2005 Identiteitsgedreven OS

God in de wereld: identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking als kans.

Tijdens mijn bezoek aan El Salvador dit voorjaar ter gelegenheid van de 25e sterfdag / martelaarschap van bisschop Oscar Romero, was ik te gast bij een Franciscaanse communiteit die deelnam aan een nationale boomplant campagne in het kader van die Romeroherdenking. Ik mocht een boom planten. Maar daaraan voorafgaand werd een ceremonie gehouden waarbij elementen van de Mayacultuur en het bijbelse geloof in Jezus Christus en zijn Vader op harmonieuze wijze in elkaar geweven werden: eerbied voor de elementen van aarde, water en wind verbonden met het geloof in Gods bevrijdende boodschap van de aarde als een plaats waar gerechtigheid en rentmeesterschap zullen heersen. Misschien is het, zo op het eerste gehoor,  voor sommigen onder U een vreemde en misschien ook wel dubieuze vorm van syncretisme, voor mij was het een hernieuwde bevestiging dat geloof en identiteit vitale drijfveren zijn voor mensen in het werken aan ontwikkeling. Dat geldt voor veel van onze partners in ontwikkelingslanden en het geldt ook voor Cordaid als Nederlandse medefinancieringsorganisatie.

De samenhang van identiteit, geloof en ontwikkelingssamenwerking lijkt voor de hand te liggen voor wie kijkt naar de overeenkomsten in het begrippenkader. Ontwikkelingssamenwerking gaat over rechtvaardigheid en vrede, twee begrippen die ook in de Bijbel telkens terugkeren. We werken in ontwikkelingssamenwerking toe naar een betere wereld, naar een betere werkelijkheid. Die verwachting heeft zijn christelijke pendant in het Rijk der Hemelen, waar onze tranen worden gedroogd.
Ook zijn we als ontwikkelingsorganisatie ervan overtuigd dat verandering nodig is, dat mensen individueel en samenlevingen als collectief moeten veranderen. Daarvoor hanteren we concepten die niet zoveel verschillen van het bijbelse metanoia van bekering, dat een individuele maar – zie de profeten – ook collectieve connotatie heeft.

Toch ontmoet ik in de afgelopen twee jaar telkens weer mensen die mij vragen om uitleg en die het hoe en wat en waarom  willen weten van de verbinding tussen Cordaid als medefinancieringsorganisatie van ontwikkeling en de christelijke, katholieke identiteit. Sommigen willen die uitleg omdat ze vertrouwde kerkelijke en theologische begrippen missen en zich afvragen of Cordaid nu ook is meegegaan, ja opgegaan in de secularisering van de laatste decennia. Anderen willen uitleg omdat ze het als een overbodige ballast beschouwen. Voor hen heeft het werken aan ontwikkeling, solidariteit, menselijke waardigheid in zichzelf haar rechtvaardiging en is er geen behoefte aan externe, aan christelijke wortels ontleende drijfveren.

Ik heb in de titel het woord intentiteitsgedreven gebruikt. Niet zonder opzet heb ik die omschrijving verkozen boven het ook vaak gebruikt ‘identiteitsgebondenheid’. Het gaat mij niet om de vraag hoe we aan onze identiteit vastgeklonken zitten, ook niet over een beheersingsvraag, wie greep heeft op ons werk. Het gaat om de vraag of en hoe die katholieke identiteit ons drijft, in beweging zet en in beweging houdt. Het gaat kortom over dynamische, niet over statische verhoudingen.

Ik wil in deze komende vijf en veertig minuten daarover met u van gedachten wisselen in de hoop dat het leidt tot een antwoord op de vraag wat die samenhang van identiteit, in ons geval de katholieke identiteit, en ontwikkelingssamenwerking betekent.

Ik zal in het eerste deel van mijn inleiding ingaan op de plaats van het domein van het geloven in de wereld en de fundamentele betekenis van de begrippen heilshistorie en contextualiteit in ons werk.
In het tweede deel zal ik ingaan op de vraag waarom ik die identiteitsgedrevenheid zie als een kans, als een extra dimensie die het werk van Cordaid verrijkt om bij te dragen aan een rechtvaardiger wereld.
Daarna zal ik ingaan op het vraagstuk van de diversiteit om tenslotte een aantal concrete perspectieven te schetsen voor de toekomst van ons werk.

God in de Wereld
Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking moet een antwoord geven op de vraag naar de plaats die een gelovige identiteit inneemt in het werken aan de wereld. Ik wil die gelovige identiteit vanuit drie invalshoeken bekijken: wat is de plaats van God, wat is de plaats van het geloof als een samenhangend theologisch denkraam en wat is de plaats van de kerk in de wereld?

Nu zijn elk van die vier begrippen niet echt eenduidig omschreven. Een kleine enquête in deze zaal zou waarschijnlijk al tot een grote diversiteit bij de invulling van die begrippen leiden. En dan zijn wij nog een redelijk homogeen gezelschap van kerkbetrokken, maatschappelijk geëngageerde en overwegend witte mensen.

Mijn beeld van de wereld en ik heb het dan over onze westerse wereld, dat is in ieder geval de context waarin Cordaid geworteld is, wordt bepaald door ambivalentie en discrepantie. Allereerst de ambivalentie. Enerzijds opent de wereld zich alsmaar meer in zijn mogelijkheden voor ons. De afgelopen eeuwen, vooral sinds de Verlichting zijn er enorme sprongen gemaakt in technologie, in kennis van en beheersing van het universum, van natuurkundige, scheikundige en biologische processen. Van angstige mensen, bang voor het natuurgeweld en God, zijn we geworden tot zelfbewuste makers, van onderworpenen tot onderwerpers. We zijn autonome mensen geworden, we staan op eigen benen, we handelen onze eigen zaken af. We leven in de wereld alsof God niet bestond en niet hoeft te bestaan.

