2014 4 mei lezing

4 mei 2014 Lezing Houten.

Mede-eigenaarschap maakt universele mensenrechten sterker.

Als je aan vrouwen in Afghanistan vraagt hoe het zit met de positie van vrouwen en wat daaraan moet gebeuren, dan zijn er heel veel die je scherp en met overtuiging vertellen hoe belangrijk het is dat die positie snel en flink verbetert. In het huis, buitenshuis, in de samenleving, in politiek en media. Maar er zijn er ook heel veel die erbij zeggen dat ze dat zelf willen doen, op Afghaanse wijze, binnen de kaders van de Islam. Ze zitten niet te wachten op Europeanen die hen vertellen hoe dat moet en waar het eindstation van vrouwenrechten is.

Als je aan dorpsbewoners in Ghana vraagt wat ze vinden van corruptie en hoe je dat moet uitbannen, dan zegt iedereen volmondig dat hij of zij een pesthekel heeft aan corruptie en dat het bestuur van hun land en van hun dorp nog heel wat verbetering kan gebruiken. Maar ze zeggen er ook steeds vaker bij dat ze niet zitten te wachten op deskundigen van buiten die hen vertellen hoe je dat moet doen en welke vorm van besturen je daarvoor moet invoeren.

Als je aan Indianen in Midden Amerika vraagt hoe hun positie is in de samenleving, dan zullen ze je vertellen van de dagelijkse discriminatie waaraan ze bloot worden gesteld en hoe de politiek geen oog heeft voor hun achterstand. Maar ze zien Europeanen en Noord-Amerikanen niet als degenen die hun gaan vertellen hoe dat moet: kijk eerst eens naar de behandeling van minderheden in jullie eigen samenleving, voor je ons komt vertellen hoe wij het moeten doen.

Voor ons West-Europeanen en Amerikanen is het einde van de Tweede Wereldoorlog het moment geworden waarop we ons gezet hebben aan de opdracht tot het ‘nooit weer’. Met de herinnering aan twee grote oorlogen op dit continent binnen veertig jaar was er een duidelijk programma: Nooit weer Auschwitz, nooit weer een Frans Duitse oorlog, nooit weer een leven in bezetting en onvrijheid. En met de viering van 4 en 5 mei geven we dat vorm: twee kanten van dezelfde medaille: terugkijken op de verschrikkingen de Tweede Wereldoorlog om te weten wat we nooit meer willen en vooruit kijken naar wat we daarvoor moeten doen: vrede bewaren, vrijheid verdedigen, rechtvaardigheid stevig funderen.

Met elkaar hebben we een stevig en solide bouwwerk opgericht van de fundamentele normen van sociaal-maatschappelijk en politiek fatsoen: mensenrechten, vrouwenrechten, kinderrechten, het internationaal strafhof voor misdaden tegen de menselijkheid. Het zijn een paar van de bouwstenen van een hecht doortimmert geheel waar we terecht trots op zijn. En we geloven dat ze niet alleen voor ons zouden moeten gelden, maar voor iedereen. Ze zijn universeel en ze zijn ondeelbaar; je kunt ze niet naar believen aan of uitzetten.

Ze zijn ook universeel. De strijd door vrouwen voor vrouwenrechten in Afghanistan, de strijd van boeren tegen corruptie en voor goed bestuur in Ghana en het verzet door Indianen tegen discriminatie van minderheden zijn uitingen van die breed gedeelde overtuiging. Er zijn grote culturele en religieuze verschillen in de wereld, maar daaronder zit het gedeelde fundament van de menselijke waardigheid die overal beleefd wordt als een onvervreemdbare basis. Vrouwen in Afghanistan voelen zich in hun menselijke waardigheid aangetast als ze hun mond moeten houden en zich achter een burka moeten verschuilen. En de Indianen in Midden-Amerika ervaren de discriminatie en hun positie als tweederangs burgers als een aantasting van hun waardigheid.

