heeft de kerk in haar verkondiging en in haar boodschap aan de gelovigen gevaren op het kompas van het volksgeloof. Dat volksgeloof was gebaseerd op de essenties van het geloof in God als de Schepper en Heer van het leven, in Jezus Christus in Maria en alle heiligen als middelaar tussen God en mensen en in de Kerk als de zichtbare verbindingsschakel met het goddelijke en als verzekering van het eeuwig leven. Natuurlijk zijn de ingewikkelde theologische onderwerpen aan bod geweest in de verkondiging en het onderricht, maar pastoors en kapelaans hebben zich waarschijnlijk weinig illusies gemaakt over de mate waarin de gelovigen het leerstuk van de transsubstantiatie of van de drieëenheid begrepen (voor zover ze zelf al de theologische redeneringen daarvan begrepen). Horen bij de kerk zoals zich dat uitte in deelname aan de mis, biechten en lidmaatschap van kerkverbonden organisaties was voor hun herderschap een veel belangrijker criterium. In haar strategie heeft de kerk meer waarde gehecht aan het ecclesiologische spoor in vergelijking met het theologische spoor. Het mandement van 1954 is één van de laatste zichtbare tekenen van die zorg om de binding aan de kerkgemeenschap als drijvende kracht bij de disciplinerende interventies van de kerk.

In de afgelopen dertig jaar is de balans aan het verschuiven in de richting van de theologie. We nemen elkaar steeds meer de maat voor het horen bij de kerk op basis van theologische leerstelligheid. En ook daar spelen de moraaltheologische onderwerpen een grote rol. Onlangs had een pastoor in de voorbereiding van de kerkelijke begrafenis de nabestaanden van te voren de boodschap meegegeven dat al degenen die een abortus hadden ondergaan niet ter communie mochten. Niet alleen werd hier voorbij gegaan aan het kerkelijk denken over zonde en vergeving, het maakt ook duidelijk hoezeer kerkelijke opvattingen expliciet toetssteen werden van deelname aan de eucharistie. Ook de excommunicatie van presidentskandidaat John Kerry op grond van zijn stemgedrag over abortus is een voorbeeld van deze theologisering van het kerkelijk leven.

Daarmee reageert de kerk ook op een proces van democratisering dat zich ten aanzien van kerk en geloven heeft voltrokken. Het Vaticaans Concilie heeft geleid tot een explosie van intensievere betrokkenheid van gelovigen bij het geloof. Het Nederlands pastoraal concilie in Noordwijkerhout is daarvan een eminent (voor sommigen lichtend en voor anderen afschrikwekkend) voorbeeld. Ineens gingen gelovigen zich bemoeien met kerkordelijke en theologische onderwerpen. De oecumene, de intercommunie, het celibaat werden onderwerpen van debat en bleken niet meer het exclusieve domein van bisschoppen, pastoors en theologen. Dat spoor heeft zich de afgelopen decennia verdiept en leidt tot een verscherping van tegenstellingen. De reformatie en de niet aflatende splitsing van kerkgenootschappen, opnieuw zichtbaar bij de vorming van de PKN, mag een waarschuwing zijn voor een verregaande theologisering van het kerkelijk leven. In het geheel van theologische onderwerpen is er voortduren sprake van verschillen van opvattingen.

Deze theologische benadering maakt de kerk niet aantrekkelijk voor buitenstaanders of opnieuw aantrekkelijk voor randkerkelijken. De respons die Johannes Paulus II opriep bij jongeren was niet gebaseerd op enthousiasme voor zijn dogmatisch-theologische of moraaltheologische opvattingen. Wie kijkt naar het geboortecijfer in Polen en Italië kan niets anders dan tot de conclusie komen dat veel van zijn enthousiaste aanhangers hem niet in al zijn opvattingen steunen. Zijn aantrekkingskracht zat in zijn dynamiek, zijn vermogen om jongeren een aantrekkelijk toekomstperspectief van hoop en bezieling mee te geven. Hij was bovendien, in een tijdsgewricht van filmdiva’s, popsterren  en voetbalsterren, een echte superstar in uitstraling, gebaren, dramatiek.

