2008 Globaliseringdebat

Inleiding voor Globaliseringdebat

26 september 2008

Tijdens een reis in maart dit jaar bezocht ik op de Filippijnen inheemse gemeenschappen in Mindanao die in hun bestaan bedreigd worden door grote plantages voor biofuels en door mijnbouwprojecten die de honger naar grondstoffen moeten stillen. Met Cordaid’s steun zijn ze begonnen hun economische positie te versterken door de traditionele productie van kleding, tassen, sieraden. Productiemethoden die zijn gebaseerd op de grondstoffen die het bos hun biedt. Die producten worden nu in de shopping malls van Manilla verkocht. Inmiddels is ook de verkoop in Europa op gang gekomen en is een designer uit Engeland ingevlogen om hen te adviseren over de smaak van Europese consumenten.

Ook voor de inheemse gemeenschappen in de bossen van Mindanao is globalisering een niet meer weg te denken werkelijkheid. Echter, terwijl ze wel blij zijn met Europese klanten die tassen kleding en sieraden willen kopen, zijn ze dat niet met Europese klanten die hun palmolie willen opkopen.

Het gaat dus niet vóór of tégen globalisering vanmiddag. Ook Cordaid en haar partners zien er de mogelijkheden en de kansen van. Maar het voorbeeld van Mindanao maakt maar al te goed duidelijk dat er sprake is van goede en slechte globalisering, van globalisering ten dienste van mensen en globalisering die mensen schaadt en marginaliseert.

Ik doe dat eigenlijk op een ongelukkig tijdstip. Over vier dagen verschijnt, als de aankondigingen kloppen, een nieuwe encycliek van de Benedictus XVI, waarin hij zijn licht zal laten schijnen over o.a. globalisering en klimaat. Een nieuw document in de verdere ontwikkeling van het christelijk sociaal denken. Deze bijeenkomst is te laat om hem te beïnvloeden, te vroeg om erop te reageren en zijn inbreng mee te nemen.

Vandaag richt ik mij op het SER-advies over globalisering. Ik doe dat vanuit het christelijk sociaal denken en vanuit de vraag of het christelijk sociaal denken daaraan iets bij te dragen of bij te sturen heeft.

Laat ik beginnen met een heldere constatering: ik vind het SER-advies teleurstellend en kan me niet voorstellen dat er over tien jaar nog iemand naar terug grijpt. Het is niet een advies dat een nieuwe richting wijst in een wereld waarin veranderende politieke en economische machtsverhoudingen, uitdagingen op het terrein van klimaat en vragen van schaarste een nieuwe werkelijkheid scheppen. Hoewel het SER-advies, zoals Bart van Riel dat zojuist gloedvol heeft geschetst, een breed welvaartsbegrip omarmt met aandacht voor de kwaliteit van leefomgeving, welzijn en sociale cohesie, blijft het advies eigenlijk steken in het onderbouwen van de economische aspecten. Wie het advies leest komt vooral de bekende termen tegen uit het economische discours: Lissabon agenda, EPA’s, Europese landbouwbeleid, handelsliberalisatie, markttoegang. Wat klimaat betreft wordt verwezen naar Kopenhagen. Mocht dat niets worden dan – en ik citeer uit de samenvatting – ‘dient een nieuwe afweging binnen de EU gemaakt te worden hoe die doelstellingen te bereiken, resp. welke unilaterale doelstellingen verantwoord zijn in relatie tot de concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven’. Van zo’n zin druipt de ambitie nog niet af. Wel de voorzichtigheid. Als het gaat om maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt vooral ingezet op zelfregulering van het bedrijfsleven. Er wordt door de SER een document opgesteld dat – en ik citeer nogmaals de samenvatting – ‘onder de aandacht van de leden gebracht. Deze werkwijze garandeert een breed commitment onder het initiatief’. Als het allemaal zo gemakkelijk was, was het in de wereld allemaal al lang geregeld. Daarbij komt dat de op zichzelf prima ‘decent work’ agenda van de ILO  ook al weer enkele jaren oud is.