En toch, ondanks die universaliteit van menselijke waardigheid als gedeelde basis voor mensenrechten, lijkt het erop alsof we op dat terrein steeds vaker geconfronteerd worden met een wij-zij tegenstelling tussen west en oost, tussen noord en zuid. Het gaat mij daarbij niet zozeer om politieke trucs zoals van president Museveni in Uganda die homosexualiteit strafbaar maakt om zichzelf te presenteren als de kampioen van de Afrikaanse cultuur tegenover het Westerse imperialisme en kolonialisme. Daar wordt het onderwerp mensenrechten simpelweg gebruikt als instrument voor een eigen politieke agenda.

Het wordt ingewikkelder als het gaat om de Chinese interpretatie van democratie als vooral gericht op het inrichten van een harmonieuze samenleving, niet als het inrichten van een meer partijen systeem. Het wordt ingewikkelder als het gaat om de Afghaanse interpretatie van vrouwenrechten die in harmonie is met de regels van de Islam. En over de vraag of er een Afrikaanse vorm van Ubuntu-bestuur is die anders is dan onze Westerse staatsvorm.

Er zijn er die zich zorgen maken over de vraag of daarmee mensenrechten niet van hun kracht ontdaan worden. Als er niet meer een allesoverheersende invulling is van mensenrechten, ongeacht cultuur, traditie, ras, religie, als ze niet overal hetzelfde betekenen, zetten we dan niet de bijl aan de wortel? Is juist niet de kracht van mensenrechten dat ze blind is voor cultuur, etniciteit of religie? En is het accepteren van invloed daarvan op de mensenrechten niet het begin van het einde? Maar is ook het door ons ontwikkelde systeem niet de vrucht van onze West-Europese cultuur, onze geschiedenis?

De vraag dient zich aan hoe we niet alleen de toepassing van mensenrechten, maar ook het eigenaarschap van mensenrechten universeel maken. We hebben heel lang naar de landen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika gekeken als objecten van mensenrechten, landen op wie wij die mensenrechten willen toepassen. We staan voor de uitdaging ze ook te zien als de subjecten van de mensenrechten zijn, mede-eigenaren en dus degenen die net als wij, met hun ervaringen en inzichten meebouwen aan dat bouwwerk van recht, veiligheid en vrede dat in een globaliserende wereld in ons aller eigenbelang is.

Zij bouwen aan dat bouwwerk vanuit hun eigen geschiedenis. Afghanistan en Sudan hebben beide dertig jaar burgeroorlog achter de rug, in Congo zijn tussen de 3 en 4 miljoen mensen gedood in een zinloze interne oorlog. Midden Amerika heeft geen buitenlandse bezetting gekend, maar wel een misdadige militaire dictaturen. Net als wij ons bouwwerk van recht , vrede en veiligheid hebben opgebouwd tegen de achtergrond van de Duitse bezetting en de concentratiekampen en de repeterende ellende van de Frans-Duitse twisten, bouwen zij hun bouwwerk tegen de achtergrond van binnenlandse oorlog en etnische twisten. De Rwandese genocide is een andere context en vraagt daarom andere antwoorden om recht, vrede en veiligheid te garanderen. De Latijns-Amerikaanse context van slavenhandel, grootgrondbezit en militaire dictaturen zorgen voor een andere achtergrond, waartegen deze begrippen vorm krijgen. Mensenrechten zijn niet abstract-theoretisch, maar zijn altijd concreet en vinden plaats in een historische context. Die context wordt mede bepaald door cultuur en traditie, door religieuze beelden en overtuigingen. Dat maakt mensenrechten niet zwakker, dat zorgt ervoor dat ze stevig geworteld zijn in een samenleving en niet alleen maar papieren letters en wetsteksten of van buitenaf opgelegde normen zijn.

Wie meent dat mensenrechten vreemd zijn aan islamitische imams, Afrikaanse chiefs en Latijns-Amerikaanse macho’s en daarom daar van binnenuit geen wortel zullen schieten, maakt de universaliteit van mensenrechten tot iets wat nog gerealiseerd moet worden door ze in te prenten in de hoofden en harten van ‘de anderen’. Dan zijn we toe aan een nieuw hoofdstuk van Rudyard Kipling’s ‘White Man’s Burden’, waarin we als blanke, westerse volkeren verantwoordelijk zijn voor een beschavingsagenda voor de rest van de wereld. Universaliteit is niet iets wat nog gerealiseerd moet worden van buitenaf, ze is intrinsiek aanwezig in de hoofden en harten van de vrouwen in Afghanistan, de boeren in Ghana en de inheemse bevolking van Midden-Amerika.

