2013 Hoorzitting IBO rapport ODA

Hoorzitting Tweede Kamer Over IBO rapport ODA

Al een tijd wordt gesproken over de noodzakelijke modernisering van de definitie van ODA (Official develepomnent Assistance) . Een Interparlementair Beleidsonderzoek is in 2013 uitgevoerd. Op 19 mei hield de Tweede Kamer daarover een hoorzitting. Lees hier de bijdrage van René Grotenhuis aan die hoorzitting.

Als we het, nationaal en internationaal, over ODA hebben, komt snel het beeld op van een verschoten, rafelig kledingstuk, met slijtplekken en der en her opgelapt. Tijd om het bij de vodden te doen.

En toch zou ik, al is het maar mentaal, willen dat we met elkaar een gedenkteken voor OFA zouden oprichten. Met als gedenkschrift: Dankzij ODA hebben de afgelopen veertig jaar honderden miljoenen mensen een betere toekomst gekregen, zijn tientallen miljoenen kinderen naar school gegaan, zijn miljoenen Aids patiënten van de dood gered en is de positie van vrouwen in de wereld er flink beter op geworden.

Over het belang van ODA mag niet gemakkelijk worden heen gestapt. Het probleem van de huidige ODA-definitie is dat het zinvol was in de tijd dat we gemakkelijk konden spreken over arme landen als een verzamelnaam voor alles ten zuiden van Gibraltar of de Rio Grande of ten Oosten van Istabul.

Inmiddels zijn de verschillen tussen Afghanistan, Ghana, Indonesië en Guatemala zo groot dat er geen gemeenschappelijke noemer meer te vinden valt om de staat van die landen en dat wat ze nodig hebben te benoemen. En als we in het kader van de post-2015 agenda ook de Global Common Goods zoals klimaat, grondstoffen, energie, zoet watervoorziening binnen onze agenda willen trekken, is de gemeenschappelijke noemer nog veel verder uit zicht.

En tot slot is de diversiteit van actoren toegenomen: de groeiende aandacht voor de rol van het bedrijfsleven maakt dat een nieuw instrumentarium nodig is. Voor bedrijven zijn subsidies veel minder voor de hand liggend dan andere, meer op investering en risicodekking gerichte arrangementen.

Er is dus alle reden om ODA opnieuw te definiëren in het licht van die ingrijpend veranderde en veranderende wereld. Tegelijkertijd is het van belang ODA in zijn klassieke betekenis overeind te houden voor die landen voor wie hulp als input instrument onmisbaar is, omdat ze simpelweg op eigen kracht niet de basis kunnen leggen voor een bestaan in human diginity voor hun bevolking. Dat geldt voor Afghanistan en Zuid-Sudan, voor de Centraal Afrikaanse Republiek en Haïti, voor de Democratische Republiek Congo en nog een aantal landen die we losjes aanduiden als fragiele staten.  Het zijn die landen waar de armoede in 2025 zich zal concentreren. Daar liggen de harde noten die we nog moeten kraken. Hulp is daar bestaansvoorwaardelijk en we zouden het kind met het badwater weggooien als we onze solidariteit met de bevolking van deze landen zouden verkwanselen door ODA in zijn klassieke vorm op te heffen.

Nederland moet zich ten volle inzetten om ODA voor deze groep landen te behouden en dat moet gebeuren op een vast percentage van het BNP. We hebben de nodige geloofwaardigheid verloren door onder de 0,7% te zakken, maar dat mag ons er niet van weerhouden om die inzet te plegen en daarvoor andere landen als bondgenoten te zoeken.

Voor de stabiele landen, waar ontwikkelingssamenwerking aanhaakt op een dynamiek in de eigen samenleving zal ODA meer outputgericht moeten zijn, minder gericht op door ons als totaalprogram ingericht turn-key projecten maar op aanhaken bij ontwikkelingen en actoren die daar de slag maken. We zijn meer ade lijstduwer dan de lijsttrekker.

En dat is nog weer iets anders dan de financiering van de global common goods agenda, die net zozeer gaat over onze Noordelijke agenda van transitie in consumptie en productie als over de agenda in het Zuiden waar landen met behulp van innovatie en frog-leap de fase van onze traditionele productie, gebaseerd op fossiele brandstoffen, chemische input in de landbouw, kunnen overslaan.

Tot slot: Een koppeling aan de post 2015 agenda vraagt dat de VN een centrale rol gaat spelen. Zonder de emerging countries aan boord, is een nieuw framework voor armoedebestrijding en global public goods niet effectief. De OECD biedt dat kader niet en de emerging countries (China, Brazilië, India) hebben duidelijk gemaakt dat zij geen behoefte hebben om naast de VN de OECD als parallel forum te versterken. Voor de financiering en regelgeving van een globale post-2015 is de overstap van OECD naar VN als institutioneel kader noodzakelijk.

In die benadering ontstaat er een drieslag in de financiering van de globale post 2015-agenda ingebed in een VN-kader:

powerpoint

ODA heeft ongelooflijk veel betekend voor de armoede in de wereld en zal dat ook in de toekomst moeten blijven doen voor een beperkt aantal landen. Dat mogen we niet opgeven. Tegelijk zijn aangepaste en nieuwe instrumenten nodig voor andere landen en voor nieuwe globale uitdagingen. ODA verdient een nieuwe garderobe, bestaand uit verschillende, samenhangende en goed passende kledingstukken.