Het SER advies is dus een gemiste kans. Veel herhaling van goede intenties (daaraan ontbrak het al niet) maar nauwelijks nieuwe initiatieven die in het licht van armoede, dreigende schaarste aan energie en grondstoffen en klimaat alleszins op zijn plaats zouden zijn geweest. Het advies sluit hoe dan ook goed aan bij de troonrede én de geruststellende woorden dat we het nog niet zo gek doen.

Het SER-advies is vooral teleurstellend omdat het eigenlijk om de groeiende kritiek op het neoliberale economisch paradigma heen draait. Dat model blijft daardoor als impliciete vooronderstelling bestaan. Ik ga geen gemakkelijke bashing daarvan doen op basis van de kredietcrisis van het laatste jaar, maar zonder een fundamentele kritiek op de neoliberale economische uitgangspunten is een globaliseringadvies dat nieuwe richting wil geven aan de strijd tegen armoede en tegen de degradatie van de leefomgeving niet denkbaar.

Ik richt me daarbij op drie punten.

De inkomensongelijkheid. Ook van Riel erkent dat ongelijkheid tussen landen én binnen landen toeneemt. Dat proces is al veel langer gaande en door het Wereldbankrapport van 2006 Equity and Development grondig gedocumenteerd. Elke Angolees kan op de achterkant van een sigarendoosje uitrekenen hoeveel er het afgelopen jaar extra is verdiend door de gestegen olieprijs en vraagt zich af waarom hij of zij er niet van profiteert. Het huidig economische denken heeft eerlijk delen van de agenda gehaald in de hoop dat economische groei ergens in de keten ooit wel de armen zal bereiken.

Het SER-advies herhaalt het bestaande beleid ten aanzien van pro poor growth hoewel de IOB evaluatie van het Nederlandse beleid in Afrika stelt dat de effecten van het huidige beleid op de armsten niet aantoonbaar is. Paul Collier heeft in zijn boek ‘De Bottom Billion’ met overtuiging dat concept als beleidsretoriek ten grave gedragen. Pro poor growth in een neoliberaal economisch model is het mengen van water en olie. Dat gaat nu eenmaal niet. Echte armoedebestrijding kan niet zonder een nieuw economisch paradigma dat breekt met het neoliberale denken.

Het tweede punt betreft de investeringen in de kracht van ontwikkelingslanden. De heersende economische theorie van globalisering en open markten op basis van comparatieve voordelen, leidt ertoe dat Afrika voor lange jaren veroordeeld blijft tot de rol van leverancier van goedkope grondstoffen en goedkope arbeidskrachten. Investeren in een productieve industrie voor Afrika vraagt om lange termijn investeringen en voldoende bescherming van die industrie in de opbouwfase. De vaak aangehaalde succesverhalen van vooral Aziatische landen (Korea, Taiwan, en nu China) zijn allemaal gebouwd op lange termijn investeringen en bescherming van infant industries. Gedwongen handelsliberalisering en privatisering die leiden tot korte termijn aandeelhoudersbelang zijn daarom funest voor de opbouw van industriële capaciteit. Globalisering die gebouwd is op handelsliberalisering zal Afrika niets opleveren.

Het derde punt betreft de afwenteling van sociale en ecologische kosten. Armoede en milieudegradatie hebben hun oorzaak in een economie die de kosten van menswaardige arbeid en een kwalitatief goede leefomgeving afwentelt op anderen. Daarom lopen de meeste mensen in de wereld rond zonder enige bescherming tegen ziektekosten en ouderdomsvoorzieningen En daarom gaat het kappen van het regenwoud in Brazilië met grote snelheid verder. Maatschappelijk verantwoord ondernemen in haar huidige opzet is volstrekt onvoldoende om deze afwentelingmechanismen om te buigen.

Een globaliseringadvies dat zich rekenschap had willen geven van deze uitdagingen waarvoor wij nu staan op het terrein n van armoede, klimaat en schaarste, had tenminste deze drie onderwerpen geadresseerd in het kader van een kritische reflectie op de neoliberale economie.