Juist een gedeeld eigenaarschap zal de kracht zijn van universaliteit. We mogen onszelf bevrijden van de gedachte dat het aan ons, West-Europa en de VS is en van ons afhankelijk is of het goed komt met de mensenrechten in de wereld. We kunnen het ook aan de vrouwen in Afghanistan, de dorpsbewoners in Ghana en de Indianen van Midden-Amerikanen overlaten. Mensenrechten staan in het hart van ieder gegrift. We mogen hen verwelkomen als mede-eigenaren en mede-bewakers van dat fundament van ons menselijk samen leven. Zij zullen ervoor zorgen dat dat fundament ook in hun samenleving overeind zal blijven. Dat zullen ze uiteindelijk op hun eigen manier doen, zoals wij het op onze manier hebben gedaan na die voor ons continent beslissende ervaring van de Tweede Wereldoorlog en de machine van vernietiging die toen over Europa trok.

Misschien is dat voor hen ingewikkelder dan voor ons in West-Europa. De vrouwen in Afghanistan moeten opboksen tegen een lange traditie, tegen de gevestigde macht van stamoudsten en imams. En de dorpsbewoners van Ghana hebben hun eigen strijd te voeren tegen lokale politieke elites. De Indianen van Midden-Amerika weten dat ze een geschiedenis van 600 jaar uitbuiting en discriminatie hebben te overwinnen.

In die eigen strijd kunnen mensen elders wel wat hulp gebruiken. Dat mensenrechten universeel zijn, betekent dat ze ons allemaal aangaan. Hoewel die strijd steeds in de eigen context moet worden gevoerd, kan hij niet alleen en in afzondering worden gevoerd, terwijl anderen van een afstand toekijken. Ze gaan ons allemaal aan. De gebeurtenissen in de Oekraïne maken dat nog weer eens heel duidelijk. Maar het is niet alleen meer aan ons, West-Europa en de VS, om de uitwerking in vorm en tempo en prioriteiten van dat proces te bepalen. En we worden ons, kijk naar de Oekraïne, pijnlijk bewust van onze beperkte middelen om in te grijpen. Ook daar zullen vrijheid, vrede en rechtvaardigheid bevochten moeten worden in een moeizaam, allereerst intern proces in een andere, historische context.

En misschien zijn wij blanke mannen en vrouwen met een lange geschiedenis van kolonisatie en dominantie niet de allereerste en cruciale spelers in dat proces. Ik zie een grote rol weggelegd voor degenen die als gevolg van migratie over de wereld zijn uitgezwermd. Afghanen in Canada, Ghanezen in Nederland en Engeland, Midden-Amerikanen in de Verenigde Staten en Spanje spelen een belangrijke, misschien wel cruciale rol. In een globaliserende wereld zijn zij de verbindingsschakels die inzichten en ervaringen uitwisselen en delen.

Gebouwd op de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog, en die ervaringen brengen ons vanavond hier bij elkaar, hebben we gebouwd aan een systeem dat recht, vrijheid en vrede kan realiseren. Dat is nooit af, daar is overal en altijd (ook hier en nu) waakzaamheid geboden. Daarvoor hebben we in West-Europa en de VS de basis gelegd. Inmiddels voegen zich Afghanen, Ghanezen, Midden-Amerikanen en Oekraïners en zoveel andere samenlevingen en burgers zich bij ons. Met hun eigen ervaringen van oorlog en lijden, met hun cultuur, religie en traditie, met hun verwachtingen over de toekomst bouwen ze mee. Dat gedeeld eigenaarschap zal de mensenrechten diverser maken in uitwerking en vormgeving, maar ze ook dieper verankeren en sterker maken in onze wereld die tegelijkertijd steeds meer één en steeds diverser wordt.