Anderzijds is er een groeiend besef dat we als een tovenaarsleerling onze eigen krachten niet meer kunnen beheersen. De slachtingen in de loopgraven van de eerste wereldoorlog, de vernietigingskampen van de holocaust, de machetes in Rwanda. We vervuilen de wereld op een manier die onszelf verstikt, we putten de aarde uit en we verliezen steeds meer de menselijke maat. Deze gruweldaden en ontwikkelingen zijn gepleegd na de verlichting en waren niet denkbaar zonder de verworvenheden van kennis en techniek waarom die Verlichting zozeer wordt geroemd. Die technologische ontwikkeling heeft geleid tot een instrumentele rationaliteit die vooral de laatste decennia bezit heeft genomen van het westerse denken en via de globalisering de hele wereld dreigt te domineren, en die leidt tot een reductionistische kijk op de wereld waarin alles herleidbaar lijkt te worden tot technische en economische waarden.

Naast die ambivalentie constateer ik tegelijkertijd een opvallende discrepantie tussen het persoonlijke en maatschappelijke welbevinden. Uit het laatste onderzoek van het sociaal cultureel planbureau blijkt opnieuw dat het met het persoonlijke geluk wel goed gaat. We voelen ons tevreden over ons bestaan, ons gezin, ons werk, onze familie en vrienden.  Tegelijkertijd worden we alsmaar somberder over de wereld waarin we leven. Het gevoel van bedreiging en onveiligheid, fysiek, sociaal, economisch bepaalt steeds het beeld dat we van de wereld om ons heen hebben. En we krijgen een groeiende behoefte om ons te beveiligen tegen en af te zonderen van die bedreigende, boze buitenwereld. Het aantal ‘gated communities’, woonwijken bewaakt en achter ommuring neemt snel toe en we verlaten die slechts het stuur van onze zware fourwheel drives die we als een beschermend pantser om ons heen trekken.  En dat zou in andere westerse landen wel eens niet anders kunnen zijn. En zo lijkt de wereld – in ieder geval vanuit ons westerse perspectief – op een poel des verderfs met een heleboel arkjes en arken van Noach.

Wanneer ik vervolgens nadenk over de relatie van God met die wereld, doe ik dat vanuit een heilshistorisch perspectief: en voor mij is heilshistorie niet alleen de geschiedenis van het heil maar vooral dat het heil zich geopenbaard heeft in de historische werkelijkheid van onze wereld en aan onze mensengeschiedenis. Allereerst in het verbond met Abraham en met het volk Israël en ultiem door de menswording van Jezus van Nazareth die ons leven deelt van geboorte tot dood. Het heil van God is geen a-historische boodschap die vanuit een andere dimensie, van buitenaf  gedropt is in onze wereld. Het zondvloed-verhaal eindigt met de belofte dat hij niet opnieuw de aarde zal verdelgen. Die oplossing van omgaan met de de aarde rotzooi is niet meer aan de orde. De menswording is het radicaal andere antwoord: God plaatst zichzelf midden in de mensenwereld in een verbond met zondige prutsers, mensen immers die er voortdurend weinig tot niets van terecht brengen. Zelfs de besten zoals David gaan zich van tijd tot tijd te buiten aan moord en overspel. Daarin blijkt de relatie van God en wereld een relatie ‘op ongenade of genade’. Er is geen weg meer terug.  Schillebeeckx zegt ergens dat geschiedenis een onontwarbaar kluwen is van zin en onzin. Met die geschiedenis heeft God zich verbonden. er is geen andere openbaring.

Terwijl God zich ‘op ongenade en genade’ heeft verbonden aan deze wereld, heeft het geloof als systematisch theologisch denkkader door de geschiedenis heen geworsteld met de verhouding tot de wereld. In de eerste eeuwen van theologisch denken, waarin de de klassieke filosofie, vooral die van Aristoteles en Plato, het theologisch bouwwerk hebben gevormd, is het geloof terecht gekomen in een ambivalente houding ten aanzien van de wereld. Hun filosofische opvatting dat er een zuivere wereld is waarin de essenties van het zijn veilig zijn opgeborgen, heeft zich verbonden met de christelijke theologie. Zo is er een grote afstand ontstaan tussen de zuivere wereld van God en de zondige, smoezelige wereld van de mensen. Die grote antithese is ook de basis van Augustinus opus magnus de Civitate Dei en heeft sindsdien het gelovig theologisch spreken over de wereld bepaald.

