2009 Pauselijke encycliek

Pauselijke encycliek: economie als morele keuze.

Het economisch denken en handelen is gebaseerd op het uitgangspunt van keuzevrijheid. We zijn vrij om te kiezen welk merk auto, welke mobiele telefoon, welk soort koffie. En economen gaan ervan uit dat we dat rationeel doen. Dat we prijs en kwaliteit vergelijken, dat we daar verstandig over nadenken (ook wat wel en niet binnen onze mogelijkheden past) en dan beslissen. Psychologen hebben laten zien dat niet alleen ratio, maar ook de emotie een belangrijke rol speelt in ons economisch keuzegedrag. Bang om niet mee te tellen kopen we te dure auto’s of overbodige producten en uit gretigheid of angst stappen we in of uit de aandelenmarkt. In zijn encycliek ‘Caritas in veritate’ (naastenliefde in waarheid) voegt Paus Benedictus XVI de morele dimensie toe als noodzakelijke overweging in ons economisch handelen.

De Encycliek formuleert twee fundamentele posities ten aanzien van het huidig economisch model. De eerste is dat economie geen verbinding meer heeft met onze morele overtuigingen. We doen in de economie niet ‘ wat goed is’, maar we doen ‘wat voordelig is’. En in toenemende mate is de vraag wat voordelig en winstgevend is gaan samenvallen met wat goed is. Goed en voordelig zijn inwisselbaar geworden. Economische keuzen worden gelegitimeerd doordat ze voordelig,winstgevend zijn. Die ontwikkeling gaat samen met een sterke individualisering van het economisch denken en handelen. Het individuele belang is bepalend voor de keuzen die we maken. Er is nauwelijks meer oog voor de consequenties die economische beslissingen hebben voor anderen. Die staan voor hun eigen zaak, hun eigen belang en het is dus aan ieder om voor zijn of haar eigen belang op te komen. En voor zover er sprake is van collectieve belangen zijn ze als exclusief, d.w.z. met uitsluiting van anderen. Aandeelhouders van ABN-Amro beslisten tot koop of verkoop in de strijd om de toekomst van de bank op basis van hun winstverwachting. Of dat ten koste ging van werknemers of de Nederlandse samenleving speelde bij de meesten geen rol. Zeker op wereldschaal speelt die uitsluiting een belangrijke rol. In Tsjaad worden duizenden families van hun land geveegd om olievelden te ontginnen. In Guatemala raken waterbronnen vervuild als gevolg van mijnbouw waardoor de gezondheid van mens en landbouw en veeteelt bedreigd worden.

De financiele en economische crisis laat binnen de eigen context van rijke landen zien, wat ontwikkelingsorganisaties al decennialang constateren, dat de ‘invisible hand’ van de liberale economie niet bestaat. Liberale economen betogen, c.q. verwachten dat in het economisch verkeer een zodanige optimalisatie van keuze en belangen plaatsvindt dat die vanzelf de menselijke ontwikkeling in de goede richting stuurt. In de liberale economie is de morele dimensie afwezig en ook onnodig omdat de invisible hand als vanzelf in de goede richting stuurt. Sterker nog, liberale economen zijn ervan overtuigd dat ingrijpen in de economie, zelfs al is dat met de beste morele bedoelingen, de boel eerder in het honderd jaagt omdat het voorkomt dat de invisible hand, die vanuit zichzelf het goede zoekt, de weg wijst. Wie in ontwikkelingslanden rondkijkt, kan die stelling niet onderschrijven. De kloof tussen arm en rijk wordt in alle landen groter. Waar liefhebbers van cijfers positieve ontwikkelingen zien zoals groei van het BNP gaat achter die cijfers een werkelijkheid schuil van grotere ongelijkheid. In veel ontwikkelingslanden is de groei van het BNP grotendeels te danken aan hogere inkomsten uit grondstoffen (olie, koper, goud).de opbrengsten daarvan komen niet of nauwelijks ten goede aan de mensen die onder de armoedegrens leven.

De gedachte dat de economie als vanzelf in de goede richting wijst en daarmee iedereen uiteindelijk bedient, is juist in een tijd van globalisering te optimistisch omdat het in een globale economie steeds eenvoudiger is geworden om winsten en kosten te scheiden. De winsten van de oliewinning in Tsjaad komen te liggen bij binnenlandse leiders die de opbrengsten snel doorsluizen naar London of New York of ze komen bij oliewinnende bedrijven met belastingconstructies via de Bahama’s of de Nederlandse Antillen. De kosten liggen bij de boeren die van hun lans verdreven worden en bij de kwetsbare natuur van het Sahelland, die door de ingrepen in het land en de vervuiling wordt aangetast. Door die scheiding van opbrengsten en kosten is de veronderstelling dat uiteindelijk iedereen profiteert van rationele economische keuzen niet meer vanzelfsprekend.