Genoeg geklaagd over het SER-advies. Ik hoop dat we in het gesprek na de werkgroepen nog wat verder kunnen doorpraten over deze punten van kritiek.

Dan de vraag of het christelijk sociaal denken een antwoord heeft dat een beter perspectief biedt. Ik zie daarvoor vier aanknopingspunten:

Mijn eerste pijler betreft de verbinding tussen globalisering en het principe van de subsidiariteit, dat in het christelijk sociaal denken een belangrijke plaats inneemt. Daarbij definieer ik subsidiariteit als de strategie waarbij je pas een beroep moet doen op het hogere niveau als het lagere niveau – zo nodig geholpen door het hogere niveau – zijn rol en taak niet naar behoren kan uitvoeren. De overmatige aandacht voor globalisering als dé oplossing van economische problemen en de toverstaf voor ontwikkeling heeft dringend behoefte aan relativering vanuit subsidiariteit. Twee cijfers: Hoezeer onze ministers ook het belang van globalisering benadrukken, nog steeds geldt ook voor ons land dat ons nabuurland Duitsland met afstand onze grootste handelspartner is en dat onze handel met de landen van de Europese Unie

80 % is. Een ander cijfer: 90% van de productie, verwerking en consumptie van voedsel vindt binnen landen of binnen regio’s plaats. Slechts 10% vindt plaats op de schaal die we tegenwoordig globalisering noemen. Die cijfers plaatsen het belang van globalisering in het juiste perspectief. Maar als het dus zo is dat het overgrote deel van onze economische activiteit op nationaal en regionaal niveau plaatsvindt, dan is het investeren in het versterken van dat niveau van het grootste belang. Het christelijk sociaal denken zegt: geef ruim baan aan de nationale en regionale economie, versterk daar wat versterkt moet worden, en definieer zorgvuldig wat daar niet gedaan kan worden als taken en rollen die globaal moeten worden ingevuld. Dan wordt globalisering van economieën niet de eerste optie maar de sluitsteen van een economisch denken dat onderaan begint.

Ook ecologische ontwikkelingen dwingen ons tot het herzien van dat denken. Cradle to cradle denkers als Michael Baumgart voorspellen ook een herregionalisering van de industrie omdat het slepen met mensen en goederen over de hele wereld niet duurzaam en energieverslindend is.

Hernieuwde waardering en praktiseren van subsidiariteit heeft wat mij betreft ook direct te maken met een tweede principe van het Christelijk Sociaal Denken, de menselijke waardigheid. Ook mensen zijn slechts een grondstof geworden in het productieproces. We slepen ze over de hele wereld als onderdeel van dat economisch denken. Het SER-advies heeft een essentieel onderdeel van de globaliseringdiscussie laten liggen door zich niet intensief te buigen over migratie. De Filippijnse moeders die hun kinderen bij oma achterlaten om zelf nanny te worden in Amerika of Saoedi-Arabië en de Centraal Amerikaanse migranten in de VS die met zijn zessen een kamer delen, waarbij de ene helft overdag slaapt en de andere helft ’s nachts, zijn daarvan schrijnende voorbeelden. De gedachte dat die mensen blij zijn en dankbaar mogen zijn met werk en inkomen – ook al is in het in minder gunstige omstandigheden – is onvoldoende antwoord op het vraagstuk van de menselijke waardigheid.

Mijn derde punt betreft de noodzakelijke verbinding tussen globalisering en het principe van het common good. We moeten overigens steeds meer spreken van ‘global common goods’. We zijn ons de laatste vijf jaar – dat had na het rapport van de club van Rome in 1972 toch echt eerder gekund – bewust geworden van het besef dat een aantal publieke goederen op wereldschaal betekenis hebben. Energie, grondstoffen, biodiversiteit, schone lucht, water: ze zijn voor de hele wereld van belang en ze zijn niet onuitputtelijk.