Die theologie heeft naar mijn overtuiging zichzelf overleefd. Ik sluit mij aan bij theologen als Derrida en Jean-Marie Marion die afscheid nemen van een Godsbeeld waarin God beschreven, gevangen zou kunnen worden – net zoals elk ander wezen – in definiërende begrippen als alwetend, almachtig, alomtegenwoordig. De Schrift is in mijn overtuiging ook niet op zoek naar een essentialistische omschrijving van God. Ze gebruikt een veelheid van beelden en verhalen voor een God die werkend in de geschiedenis zich laat kennen. Ook als de Schrift spreekt over Gods almacht en alwetendheid is dat om zijn verbondshandelen te beschrijven. Daarin zitten voor mij twee essentiële boodschappen. De eerste is deze: we moeten ons losmaken van een statisch beeld van God en nieuwe aanklnopingszoeken in een narratief direct op de Schrift geënt spreken over God. Aan verhalen is immers essentieel dat ze ontwikkeling weergeven en verandering. Ze beginnen met ‘Er was eens…’ en ze eindigen met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. De perikopen uit de evangelielezingen van de zondag beginnen altijd met ‘In die tijd….’ en dat is terecht: ze zijn dynamisch; ze gaan over Jezus van Nazareth die zich in de geschiedenis van mensen als heilbrenger laat zien laat zien.  En een tweede essentiële boodschap is deze: de Bijbel nodigt uit tot contextualiteit. Het is de dynamiek van de geschiedenis die zijn dynamische aanwezigheid telkens opnieuw maar telkens anders laat oplichten. In het denken van theologen als Augustinus en Thomas van Aquino is de Schrift langzamerhand zo gekneed en gemasseerd totdat ze paste in het essentialistische denken. Met ingewikkelde redeneringen en verklaringen werd alle tegenspraak weggeredeneerd totdat er een monolithisch geheel overbleef. De God van het Oude Testament laat zich in vele gedaanten zien en in het nieuwe testament blijkt de man van Nazareth een fijn gevoel te hebben voor de context waarin hij opereert en waarin tollenaars, hoeren, vissers en farizeeërs elk op hun eigen wijze tegemoet getreden worden om de boodschap van gerechtigheid aan te laten komen. Wie dat allemaal wil wegretoucheren tot één systeem waarin alles wordt herleid tot één en hetzelfde, doet de Schrift onrecht. De ervaring met intercultureel bijbellezen van de laatste tien jaar, over grenzen van culturen heen, bevestigen dat die manier van lezen de rijkdom en de zeggingskracht van het verhaal van God en zijn volk ten goede komt.

Over de positie van de kerk in de wereld zal ik kort zijn. Niet omdat er niet veel en uitgebreid en genuanceerd over te spreken zou zijn, maar ik laat dat nu achterwege. In de Westerse wereld heeft de kerk in de laatste dertig jaar haar dominante positie verloren. De verhouding tussen de kerk als instituut en de wereld is in die periode steeds afstandelijker en ongemakkelijker geworden. Verdreven uit het centrum van de wereld kijkt zij vanaf de zijlijn toe. De katholieke kerk spreekt daarbij in steeds zwartere beelden over de westerse wereld: zielloos, technocratisch, zonder waarden en zonder moraal. Steeds vaker lijkt ze zich te willen presenteren als de societas perfecte, de representant van de zuivere wereld van het Goddelijke die van een afstand toekijkt en vermanend de goddeloze wereld toespreekt. Ze lijkt zich terug te trekken in haar ark van Noach temidden van een zondige wereld.

Heilshistorie en contextualiteit
Deze beschouwing over de verhouding tussen het domein van het katholieke (god geloof kerk) en het domein van de wereld, is voor mij essentieel voor het antwoord op de vraag waar de katholieke identiteit van Cordaid te vinden is. Die identiteit isimmers verbonden met een dynamisch en contextueel verstaan van God, van de Schrift en van de kerk. In veel discussies binnen de katholieke kerk wordt dat contextueel verstaan nogal eens weggezet als relativistisch, als behorend bij opportunisten voor wie niets heilig is en alles aanpasbaar is aan de heersende mode en de toevallig op dat moment geldende waarden en opvattingen. Voor mij is heilshistorisch en contextueel geloven juist een teken van vitaliteit, van een vervinding op ongenade en genade met de concrete historische geschiedenis van mensen.

Het lijkt erop alsof hier een wissel zit. Vertrekkend vanuit eenzelfde spoor van gelovige bezieling en bijbelse inspiratie kiezen sommigen het essentialistische spoor, anderen het contextuele spoor en het lijkt erop alsof de twee elkaar nooit meer kruizen. Ik juich de diversiteit toe, maar constateer dat er de pijn is van het niet herkennen en herkend worden.

In dat heilshistorische verstaan zit de verbinding met ons werk. Als ontwikkelingsorganisatie staan we midden in de geschiedenis en verbinden we ons aan de geschiedenis van mensen overal op de wereld. Het lijden van mensen dat vraagt om verlossing is geworteld in de historische werkelijkheid van onze geschiedenis. Om dat te illustreren sta ik uitgebreider stil rond enkele aspecten van het Hiv-Aids vraagstuk, dat de gemoederen van velen in kerk en wereld bezig houdt. Hiv-Aids is voor alles onlosmakelijk verbonden aan de diepe en mensonterende armoede van Zuidelijk Afrika. Het is verbonden met het uiteenvallen van samenlevingen, verscheurd door etnische twisten en burgeroorlog. Hiv-Aids in de derde wereld is niet eerst en vooral het gevolg van morele verloedering van mensen. Hiv-Aids is zich ook niet een medisch vraagstuk van virussen, infecties en medicijnen. De hoge prevalentie van de ziekte in dat deel van de Afrika gaat niet toevalligerwijs samen met de constatering dat de armoede het grootst is in Subsahara Afrika. Hiv-Aids is niet toevallig verbonden met sekseongelijkheid en hardnekkige onderdrukking van vrouwen, met grote machtsongelijkheid tussen volwassenen en kinderen. De sociaal-economische context van armoede en gebrek aan perspectief zijn bepalend voor het om zich heen grijpen van de epidemie in dat deel van de wereld. Het antwoord op de epidemie heeft dan ook alleen maar zin als we de historische contextualiteit van Aids ten volle serieus nemen. Wie denkt dat een exclusief moreel offensief met alle nadruk op onthouding en echtelijke trouw het enige afdoende antwoord is op de Aids-epidemie, ontkent de historische culturele en sociaal economische context van het probleem. Wie gelooft dat het antwoord ligt in een medische benadering, waarbij condooms, medicijnen en het ontwikkelen van een vaccin de pijlers zijn van de aids-bestrijding loopt ook om die historische context heen. Wie denkt dat het aids-vraagstuk opgelost is als de armoede opgelost is, miskent dat bezinning op en verandering van levensstijl en individuele keuzen niet gemist kunnen worden.

