2005 Menselijke waardigheid

Menselijke waardigheid en de praktijk van Cordaid.

Elke twee weken ga ik op zondagmorgen naar mijn geheel demente moeder in het verpleegtehuis. En als het zo uitkomt, gaan we samen naar de kerkdienst van het tehuis. Zo’n zestig demente bewoners, enkele personeelsleden en wat familie. In die omgeving, ontdaan van elke pretentie wat betreft ruimte, een welluidend koor of een welsprekende voorganger, wordt liturgie teruggebracht tot zijn meest essentiële dimensie: het vieren van het leven en de menselijke waardigheid vanuit de overtuiging dat onze goede God evenveel waarde hecht aan het leven van elk van deze demente ouderen als aan dat van u en van mij, van de Paus of van George Bush.

Menselijke waardigheid is de kern van het boek dat vandaag gepresenteerd wordt en waarin Marjolijn Drenth von Februar en enkele coreferenten ons verschillende invalshoeken biedt voor het verstaan van die menselijke waardigheid in het licht van het huidige proces van globalisering. Toen Wim van der Donk mij vroeg om mijn licht daarover te laten schijnen, drukte hij mij op het hart dat te doen vanuit de praktijk en vanuit de vraag of wat de bruikbaarheid en betekenis is van een dergelijke benadering voor een organisatie als Cordaid die met zijn laarzen in de dagelijkse praktijk staat van internationale samenwerking en globalisering. Johan Verstraete onderstreept dat nog in de laatste zin van zijn artikel en slaat zo de brug naar mijn bijdrage. Ik citeer: ‘Er bestaat geen werkelijk universeel debat over de menselijke waardigheid zonder dat we ons rekenschap geven van de geleefde werkelijkheid van de armen’ (einde citaat).

Misschien in het niet zonder reden ook de laatste zin van het boek.

Van de drie invalshoeken die het boek presenteert: menselijke waardigheid als materiële, economische waarde, als recht en als ontologische sprong, concentreer ik mij op het laatste aspect. Dat oogt misschien verrassend voor een ontwikkelingsorganisatie die dagelijks geconfronteerd wordt met economische ongelijkheid en met mensen die geen recht gedaan wordt, en die zich inzet voor de MDG’s om mensen boven die mensonwaardige 1 dollargrens uit te tillen.

Ik zal in mijn bijdrage allereerst een drietal voor mij fundamentele aspecten van menselijke waardigheid als ontologische kwaliteit bezien om vervolgens de verbinding te maken met drie kernbegrippen uit het katholiek sociaal denken die voor Cordaid’s werk centraal staan.

Menselijke waardigheid is universeel en is daarmee een verbindende schakel tussen mensen over elke scheiding van ras, religie en economische positie. Met alle verscheidenheid hebben we in de menselijke waardigheid iets waar we elkaar in herkennen en waar we elkaar op kunnen aanspreken. Niemand kan er voor weg lopen, noch voor de waardigheid in zichzelf, noch in die van een ander. Het is terecht dat menselijke waardigheid wordt genoemd in de preambule van de universele verklaring van de rechten van de mens. Die menselijke waardigheid geeft ons het recht vrouwenbesnijdenis in Somalië, kinderarbeid in Bangladesh en discriminatie van Dalits in India aan te klagen en ons niet te laten afschepen met welke cultuurrelativistische redenering dan ook. We leven in een tijd die korte metten heeft gemaakt met alle vormen van onderscheid die tot vijftig jaar geleden algemeen geaccepteerd waren: tussen vrouwen en mannen, tussen zwarten en blanken, tussen homo’s en hetero’s. Er is geen rationale meer voor welke vorm van discriminatie ook. Met de encycliek Pacem in Terris en het conciliedocument Gaudium et Spes heeft de kerk mensenrechten en menselijke waardigheid tot de basis gemaakt van haar denken over de wereld. Hooguit zou de kerk zich af moeten vragen hoe die fundamentele gelijkheid zich verhoudt tot haar eigen onderscheid tussen mannen en vrouwen, clerus en leken.