Een vergelijkbaar beeld komt ook boven bij de deelnemers aan de wereld jongerendagen. De aantrekkingskracht daarvan zit in de saamhorigheid, de bezieling, de ontmoeting met zoveel anderen vanuit zoveel verschillende landen.

De groeiende tendens om elkaar de maat te nemen op theologische (moraal en dogmatiek) onderwerpen geeft velen het gevoel niet meer welkom te zijn. Of misschien beter: ze krijgen de indruk dat ze het verkeerde toegangskaartje bij zich hebben. Niet hun geraakt zijn door het evangelie, hun bezieling en inzet voor christelijke waarden blijken de verbindende schakel te zijn, maar opvattingen en praktijk ten aanzien van seksualiteit.  Afscheid nemen van de volkskerk is onontkoombaar vanuit kwantitatief oogpunt. De deelname van mensen aan het kerkelijk gebeuren loopt nog steeds achteruit, de zichtbaarheid van de kerk neemt af en de impact van de kerk op de samenleving is steeds minder voelbaar. Maar die kwantitatieve achteruitgang zou niet mogen leiden tot een afscheid van de volkskerk als ambitie: de kerk moet ambitie hebben om brede lagen van de bevolking aan te spreken. De boodschap van Jezus aan de apostelen om alle volkeren te onderrichten en de constatering dat ‘de velden rijp staan van de oogst’ moeten de kerk ervoor behoeden tevreden te zijn met een kleine kerk. Van tijd tot tijd klinkt ook in ons land de opvatting door dat we blijer moeten zijn met een kleine, zuivere kerk dan met een grote, verontreinigde kerk. Die opvatting is gevaarlijk. Door de hele kerkgeschiedenis heen hebben zich bewegingen voorgedaan van zuiveren. Groepen die pretendeerden een zuiver geloof te hebben, superieur aan het geloof van de katholieke kerk. Terecht heeft de kerk die bewegingen altijd fel bestreden als ketters. Als Augustinus in zijn tijd strijd tegen de ketters van het Donatisme en Pelagianisme is hij zich er goed van bewust dat zijn gelovigen bepaald niet aan de maat zijn van zuiver en godvruchtig gedrag. Maar hij – en de kerk – is ook verantwoordelijk voor deze schare van gewone, middelmatige mensen. Daarbij verwijs ik ook graag terug op Geert Mak, die in zijn boek ‘Europa’ overtuigend laat zien hoezeer het streven naar zuiverheid (het zuivere ras van Nazi-Duitsland, de zuivere natie van Tudjman en Milosevic, het zuivere politiek systeem van Stalin) de belangrijkste bron is van oorlog en uitsluiting. Wie streeft naar een zuiver en lelieblank bestaan, komt uit bij de zwartste kant van mensen en samenlevingen. In haar geloof van het fundamentele menselijke tekort dat tot uitdrukking komt in het besef van de erfzonde, is de kerk ervan overtuigd dat die zuiverheid niet bestaat, dat pausen, bisschoppen, gewone gelovigen ten diepste gebrekkige, zondige mensen zijn en dat er voor onze wereld geen ander perspectief is dan te leven met diversiteit en het dooreen lopen van rassen, culturen en systemen. Onlangs sprak de nieuwe paus kritisch over de succesvolle groei van de kerk in Afrika en de grote toeloop naar de seminaries. Deze roepingen waren voor een deel ook ingegeven door de wens tot een beter leven en het realiseren van groeiende ambities via de kerk. Ik geloof dat ook in de grote toeloop tot de seminaries in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw een flinke vermenging zat van religieuze roeping en de verwachting om via het seminarie en de kerk een goede opleiding en een gerespecteerde maatschappelijke positie te verkrijgen. De middeleeuwse kerk kende een grote schare van bisschoppen, kardinalen en pausen die door meer dan religieuze motieven gedreven werden.

De ambitie om een volkskerk te zijn die brede groepen aanspreekt en die pretendeert in de geest van Jezus Christus een boodschap te hebben voor heel de wereld moet opnieuw centraal staan in de relatie van de kerk tot de wereld. Daarin hoort de eerste vraag niet te zijn of men zich conformeert aan theologische opvatting, maar of men geraakt is door het evangelie en deel wil uitmaken van de gemeenschap die vanuit dat evangelie leeft.