Ik wil in dit verband een vergelijking maken met de strijd die Alphons Ariëns als kapelaan van Enschede aan het eind van de negentiende eeuw hebben geleverd tegen de verloedering van de arbeiders in de steden en het alcoholisme. Mijn moeder komt uit Glanerbrug en haar familie heeft een lange traditie in de textielindustrie van Enschede. Mijn vader was lang vakbondsbestuurder van de katholieke arbeidersbeweging in Twente. Uit hun verhalen weet ik hoe belangrijk de figuur van Ariëns was voor de Twentse textielarbeiders. Zijn strijd tegen de mensonterende levensomstandigheden van de arbeiders kon alleen succesvol zijn omdat hij een verbinding maakte tussen de noodzaak van verandering van de historische, sociaal economische werkelijkheid van zijn tijd en de strijd tegen morele verloedering. En ik ben ervan overtuigd dat ook toen een morele kruistocht zonder effect was geweest zonder veranderingen in die sociale werkelijkheid; als het kinderwetje van van Houten niet de aanzet was geweest tot een ingrijpende verandering van die sociaal economische context. Datzelfde geldt wat mij betreft voor de strijd tegen Hiv-Aids. Ook daar zal de strijd tegen de armoede én het inzetten op waarden én op medische technologie alle drie nodig zijn om succesvol te kunnen zijn. Het et gaat om een compromisloze strijd tegen de onderdrukking van vrouwen en uitbuiting van kinderen, het gaat om een oproep tot verandering van levensstijl, van individueel gedrag, het gaat om de strijd tegen armoede en oorlog. In de strijd tegen aids als complexe werkelijkheid kunnen wat ons betreft condooms niet gemist worden als één van de wapens die nodig zijn in deze historische werkelijkheid.

Die opvatting van Cordaid ten aanzien van Aids wordt ons niet altijd in dank afgenomen. We worden met argusogen gevolgd. Ik betreur het zeer dat de condoomdiscussie tot een fixatie in de aidsdiscussie in de kerk heeft geleid en dat het voor sommigen binnen de kerke functioneert als een lakmoesproef om te bepalen wie deugt en wie niet.

De uitdaging in onze binnenkerkelijke discussie is om terug te gaan tot voor de wissel, daar waar we vertrekken van een gelijk spoor waar de kernwaarden van het evangelie aan de orde zijn. Daar zouden we elkaar moeten kunnen vinden in die centrale begrippen als menselijke waardigheid, gerechtigheid en bekering om ze vervolgens in elkaars handelen te herkennen, ook als we achter de wissel soms andere wegen gaan.

Voor ons is contextualiteit een sleutelbegrip dat tot in de haarvaten van ons werk zit. Wie, zoals Cordaid, de pretentie heeft zich vanuit het verre en comfortabele westen aan te bemoeien tegen het leven en het lijden van anderen, past een grote bescheidenheid. Voortdurend is er de vraag waar macht en dominantie de relatie bepalen en wanneer kolonialisme de gedaante van ontwikkelingssamenwerking aanneemt. Goed luisteren naar de verhalen van lokale mensen, naar wat zij nodig hebben en oog hebben voor de situatie waarin zij verkeren, is daarbij essentieel. Ik ben ervan overtuigd dat duurzame oplossingen van binnenuit komen. Transfer van onze oplossingen zal niet werken. Vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking heeft dat telkens opnieuw laten zien.

Dat zoeken van oplossingen van binnenuit, vanuit de actuele ter plaatse aanwezige context is, als ik terugkijk naar de geschiedenis van de kerk, naar mijn overtuiging juist één van de sterkste kanten van de katholieke kerk is geweest. Dit heeft haar gemaakt tot een wereldwijde gemeenschap. Het verhaal aan het begin over Franciscanen die soepel en organisch mayarituelen verwerken in hun werk is daarvan een voorbeeld. Maar die geschiedenis begint bij het eerste concilie van Jeruzalem als de apostelen besluiten de niet-joden niet te onderwerpen aan alle joodse wetten; en bij Paulus op de Areopaag die probeert het christendom te vertalen in een voor de Grieken begrijpelijk denkkader. Die geschiedenis is nog heel recent als we kijken naar de missionaire beweging die steeds op zoek is geweest – met vallen en opstaan – naar verbinding tussen het concrete leven van mensen en de evangelische boodschap.
Het lijkt erop alsof we dat vermogen tot contextueel denken en handelen aan het verliezen zijn. Globalisering en de mogelijkheden van communicatie leiden tot harmonisering en uniformiteit, hetgeen in tegenspraak is met de toenemende diversiteit die steeds grotere uitdagingen stelt aan kerk en wereld. De nadruk op contextualiteit betekent niet dat ik geen waarde zou hechten aan de universaliteit van de kerk. Integendeel: voor mij is de universaliteit van de kerk van wezenlijk belang in de identiteitsgedrevenheid van Cordaid. De universele kerk is soms lastig, ik ontken dat niet. We hadden het daar zojuist over bij het Aids-vraagstuk. Maar zij is ook een geweldige mogelijkheid. Het is juist die universaliteit die verdedigd en gekoesterd moet worden. Daarin is sprake van een wereldwijd herkennen over de grenzen van culturen en rassen heen. Daarin is sprake van het delen van gemeenschappelijke waarden en van een gemeenschappelijke bron. Ik kom daar zometeen nog op terug.

Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking als kans
Ik kom nu bij het tweede deel van mijn inleiding. Ik zal daarin proberen te laten zien waarom de  identiteitsgedrevenheid een extra dimensie geeft aan ons werk.

Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking verbindt met 93% van de wereld
Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking heeft grote potenties in een wereld waar 93 % van de mensen zich religieus noemt. Het is misschien lastig dat die overige 7% vooral in West-Europa zit. Als identiteitsgedreven organisatie hebben we in zekere zin een voorsprong omdat we met onze partners in ontwikkelingslanden de betekenis van religie op waarde weten te schatten. Het biedt kansen om bruggen te slaan tussen Noord en Zuid en de stem van het zuiden in al zijn volheid, d.w.z. inclusief zijn religieuze component, te laten klinken. In juni was ik aanwezig bij het bezoek van een aantal kardinalen en bisschoppen uit ontwikkelingslanden aan de voorzitter van de Europese Commissie in het kader van de campagne voor de millennium development goals. Daarbij was goed te zien wat de betekenis is van kerkleiders, van het gezag dat ze hebben en hoe ze worden gezien als vertegenwoordigers van hun samenlevingen. Politieke leiders in de wereld zijn zich er goed van bewust dat kerkelijke organisaties dragende pijlers zijn van onderwijs en gezondheid, van de sociale infrastructuur van de samenleving.

Ik beschouw het daarbij als een uitdaging voor Cordaid, gevestigd in het seculiere westen,  de balans te bewaren tussen de werkelijkheid van de secularisatie en de identiteitsgedrevenheid. Voor mij is secularisatie geen scheldwoord. Er wordt in de secularisatiediscussie ten onrechte vaak verondersteld dat religie en de moderne seculiere mens elkaar niet verdragen. De vaak geconstrueerde tegenstelling tussen God en wereld, tussen God en mens is niet de mijne. Ik ben als theoloog gevormd door Schoonenberg en Schillebeeckx en voel me niet thuis bij de gedachte dat ze als voortdurende concurrenten bij elkaar landjepik zouden moeten spelen: alsof alles wat eer brengt aan God ten koste gaat van de mens of omgekeerd.  Secularisatie als het proces waarbij mensen steeds meer greep krijgen op de materie en de oorzakelijkheid van de dingen, op de omgeving  en op het eigen lichaam is in zichzelf geen negatief proces. Alsof God alleen maar kan bestaan als we het proces van kennis en ontrafeling van de wereld stoppen.  Het is ook te gemakkelijk om een scherpe scheiding aan te brengen tussen het geseculariseerde noorden en het religieuze zuiden. Secularisatie is een proces dat ook in ontwikkelingslanden steeds breder om zich geen grijpt. Ook daar willen mensen greep hebben op hun eigen toekomst. Wie de verwoestingen an de Tsunami of nu in Pakistan ziet weet dat we alles op alles moeten zetten om met behulp van techniek en kennis meer greep te krijgen op de aarde, om ons beter voor te bereiden en te wapenen tegen de verwoestingen der natuur. Er is geen enkele reden om daarvoor niet alles uit de kast te halen. Kennis en technologische innovatie is nodig om de grote uitdagingen van de toekomst,  de schaarste aan grondstoffen, de waterproblematiek, de klimaatvraagstukken op te lossen. Een romantisch en nostalgisch terugkijken naar het verleden is een miskenning van het harde bestaan  toen en van de historische realiteit nu. Ik deel niet de vaak door secularisten geuite gedachte dat secularisatie een onontkoombaar proces is dat uiteindelijk de hele wereld zal betreffen en uiteindelijk religie zal uitbannen. Het is aan identiteitsgedreven maatschappelijke organisaties om te laten zien dat religie ook uit in een geseculariseerde context betekenisvol is als drijvende kracht.

Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking vraagt verandering hier
Wie nadenkt over de rol van identiteitsgedreven ontwikkelingsorganisaties kan niet alleen stil blijven staan bij het werk in de landen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika. De manier waarop we in het rijke deel van de wereld omgaan met de rijkdom van deze aarde is onverantwoord, de manier waarop we de intermenselijke betrekkingen laten regeren door geld doet ons tekort. We hebben grote behoefte aan metanoia, aan verandering. De nadruk die Cordaid legt op vraagstukken van internationale handel, schuldverlichting, en de bijdrage aan ontwikkelingssamenwerking onderstreept die noodzaak tot verandering. Een duurzame rechtvaardige wereld zal niet mogelijk zijn, zolang we niet bereid zijn tot verandering en de consequenties te aanvaarden van een herziening van de internationale verdeling van welvaart. Maar ze zal ook niet mogelijk zijn zolang we niet investeren in nieuwe manieren van produceren en consumeren, met oog voor de schepping en haar behoud voor toekomstige generaties. Daarin gaat het zowel om collectieve als individuele metanoia. Die beide gaan hand in hand, net als in de strijd tegen Aids en net als in de tijd van Ariëns,

Voor die noodzakelijke verandering is een herbezinning op waarden nodig. Identiteitsgedreven organisaties zijn daarin van bijzondere betekenis omdat ze diepliggende bronnen van bezieling en waarden met zich mee dragen. Ze sluiten aan bij het zoeken naar identiteit en bezieling dat dagelijks waarneembaar is. Het aantal studiedagen en congressen over spiritualiteit is indrukwekkend. De behoefte aan diepgang, dieper gravende doelen dan de volgende vakantie of een grotere auto is groot. Ik sprak onlangs iemand die deze zomer op het popfestival Lowlands een biechterette had ingericht: een plaats voor bezoekers om met een psychologe te reflecteren over hun keuzen en dilemma’s in het leven. En constant bezet.