Net zo min als er een rationale is voor discriminatie, is er een rationale voor de dagelijkse schending van de menselijke waardigheid die zich overal op de wereld voordoet. Een van mijn medewerkers was onlangs in de sloppenwijken van Nairobi, kort nadat hij de film the Pianist van Polanski had gezien. Hij was pijnlijk getroffen door de overeenkomsten die hij waarnam tussen de concentratiekampen en deze abjecte verzamelplaatsen van armoede heden ten dage: de survival of the fittest, het vuil en de stank, de onverschilligheid ten opzichte van het lijden van anderen.

Een tweede aspect van menselijke waardigheid als ontologische kwaliteit is de verbinding tussen het individuele en het collectieve. Die verbinding is voor Cordaid vitaal omdat we enerzijds geloven dat ieder mens telt en anderzijds weten dat alleen collectief verankerde gerechtigheid stand houdt. In het discours over mensenrechten is de discussie over individuele en collectieve rechten een oneigenlijke: de menselijke waardigheid is niet alleen een individueel bezit, maar ook een collectief bezit, is niet alleen een kwaliteit van ieder individu, maar een kwaliteit van ons als mensengemeenschap. En dus iets waar een collectieve verantwoordelijkheid voor bestaat om die te respecteren.

Een derde aspect van menselijke waardigheid als ontologische kwaliteit is dat ze ons gegeven is, niet verworven, niet gekocht, niet de vrucht van onze arbeid. En daarmee, in gelovig perspectief, genade, Gods genade. Wanneer we vanuit dat perspectief van genade de menselijke waardigheid bezien, worden we ons bewust van haar kracht, maar ook van haar kwetsbaarheid: het is aan ons om de betekenis daarvan te onthullen en tot zijn recht te laten komen. Het oude adagium dat we met de genade moeten meewerken, geldt juist ook in dit geval. En er zijn in de geschiedenis en vandaag de dag nog ontstellend veel situaties waarin mensen individueel en collectief er een rotzooi van maken en de menselijke waardigheid, zoals Verstraeten het met een mooi woord noemt: verwonden.

Een wereld die de Holocaust en Pol Pot en Pinochet en Sadam Hussein heeft meegemaakt weet dat menselijke waardigheid als ‘gegevenheid’ geen vanzelfsprekendheid is. Dat ze kwetsbaar is. Het is de benadering van menselijke waardigheid als gave en als uitnodiging die om ons antwoord en medewerking vraagt die ons verre houdt van triomfalisme.

Menselijke waardigheid als ontologische kwaliteit heeft een grote betekenis als voedingsbodem voor de kernbegrippen van het katholiek sociaal denken dat in het werk van Cordaid verankerd is. Het kernbegrip van het bonum commune heeft een directe link met de menselijke waardigheid: als basis voor universele gelijkheid legt ze de basis voor de overtuiging dat de goederen van deze wereld gemeenschappelijk eigendom zijn. Hoewel we ons individueel en collectief voortdurend van alles toe-eigenen (delfstoffen, water, grond, patenten op aidsmedicijnen, biodiversiteit) gaat het om gemeenschappelijk goed. Daarmee is het verdelingsvraagstuk een onvervreemdbaar deel van de agenda van Cordaid. Dat verdelingsvraagstuk lijkt inmiddels van de agenda verdwenen in een tijd van neoliberale economie, waarin economische groei en het stimuleren van de supply-side centraal staan. Wie echter kijkt naar de positie van de armen, ook in de zogenaamde middle-income landen als India, Peru of Brazilië, kan niet anders dan concluderen dat juist in een denken over groei het vraagstuk van de verdeling onmiskenbaar aan de orde is voor wie bezorgd is over het bonum commune. Ook in de landen met economische groei en goede vooruitzichten vormen zich omvangrijke pockets of poverty van mensen die gemarginaliseerd zijn en aan wie steeds minder aandacht wordt besteed in het licht van florissante macro-economische cijfers. Zonder een duidelijke agenda voor het verdelingsvraagstuk zal, om het met een helder Nederlands spreekwoord te zeggen, de duivel op de grote hoop blijven schijten.