Diversiteit: het vermogen tot insluiten hervinden
Tijdens een reis naar El Salvador was ik uitgenodigd om een boom te planten in het kader van een baamplantcampagne die wat gestart ter gelegenheid van de herdenking van de dood van bisschop Romero. In de campagne waren leden van de franciscaanse gemeenschap heel actief en met sommigen van hen mocht ik die boom planten. In de ceremonie was sprake van een in elkaar verwevenheid van christelijke en Maya-rituelen. Het bezingen van de aarde en het besprenkelen van de grond volgens oud Maya-ritueel werd naadloos verbonden met het geloof in God als de schepper van het leven en Jezus Christus als degene die mensen met elkaar verbindt. Het is een uiting van de vaardigheid van de krek om een grote diversiteit aan culturen en opvattingen op te nemen. Die vaardigheid dreigt verloren te gaan door de toenemende nadruk op het theologische spoor en de toenemende cultuur om elkaar de maat te nemen.

Dit vermogen tot inclusiviteit heeft de Kerk haar universele karakter gegeven. De katholieke kerk is misschien wel de grootste multinational. In ieder geval degene met het meest fijnmazige netwerk in vrijwel alle landen van de wereld. Het is de vrucht van haar vermogen om wortel te schieten in zoveel verschillende culturen. Overal is de kerk het gesprek met de ter plaatse heersende cultuur aangegaan. En overal zie je dat de kerk zich heeft laten beïnvloeden door de lokale cultuur. Dat is ook een bijbels wezenskenmerk. De handelingen van de Apostelen verhaalt over de eerste kerkvergadering in Jeruzalem waar een oplossing gevonden moet worden voor de vraag of de joodse wortels met alle bijbehorende regels en geboden een wezenskenmerk zijn van het evangelie en dus verplichtend dienen te zijn voor alle nieuwe volgelingen. Daar besluiten de apostelen dat dat niet hoeft. En als Paulus op de Areopaag in Athene de boodschap van het evangelie verkondigt, doet hij zijn uiterste best een verbinding te maken met de daar heersende religie van de hellenen. Als Ambrosius, de bisschop van Milaan wordt gevraagd of je je als christen moet houden aan het toen nog her en der heersende gebruik van het vasten op zaterdag. Ambrosius antwoordt dat hij in Milaan zich daar wel aan houdt, maar niet als hij in Rome is, want daar wordt dat gebruik niet gepraktiseerd. De kerstening onder de Germanen heeft ons de verbinding tussen het zonnewendefeest en Kerstmis opgeleverd.  Ook in de missionaire periode van de kerk die aanbreekt in het voetspoor van Columbus en al die andere zeevaarders in alle windrichtingen, kapitaliseert de kerk haar vaardigheid om verbinding te maken met alle culturen.

De angst voor syncretisme en relativisme die doorklinkt in het huidige spreken van de kerk, is een breuk met dat vermogen tot inclusiviteit. Er is in toenemende mate sprake van een combinatie van angst en superioriteitsgevoel. De vanzelfsprekende dominantie van de katholieke kerk zoals die tot de periode van dekolonisatie beleefd werd, heeft plaatsgemaakt voor het besef dat de kerk slechts één van de spelers is op het wereldtoneel van godsdiensten en levensbeschouwingen. Het document van het Tweede Vaticaans Concilie over de verhouding tot de andere wereldgodsdiensten (Nostra Aetate) is duidelijk over de erkenning van deze andere godsdiensten, maar in de veertig jaar nadien is er ook sprake van een toenemende angst dat de kerk slechts één van de velen is en haar aanspraak op universaliteit niet langer geldend kan maken. Die erkenning van de veelheid van godsdiensten leidt tegelijkertijd tot een benadrukken van het onderscheidende karakter en dus tot etaleren van een zekere superioriteit. Binnen het hele scala is de katholieke leer de ultieme en enige waarheid. Angst en superioriteit zijn bij elkaar geen goede combinatie voor een evenwichtige presentie van de kerk in de wereld. Bisschop Muskens ziet daarom scherp als hij zijn biografie de titel ‘Wees niet bang’ meegeeft. Hij, die vanuit zijn ervaring veel ervaring heeft met de samenleving van christendom en andere culturen stelt terecht dat we als kerk alleen een betekenisvolle plaats in de huidige wereld kunnen innemen als we ons niet laten leiden door angst.