En ontwikkelingsorganisaties als Cordaid zorgen ervoor dat het pleidooi voor waarden en spiritualiteit verbonden blijft met concrete stappen naar meer gerechtigheid  zoals herziening van de wereldhandel en een eerlijker verdeling van grondstoffen. Zonder die verbinding met concrete hervormingen komen we in de agenda van Bush terecht, waar sterke nadruk op religiositeit samengaat met onverhuld materieel en nationalistisch eigenbelang.

Identiteitsgedrevenheid leidt tot echt engagement
Ik deel tot op zekere hoogte het beeld van een westerse wereld die technocratisch is, die ten onder gaat aan consumptie, die zich nog slechts laat leiden door economische waarden van geldelijk gewin. De monomane manier waarop elk politiek debat wordt beheerst door de vraag naar het geld en de totempaal van de koopkrachtplaatjes laten dat zien. Ik kan soms enige gêne niet onderdrukken als ik hoor dat we na drie jaar nulgroei toch echt allemaal recht hebben op groeiende koopkracht. Ik ontken niet het probleem van de armoede, maar het zijn in 2006 vooral de bovenmodale inkomens die erop vooruit gaan. Er is dus alle reden om bezorgd te zijn over de richting die de West-Europese samenlevingen uitgaan.

En de zorg over de richting wordt alleen maar groter als ik kijk naar het antwoord dat gezocht wordt. Aan het begin constateerde ik dat mensen zich tevreden en gelukkig voelden over hun individuele bestaan, maar onzeker en bezorgd over de samenleving. Het Noach-antwoord, het terugtrekken op de bescherming van het eigen individuele leven leidt ertoe dat mensen niet meer investeren in de samenleving. De zorg voor het collectief wordt overlaten aan de overheid of welke andere collectieve institutie dan ook. Er is een afnemend engagement met de wereld als gemeenschappelijk project, er is een toenemend utilitaristisch engagement met de wereld vanuit deelbelangen. We zijn bezorgd om de wereld voor zover het ons raakt, iets oplevert, ons vrijwaart van risico’s en bedreiging. Het ontbreekt aan diepgewortelde betrokkenheid bij de wereld ‘op ongenade en genade’, waarbij we niet wegkijken maar leven met de rotte kanten en de ellende. Er is behoefte aan mensen die de overall, de laarzen en de werkhandschoenen aantrekken om werk te maken van de wereld, zonder de krenten uit de pap te pikken en zonder in de zijlijn te blijven staan als de commentator bij het nieuws. Identiteitsgebonden ontwikkelingswerk, dat vertrekt vanuit een heilshistorisch en contextueel perspectief, wil midden in de wereld staan zonder selectief te zijn. Als Cordaid doen wij dat met vallen en opstaan. Wij hebben niet de wijsheid in pacht. Wij zijn een lerende organisatie en zijn voortdurend op zoek naar leermeesters en bondgenoten in dat proces.

Identiteitsgedrevenheid leidt ook tot radicaal engagement. Wie gelooft en leeft dat ieder mens geschapen is naar Zijn beeld en gelijkenis en oneindig kostbaar, dat de naamloze asielzoeker weggestopt in een opvangkamp voor God even belangrijk is als onze Paus, zal niet tevreden zijn totdat gerechtigheid iedereen insluit. Voor een identiteitgedreven organisatie betekent dat we niet tevreden zijn met politieke compromissen waarbij het grootste deel –helaas niet alle groepen – meedelen. Het kleurt ook onze organisatie in haar keuze voor basisgroepen. Het is niet voor niets dat Cordaid in het totale palet van medefinancieringsorganisaties het meest grassroot georiënteerd is.

Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking: verlossing moet ons gegeven worden
Het christendom is bijzonder omdat het in zekere zin een geloof van losers, van verliezers is. Wie de rauwe werkelijkheid van het kruis op Calvarie op zich in laat werken, wie het verhaal van Emmaüs leest over het uiteengeslagen groepje leerlingen, kan niet anders dan concluderen dan dat we met een mislukking van doen hadden. Die verliezers zijn winnaars geworden. De steen die de bouwlieden hebben verworpen is tot hoeksteen geworden. Daarmee zijn we als christenen doordrongen van de overtuiging dat we aangewezen zijn op verlossing, op Zijn genade.

Dat is juist voor ontwikkelingssamenwerking van belang. We staan daarin voortdurend bloot aan de verleiding van de almachtige fantasie, aan de verleiding om een alomvattend plan te ontwerpen waarin we de rechtvaardigheid zelf scheppen, waarin we de wereld herscheppen van de kleinste dorpen in Bourkina Fasso tot de vergaderzaal van de Verenigde Naties. De geschiedenis van de afgelopen tweehonderd jaar heeft voldoende  ideologische projecten laten zien van de nieuwe hemel op aarde, maar die geëindigd zijn in bloed en verwoesting. Christelijk geïnspireerde ontwikkelingssamenwerking weet dat het hoogste wat wij kunnen doen is met de genade mee te werken. Dat moeten we doen met inzet van al onze capaciteiten, kennis en kunde, maar het blijft meewerken aan Zijn genade. Wie met zulke grote projecten bezig is als een rechtvaardiger wereld, past in de eerste plaats de deugd van de bescheidenheid.