De solidariteit, het tweede kernbegrip uit het katholieke sociale denken, laaft zich ook aan de menselijke waardigheid als bron. De collectieve dimensie van de menselijke waardigheid en de constatering dat we met de genade mee moeten werken om die menselijke waardigheid te respecteren en te voorkomen dat ze gewond raakt, is de basis voor solidariteit. Als we binnenkort herdenken dat Aartsbisschop Romero 25 jaar geleden werd vermoord is het goed om nog eens te zien hoe hij de verbinding legt tussen menselijke waardigheid en solidariteit. Zijn zorg om de menselijke waardigheid uit zich in zijn zorg om individuele mensen maar tegelijkertijd in de zorg om zijn volk, slachtoffers én daders tegelijk. Dat brengt hem tot solidariteit, tot niet wegkijken, maar tot een zien dat tot handelen leidt.

De subsidiariteit die een derde pijler is van dat katholieke sociale denken is misschien wel het hart van het werk van Cordaid en baseert zich op de universele menselijke waardigheid. Als ontwikkelingsorganisaties werken we met partners, kijken we naar de competenties die ter plaatse aanwezig zijn en geloven we in hun kracht. Menselijke waardigheid vertaald in subsidiariteit betekent dat we ervan overtuigd zijn dat mensen zelf in staat zijn een antwoord te vinden op hun problemen en uitdagingen en dat hun waardigheid hen sterk genoeg maakt om hun eigen kracht individueel en collectief te mobiliseren. Juist in het zicht van de toekomst van de wereld is die subsidiariteit van groot belang. We weten dat deze wereld 3,5 keer zo groot of rijk zou moeten zijn om alle wereldbewoners van hetzelfde welvaartsniveau te laten genieten als de huidige westerse mens. Dat zou ons ertoe moeten aanzetten om met ongekende nieuwsgierigheid te kijken naar de nieuwe eigen oplossingen van ontwikkelingslanden. In plaats daarvan hebben we nog steeds de neiging om onze oplossingen en modellen met hun beslag op natuurlijke hulpbronnen te presenteren als het best denkbare en te wensen toekomstperspectief.

De menselijke waardigheid vraagt erom gerespecteerd te worden om tot ontplooiing te kunnen komen. Ze vraagt erom verkondigd en verdedigd en soms bevochten te worden zodat ze ruim baan krijgt. Daarin ligt wat mij betreft een belangrijke uitdaging voor de katholieke kerk in de komende jaren. Ook Onno Ruding wijst op dat aspect in zijn bijdrage. De kerk heeft in veel ontwikkelingslanden een grote legitimiteit. Niet alleen gebaseerd op aantallen gelovigen, maar juist en vooral gebaseerd op haar maatschappelijke importantie. In de gezondheidszorg en in het onderwijs van veel landen neemt de kerk een sterke positie in, zowel kwantitatief in aantallen als kwalitatief in de inhoudelijke kwaliteit en de inzet en toewijding waarmee gewerkt wordt. Die positie zou naar mijn mening meer en steviger benut kunnen worden om uit kracht van de kennis en ervaring publieke standpunten in te nemen over de eigen samenleving en over datgene wat in onze welvarende landen moet gebeuren. Op grond van de menselijke waardigheid als genade en op grond van haar eigen inzet heeft de kerk recht van spreken in het sociale domein. De Millennium Development Goals zijn bij uitstek een terrein voor kerkelijk engagement. Ze zijn de vertaling van menselijke waardigheid in concrete doelen op terreinen waar de kerk een sterke maatschappelijke positie inneemt. Daarbij samen kunnen optrekken met kerken in Noord en Zuid zou de kracht van onze partners en van Cordaid kunnen versterken.

Ik sluit af met nog een enkele opmerking over menselijke waardigheid als recht. De rechtenbenadering heeft in de afgelopen jaren een stevige plaats gekregen in het ontwikkelingsdebat. Dat is terecht, we hebben het niet over aalmoezen. Ik geloof echter dat de menselijke waardigheid als ontologische kwaliteit – als aanwezige genadegave – een dieper fundament van ons werk legt, waarin vervolgens de rechtenbenadering moeiteloos een plaats vindt.

In de Kopenhagenconsensus hebben de wetenschappers berekend dat het leven van een inwoner van de derde wereld 22.227 dollar waard is. Het leven van ons hier is gemiddeld 6 miljoen dollar waard. En dan zal dat van de voorzitter van de WRR en van de minister vast iets meer waard zijn dan het mijne. Hoe zouden de economen van Kopenhagen denken over de waarde van het leven van mijn demente moeder en haar demente medebewoners?