In dat licht dient het vraagstuk van de diversiteit zich aan als één van de grootste uitdagingen voor de kerk. Juist een kerk die gelooft in haar God als de Schepper van al wat leeft, moet serieus nemen dat Hij als Schepper deze wereld in haar grote diversiteit gewild heeft, dat Hij ja heeft gezegd tegen de verscheidenheid van volken en talen en culturen. Wie streeft naar eenvormigheid, moet zich afvragen of hij niet bezig is met een nieuwe Toren van Babel te bouwen. Dat geldt ook voor degenen die geloven in de vrije markt economie als het enige en universele systeem voor de inrichting van de economie. Dat staat niet op gespannen voet met de betekenis van Jezus van Nazareth als Gods eniggeboren Zoon wiens verlossend heil voor alle volkeren is. In de menswording in onze geschiedenis heeft God zich verbonden aan de historische context van het joodse volk in de tijd van keizer Augustus, terwijl Quirinus landvoogd van Syrië was. Dat het heil zich heeft geopenbaard in een historische context betekent dat dat de kerk voor de uitdaging stat in elke historische context dat heil opnieuw te verkondigen. De universaliteit van Jezus van Nazareth mag er niet toe leiden dat we er een a-historische Jezus van maken.

De Zuid-Afrikaanse priester Peter John Pearson zei het op één van onze conferenties als volgt: we leven in een tijd waarin er geen enkele rechtvaardiging meer is voor welke discriminatie dan ook. Met de afschaffing van de apartheid is definitief een einde gekomen aan superioriteit op basis van ras, zoals met de afschaffing van de slavernij in de negentiende eeuw de morele rechtvaardiging daarvoor was ontvallen.

Het concept van de menselijke waardigheid dat door door Johannes XXIII in zijn encycliek Pacem in Terris is omarmd als één van de grondslagen van het katholieke denken over mondiale verhoudingen laat geen ruimte meer voor rassendiscriminatie, seksediscriminatie, leeftijdsdiscriminatie. Wij wennen er in ons deel van de wereld maar moeilijk aan. De verhoudingen tussen het westen en het zuiden zijn nog steeds getekend door nauwelijks verhuld neokolonialisme en de economische en culturele verhoudingen laten dat elke dag zien.

Onze wereld laat op dit punt tegengestelde tendensen zien. Het proces van globalisering van informatie en het verkleinen van afstanden, leidt ertoe dat er steeds mogelijkheden zijn voor uniformiteit. Die is ook zichtbaar in economisch denken, in kleding, eten en drinken, muziek. In die zin is er op het eerste gezicht sprake van afnemende diversiteit. De tendens tot eenheid en uniformiteit blijkt echter niet zelden ook buitenkant. Onder de oppervlakte van herkenbare vormen en uitingen lijkt de Japanse cultuur grote delen van haar eigenheid behouden te hebben. Daartegenover is een veel grotere aandacht voor diversiteit zichtbaar. Het uiteenvallen van het communisme heeft volkeren ertoe gebracht hun identiteit opnieuw te zoeken en af te tekenen tegenover buurvolkeren. Soms vreedzaam zoals de scheiding van Tsjechië en Slowakije, soms wreed zoals de oorlogen in voormalig Joegoslavië. De zorg voor de handhaving van vrijwel uitgestorven talen, het conserveren van oude gebruiken en cultuurgoederen neemt nog steeds toe.