Identiteitsgedrevenheid als universele kracht
Er is in de wereld maar een echte multinational en dat is de Katholieke Kerk. Ze is misschien niet de enige organisatie die in zoveel landen aanwezig is, ze is wel de enige die daar waar ze is niet blijft hangen in overheden en airconditioned kantoren. Die tot in de diepste uithoeken van Botswana en Indonesië het leven van mensen deelt in universele verbondenheid. Als er op Tweede Kerstdag in Iran een aardbeving is, dan bellen we diezelfde dag met de bisschop van Teheran en zit twee dagen later iemand van Cordaid daar om te zien wat we kunnen doen. Datzelfde geldt voor de Afrikaanse gezondheidszorg, voor de strijd die we samen met de kerk van Sudan en Congo voeren om vrede en verzoening tot stand te brengen.

Die waarde moeten we koesteren ondanks verschillen van opvatting over kwesties van theologie en moraal. Ze biedt ons unieke mogelijkheden om effectief en geworteld in de dagelijkse werkelijkheid actief te zijn.

Deel zijn van die universele gemeenschap maakt dat we meer zijn dan een noordelijke financieringsorganisatie. We zijn deel van één familie, buitengewoon divers, maar wel een die zich laaft aan een gemeenschappelijke bron. Die universaliteit weerhoudt ons ook van elke vorm van westerse arrogantie en van zelfgenoegzaamheid en breekt grondig met de gedachte dat zij deel zijn van het probleem en wij van de oplossing. We zijn samen deel van het probleem en samen ook deel van de oplossing.

Dat te mogen vieren behoort tot de meest dierbare momenten van deze twee jaar werken bij Cordaid: de mis op het plein bij de herdenking van de moord op Romero afgelopen april, de ontmoeting met religieuzen in een hospice voor aids-patiënten in Johannesburg, dat gebed bij die boomplanting in El Salvador. Wereldwijd gedeelde gedrevenheid die bezielt.

Identiteitsgedrevenheid en diversiteit
Een identiteitsgedreven organisatie die contexualiteit en heilshistorisch denken tot de kern van haar zelfverstaan maakt, kan niet verder zonder zichzelf rekenschap te geven van de diversiteit in de wereldsamenleving.

Voor grote groepen van de nieuwe generatie in Nederland geldt dat zij het menu van hun spirituele en morele waardenoriëntatie samenstellen uit verschillende bronnen. Interesse in christelijke waarden vermengt zich met oosterse technieken, aan de natuur ontleende krachtlijnen. Daarmee wordt door de nieuwe generatie afgerekend met exclusieve waarheidsaanspraken. Ze zijn er simpelweg niet in geïnteresseerd. Voor zover ze al op zoek zijn naar waarheid is het een set van waarheden die vanuit een vergelijkende benadering is opgekomen. Ze zijn op zoek naar waarachtigheid, naar authenticiteit en integriteit als dragende waarden van hun identiteit.

Voor kerken en religies die een afgerond systeem kennen van opvattingen, waarden en geloofsovertuigingen is dat moeilijk te verdragen. Te weinig zijn we bereid om die competitie aan te gaan, te zeer stellen we binnen de kerk de alles of niets vraag: of je gaat helemaal met ons mee, in alle moraaltheologische en dogmatische leerstukken, of je blijft maar buiten staan. We willen ons niet verlagen tot de positie van een verkoper op de religieuze markt die zijn waar aanprijst, tenslotte pretenderen we de ultieme waarheid te bezitten. Wie achter nauwkeurig kijkt naar de 5 p’s van de marketing van de kerkelijke boodschap kan nauwelijks anders dan tot de conclusie komen dat we het op alle punten afleggen tegen zoveel anderen die morele en spirituele waarden bieden.

Als ontwikkelingsorganisatie die actief is in de hele wereld, in Latijns-Amerika en delen van Afrika waar christendom en katholicisme dominant zijn, maar ook in Azië waar christenen vaak een uiterst kleine minderheid vormen, is diversiteit een vanzelfsprekendheid. In onze globaliserende wereld met zijn toenemende migratiestromen zal de homogeniteit van culturen steeds verder afnemen en wordt heterogeniteit de basis van waaruit we leven.

In die gegevenheid van diversiteit zijn twee dingen essentieel.

  • In de eerste plaats de acceptatie van heterogeniteit en diversiteit zonder oordeel vooraf, in de erkenning van de waarde en betekenis van de veelkleurigheid van culturen en religies.
  • In de tweede plaats in de overtuiging dat juist in diversiteit het zichtbaar laten zijn van de eigen identiteit en gelovige bezieling noodzakelijk is, willen we onze wereld niet overlaten aan de smakeloze uniformiteit van Coca-Cola en Mc Donalds.

Er is dus alle reden om onze identiteitsgedrevenheid te laten zien, niet vanuit waarheidsaanspraak, maar vanuit de overtuiging dat onze wereld rijker wordt door die inbreng.