De groeiende bevolking en de groeiende welvaart creëren een volstrekt nieuwe situatie: we kunnen het beheer en de verdeling van die publieke goederen niet meer aan individuele landen, laat staan aan individuele organisaties en bedrijven overlaten. Terwijl we in het economische verkeer van producten en diensten veel meer zouden moeten investeren in het principe van subsidiariteit, is het beheer van de global common goods nu juist iets dat we juist op een hoger niveau moeten trekken. Het tragische is dat we de afgelopen twintig jaar precies het tegenover gestelde hebben gedaan: economische productie geglobaliseerd en beheer van publieke goederen geprivatiseerd.

Juist de benadering vanuit het begrip global common goods positoneert naar mijn overtuiging ook ontwikkelingssamenwerking in een nieuw en breder concept van internationaal denken. Ontwikkelingssamenwerking kan niet meer alleen gaan over ODA, los van de vraag naar het beheer van water, klimaat, natural resources. De gemiddelde Angolees waar ik het eerder over had, vraagt zich af waarom we het eigenlijk over ontwikkelingssamenwerking hebben en niet over de vraag wat er met zijn olie en zijn hardhout gebeurt.

Tot slot mijn vierde punt. De verbinding tussen globalisering en levensstijl. Een serieus debat over globalisering heeft geen zin zonder de vraag te stellen naar onze levensstijl, speciaal in onze welvarende landen. Ik snap dat het geen fijne boodschap voor politici is, maar het kan niet anders dan dat iemand de moed heeft om in de komende jaren tegen de Nederlanders te zeggen: zo kunnen we niet verder. Onze aarde kan simpelweg niet voldoen aan al die groeiende consumptieve wensen van al haar bewoners. Natuurlijk zal technologie en innovatie ons helpen, maar het is een illusie te denken dat we er zonder een grondige verandering van levensstijl gaan komen. Dat we elk seizoen een nieuwe garderobe kunnen aanschaffen bij H&M zal uit ons verwachtingspatroon moeten. En de vanzelfsprekendheid waarmee we ons arsenaal elektrische apparaten uitbreiden in aantal en vermogen kan niet langer. Het is hard nodig dat we ons minder richten op kwantiteit aan goederen en diensten, en meer op een betere kwaliteit ervan. Daarbij zullen de deugden uit de katholieke traditie -  zoals matigheid, wijsheid en geduld – ons een flink eind op weg helpen.

Het gaat niet om wel of geen globalisering, maar over goede en slechte globalisering. En voor het christelijk sociaal denken is er geen tegenstelling tussen moraal en economie. Ik sluit me erg aan bij wat Coen Teulings, directeur van het Centraal Planbureau daar onlangs over geschreven heeft. Ze (moraal en economie)hebben elkaar nodig. Dit is ook het perspectief van het christelijk sociaal denken, dat niet tegen het creëren van waarde en welvaart is en ook niet tegen concurrentie of opkomen voor het individuele belang.

Het christelijke geloof in de uniciteit van ieder mens als beeld van God is de basis voor een gezond individualisme. Zonder dat is menselijke waardigheid, hoeksteen van christelijk sociaal denken, niet denkbaar. Waar de uniciteit van het individu niet telt, kunnen mensen als Stalin, Mao en Pol Pot zonder blikken of blozen miljoenen opofferen.

Terug naar de inheemse gemeenschappen op Mindanao. Zij geven met hun activiteiten en de ontplooiing van hun capaciteiten en mogelijkheden, invulling aan hoe globalisering vorm kan krijgen. Ze sluiten zich niet op, maar gaan opzoek naar nieuwe markten en zijn nieuwsgierig naar wat Europeanen van hun producten vinden. Daarbij is subsidiariteit de grondslag voor hun economie van onderop, versterkt hun werk hun menselijke waardigheid en produceren ze in respect voor de common goods.

Ik zou de leden van de SER graag uitnodigen om met Cordaid op bezoek te gaan bij die voorbeelden van globalisering, voordat de SER een vervolgrapport gaat schrijven over globalisering en armoedebestrijding.