Kerk tussen bijbel en theologie
De constatering dat we elkaar in de kerk steeds meer de theologische maat nemen en dat de aanspraak op het bezit van de ultieme waarheid pregnanter wordt in een tijd waarin het besef van diversiteit steeds evidenter wordt, leidt tot de vraag in welke mate bijbel en theologie in evenwicht zijn als constituerende elementen van de kerk. De theologie zoals die de officiële kerk beschouwt als de pijler van haar denken en verkondigen, is gebouwd op de klassieke logica en filosofie van Aristoteles en Plato. Grote theologen als Augustinus en Thomas van Aquino hebben op grond daarvan een samenhangend en sluitend systeem ontwikkeld waarin iedere inconsistentie is verdwenen en waar premissen zoals de eeuwigheid en alwetendheid van God tot logische consequenties leiden over de voorzienigheid, de predestinatie en de vrije wil. In de loop van de geschiedenis hebben theologen terwille van de inconsistentie van het theologisch systeem de bijbel geïnterpreteerd en gekneed. De grote gedachten van de kerkvaders in de eerste eeuwen hebben een lange strijd geleverd om de God van het Oude Testament te temmen en aanvaardbaar te maken voor de filosofen van hun tijd, die doorkneed waren in hun klassieken. Augustinus als één de grootste en beeldbepalende denkers van de kerk was als platonist op zoek naar eeuwige waarheden en het beeld van de bijbelse God moest daarom in harmonie gebracht worden met die eeuwige waarheid.

Wie zonder dat theologisch kader de Schrift leest, kan met evenveel recht constateren dat de bijbel een boek is dat meer dan we traditioneel denken bij onze postmoderne tijd past. Ik versta hier het begrip postmodern in de betekenis dat we afscheid hebben genomen van grote alles verklarende en alles omvattende theorieën en ideologieën en dat we accepteren dat de werkelijkheid veelvormig is en dat er meerdere verklaringen denkbaar zijn. Het geeft eerder een caleidoscopisch beeld van God en het verbond dan dat het een weergave is van een strak, intrinsiek logisch en consistent systeem. De Schrift zelf is niet zo consistent.  Ook in het nieuwe testament is Jezus van Nazareth een veelkleurige Messias met harde en zacht kanten, met dreiging en met warme omarming. Hij laat verschillende kanten van zichzelf zien in zijn houding ten opzichte van Mattheus de tollenaar en in zijn optreden tegen de geldwisselaars in de tempel. Tegen de overspelige vrouw zegt Jezus ‘Vrouw, ook ik veroordeel u niet’, terwijl er andere plaatsen zijn waar hij een hard oordeel uitspreekt. Blijkbaar zijn de context en het interactieproces dingen die ertoe doen: ze brengen Jezus tot verschillende reacties. Daarin zit ook de kracht van de Schrift. Als de Bijbel ons een onveranderlijk beeld van God had laten zien, was het een saai boek geworden, niet levensecht en zonder herkenning. Dat wil niet zeggen dat de Schrift een ongeordend allegaartje is van inzichten en geloofsovertuigingen. Er is wel degelijk sprake van rode draden, van Godsbeelden en bijbelse waarden die als constante te herkennen zijn. De diversiteit die uit het evangelie spreekt hoeft niet noodzakelijkerwijs weggemasseerd te worden om te komen tot een éénvormig beeld dat geen twijfel laat over betekenis en interpretatie. De diversiteit, bij elkaar gehouden door de rode draden, is de kracht van het evangelie waarin veel mensen zich kunnen herkennen.

In een postmoderne samenleving waar zowel nationaal als internationaal de diversiteit zich dagelijks aan ons opdringt als een nieuwe, dominante factor is er veel minder behoefte aan een gesloten theologisch systeem, maar aan een bijbelse boodschap die de diversiteit van het leven representeert, maar daarin rode draden van waarden en bezieling laat zien.

Dat zal geen einde van de theologie te betekenen. Theologie als ‘fides quaerens intellectum’ blijft altijd noodzakelijk en wordt meer noodzakelijk in een wereld die zich bewust is van haar diversiteit. Bijbels geloof heeft kritische reflectie nodig. Er is echter meer behoefte aan een theologie die reflecteert op de Schrift als een rijke, diverse schatkamer dan aan een theologie die zich opsluit binnen regels van de een uniformerend systeem.