Die ontwikkeling gaat samen met de overgang van een stakeholders naar een shareholders-economie. In een stakeholders economie is er oog voor de belangen van anderen (inclusief het milieu), een shareholderseconomie is per definitie een gesloten, exclusieve economie. De encycliek houdt een pleidooi voor de stakeholderseconomie. Op meerdere plaatsen in de tekst wordt gewezen op het belang van arbeiders en de lokale gemeenschappen en de zorg voor het milieu als integraal onderdeel van de economie. De tekst wijst ook op de negatieve gevolgen van de ‘race to the bottom’ van ontwikkelingslanden, waarbij ze tegen elkaar opbieden in gunstige voorwaarden voor externe investeerders, maar de belangen van de eigen bevolking en het milieu niet meer tellen.

De tweede fundamentele boodschap van de encycliek is de noodzaak om in de economie de anonimiteit in te ruilen voor relationaliteit. Dat lijkt een utopisch en romantisch ideaal in een tijd waarin onontwarbare kluwens van toeleveranciers vanuit de hele wereld bijdragen aan producten. Met wie moet ik een relatie onderhouden als mijn fiets misschien wel hier is samengesteld, maar gebouwd uit onderdelen die uit China, Korea, Japan, Polen, Zuid-Afrika komen. Met wie moet ik verbonden zijn als in het meest simpele apparaat chips zijn ingebouwd die –afhankelijk van de markt – de ene keer uit Taiwan, de andere keer uit Californie en een derde keer uit Nijmegen komen. In de globaliserende wereld van rationele productie en consumptie is anonimiteit een vanzelfsprekendheid en in de liberale economie ook nuttig omdat anonimiteit voorkomt dat we op verkeerde gronden (loyaliteiten) keuzen maken die de rationele optimalisatie van de economie belemmert.

Voor de paus is relationaliteit de kern van het menselijk bestaan. We bestaan slechts dankzij anderen, met wie we verbonden zijn, die voor ons zorgen en die het voor ons opnemen. Die relationaliteit gaat ook verder dan het gemeenschapsbegrip, dat eerder geworteld is in objectieve criteria (inwoner van Nederland, lid van de familie Janssen, arbeider, boer) dan dat ze geworteld is in de subjectieve betekenis van de wederzijdse verbondenheid. De boodschap dat ook in economische verhoudingen deze menselijke relationaliteit van belang is, is de basis voor de centrale these van de encycliek dat het ook in de economie om de mens draait en dat het economisch handelen het belang van mensen moet dienen en dus – vanwege die relationaliteit – van de mensengemeenschap.

De paus vermijdt in de encycliek zorgvuldig om simpele kritiek te oefenen op de globalisering of op de markteconomie. Voor de katholieke katholieke kerk, die doorhaar diepe wortels in alle landen misschien wel de meest globale organisatie ter wereld is, is globalisering eerder een kans om de relationaliteit van mensen te verdiepen en de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de wereld als inclusioeve schepping vorm te geven. Globalisering is eerder een kans om humaniteit te verdiepen dan dat het een bedreiding is. De markteconomie is in zichzelf niet slecht. Winst en rendement zijn op zichzelf niet vies. Ze moeten aangewend worden voor het goede doel: ten behoeve van het algemeen belang (het bonum commune). Daarin wordt opnieuw duidelijk dat er morele keuzen nodig zijn emn dat de economie niet een invisible hand heeft, maar behoefte heeft aan de helpende hand van de moraal om haar keuzen te maken.

De encycliek heeft ook beperkingen. De grootste is dat het in een strak katholiek denkkader is vorm gegeven. Dat theologische denkkader maakt de tekst voor externen niet zo toegankelijk en het vraagt van de lezer om ‘erdoor heen te lezen’. Daarmee doet de paus zichzelf tekort en wordt de impact van de encycliek helaas beperkt. Daarnaast is het jammer dat de encycliek zo weinig expliciet ingaat op het vraagstuk van klimaat, milieu en de natuurlijke hulpbronnen. In het licht van de komende klimaatconferentie en de dreigende schaarste aan grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen (water, grond, voedsel) had de encycliek een belangrijke wegwijzer kunnen zijn voor katholieken over de hele wereld.

Met die kanttekeningen blijft het vooral een tekst die geloof en optimisme uitstraalt. Niet het geloof van de maakbaarheid, waarbij alles plooibaar is en instrumenteel. Daarvoor legt de encycliek teveel nadruk op wat ons voor-gegeven is en waarvoor we respect moeten hebben: de mens, de sociale verbanden, de schepping. De tekst is optimistisch omdat het gelooft in de mogelijkheid van mensen om keuzen te maken, om een vastgelopen economisch denken een andere richting te bewegen. We zijn niet gedoemd om vast te zitten aan een economisch model waarin de harde wetten van vraag en aanbod, contract en handel nu eenmaal onvermijdelijk tot gevolg hebben dat weinigen er heel veel bij winnen  en velen en heel veel bij inschieten. Dat vraagt om morele moed en om een economie die opnieuw de mens en diens relationaliteit centraal stelt. Het is te hopen dat het de aanzet is tot nieuw gezamenlijk werk van economen, ethici en moraal theologen om te zien hoe deze encycliek handen en voeten krijgt en mij helpt om te kiezen als ik in de winkel sta en mijn economische keuzen (rationeel, psychologisch en moreel) moet maken.