Onze katholieke kerk en dan met name haar hiërarchie heeft zichtbaar moeite met die diversiteit, zowel in eigen huis als in haar relatie met de wereld. Daarmee dreigt een zelf gekozen isolement. Zonder een nieuw antwoord op de uitdaging van de diversiteit zal ze er niet in slagen een boodschap te bieden aan de moderne westerse mens en dreigt ze in de wereldgemeenschap zichzelf te marginaliseren. 

Tot slot: een aantal concrete initiatieven
De proof of the pudding is in the eating. Ofwel: en wat betekent dit alles, deze analyses en standpuntbepalingen nu voor de praktijk van Cordaid? Laat ik een viertal concrete initiatieven noemen:

In 2007 vieren we het veertigjarige bestaan van Populorum Progressio, dat je zonder aarzeling de magna charta van katholieke ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties mag noemen. Wie het document nu leest wordt verrast door de actualiteit ervan. De nadruk die het legt op eerlijke handel tussen rijke en arme landen is nu, een paar weken voor de grote Wereldhandelsconferentie in Hong Kong, betekenisvol. De betekenis die het hecht aan de rol van de Verenigde Naties is een hart onder de riem van hen die een alternatief zoeken voor de onevenwichtigheid van het huidige unilateralisme. Populorum Progressio doet een oproep tot hernieuwing van inzet en commitment van organisaties en individuen. Dat laatste is door onze organisaties te lang onderbelicht gebleven door de sterke nadruk op verandering van structuren.

Vandaar dat we samen met onze zusterorganisatie Cafod onlangs het initiatief hebben genomen om voor 2007 ter gelegenheid van dat veertigjarig bestaan van Populorum Progressio opnieuw na te denken en praktische handvaten te ontwikkelen voor die individuele kant van de noodzakelijke metanoia. Hoe leven we in deze overdadige wereld als identiteitsgedreven mensen, welke mogelijkheden hebben we om actief rekenschap te geven van de onrechtvaardige verdeling van welvaart. Die overtuiging van verandering en van omkering delen we met de profeten uit het Oude Testament, met Jeremia, met Hosea, met Amos. Dat moet wat mij betreft geen moralistisch verhaal worden, maar een op bezieling gebaseerde handreiking vanuit onze traditie van de deugdenleer en wat het betekent goed te leven.

Met een tweede initiatief willen we de nadruk leggen op de noodzaak om in een steeds diverser wordende wereld onze identiteitsgedrevenheid zichtbaarder te maken. De achterban binnen onze katholieke gemeenschap is toe aan nieuwe vitaliteit. Velen in MOV-groepen doen met grote trouw hun werk al jaren sommigen al meer dan 25 jaar. Vernieuwing is er onvoldoende. Daarbij is het een uitdaging om nieuwe groepen te binden aan de vraagstukken van mondiale gerechtigheid. Ik was in Keulen tijdens de Wereldjongerendagen en constateer dat daar een potentieel ligt dat onvoldoende aangeboord wordt. Ik denk ook aan de groepen van leken die zich de afgelopen jaren hebben verbonden aan ordes en congregaties.

Een derde initiatief is de aanstaande fusie van Cordaid met de Bond Zonder Naam. Deze is geworteld in de katholieke traditie van pater Henri de Greeve en gericht op de armoede in eigen land. Want dat armoede en uitsluiting zich niet beperken tot de traditionele ontwikkelingslanden bleek wel uit de gevolgen van de orkaan Katrina. Met de globalisering gaat de armoede mee. Dat maakt het noodzakelijk om de vraagstukken van armoede in eigen samenleving op de agenda te zetten.

De fusie met BZN laat zien dat we vanuit onze identiteitsgedrevenheid ook een boodschap hebben aan uitsluiting in onze eigen samenleving en moet de basis vormen van een verdere uitbouw van een binnenlands programma.

Samen met ICCO, met Oikos, met de Islamitische Universiteit van Rotterdam en het Institute of Social Studies hebben we het initiatief genomen tot een kenniscentrum religie en ontwikkeling als een platform, waar we kennis en ervaring uitwisselen over de mate waarin religie en ontwikkeling samenhangen. Waar we op zoek zijn naar identiteit als drijvende kracht voor gerechtigheid en verzoening, maar waar we onze ogen niet sluiten voor de negatieve kanten van religie waar ze door wereldlijke en kerkelijke leiders – ook christelijke – wordt gebruikt om haat en verdeeldheid te zaaien. Waar we tussen noord en zuid bruggen willen slaan.

Ik sluit af
De identiteitsgedrevenheid van Cordaid is geen pakketje waar je een strik om kunt doen. Ik heb tot nu toe ook niet de minste behoefte gehad om een beleidsnotitie over dit onderwerp te laten schrijven. Het is nog veel te vroeg om tot welomschreven conclusies te komen en posities te bepalen.  Ook hier geldt dat het meer om dynamiek gaat dan om het  vastleggen, dat de weg belangrijker is dan het doel.

Daarbij worden we geholpen door de overeenkomstigheid van het begrippenkader, waar ik mee begon. Er zit veel gemeenschappelijks in de aard van ons werk, dat is de dragende basis. Dat hoeft ook niet altijd expliciet benoemd te worden. Daarbij worden we geholpen door de verhalen van de Schrift die ons laten zien hoe heil geschiedt in de geschiedenis van mensen telkens opnieuw, maar telkens anders. En we worden geholpen doordat we deel zijn van een universele gemeenschap van gelovige gedreven mensen, die ons verbindt.

Identiteitsgedreven ontwikkelingssamenwerking bij Cordaid is daarom niet alleen een kans, het is ook een voorrecht.