Wederopbouw na conflict: bouwen aan collectiviteit

Wederopbouw na conflict: bouwen aan collectiviteit

5 mei lezing 2015

Op 5 mei, nu 70 jaar geleden, toen op een steenworp afstand van deze plaats de capitulatie werd getekend, kwam er een eind aan vijf jaar bezetting. Na vijf jaar geen angst meer om willekeurig opgepakt te worden, geen angst meer bij verzetsstrijders en onderduikers voor verraad. Geen angst meer om het slachtoffer te worden van een verdwaalde bom of V-2.

Het was niet alleen een bevrijding in individueel persoonlijke betekenis. Ook collectief konden we weer ‘Wij’ zijn. we konden weer uitkomen voor onze eigen identiteit als Nederlandse natie. We waren niet langer deel van een Groot-Duits Rijk. De symbolen van ons herwonnen WIJ, vlag, volkslied, koningin, konden weer in alle openheid gedragen, gezongen worden.

Vandaag de dag krijgt vrijheid vooral een individuele invulling. In de afgelopen jaren heb ik een aantal keren als vrijwilliger in de Cordaid-Mensen in Nood stand gestaan op bevrijdingsfestivals. Op die festivals probeerden we steeds een invulling te geven aan vrijheid vanuit het perspectief van slachtoffers van oorlog, geweld en natuurrampen elders. Het waren bescheiden pogingen op een feestelijke dag om een jonge generatie zich te laten beseffen hoe kostbaar vrijheid is. Bij die activiteiten viel mij telkens op hoezeer jongeren vrijheid in individuele zin beleven als de ruimte om te vinden en te doen wat ze willen, om te denken en te zeggen wat ze vinden, om te gaan en te staan zonder beperkingen. Vrijheid is vooral een individueel, persoonlijk goed. We hechten aan onze individuele identiteit en willen daarvoor maximale ruimte. Voor zover vrijheid een collectief goed is, gaat het vooral om leven en laten leven, van elkaar ruimte geven, elkaar niet in de weg zitten.

Ik wil vandaag met U stil staan bij die collectieve vrijheid, omdat ik denk dat voor landen die zich proberen te ontworstelen aan conflicten en die voor de moeilijke taak staan van wederopbouw na conflict het vraagstuk van collectiviteit cruciaal is. We duiden die landen aan als fragiele staten, landen waar geen stabiliteit is, waar veiligheid en vrijheid niet gewaarborgd zijn, waar de overheid niet in staat is om burgers te beschermen en te voorzien van de basisbehoeften.  Landen als Afghanistan, Zuid-Sudan, Mali, Somalië, Centraal Afrikaanse Republiek. Inmiddels aangevuld met Syrië, Irak, Lybië, Jemen. Ik doe dat tegen de achtergrond van mijn 10 jarige ervaring als algemeen directeur van Cordaid en de worsteling die ik overal ter wereld heb gezien van landen die er maar niet in slagen een gezamenlijk beleefde collectieve vrijheid te realiseren.

Even terug naar Nederland. Na 5 mei 1945 gingen we collectief aan de slag om dit land weer op te bouwen. Onderlinge tegenstellingen tussen liberalen en socialisten, tussen katholieken en protestanten, tussen stad en platteland waren na de oorlog niet verdwenen, maar ze waren geen obstakel om gezamenlijk de wederopbouw ter hand te nemen. Over al die verschillen heen lag een weefsel van gezamenlijkheid. We zagen onszelf en elkaar eerst en vooral als Nederlanders. Die gezamenlijkheid was sterk genoeg om na de oorlog samen de schouders te zetten onder de wederopbouw. En we konden bouwen op een stabiele samenleving. Daar hebben we in 150  jaar aan gebouwd en bij het uitbreken van de oorlog stond er toch al een robuust geheel met checks and balances, met een functionerende rechtsorde, met een betrouwbare overheid  die zorgde voor veiligheid, voor toegang  tot onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting.

Wederopbouw en herstel konden bouwen op twee belangrijke pijlers die als cruciale stabilisatoren fungeerden in een samenleving die na oorlog ondanks alle vreugde over de bevrijding ook chaotisch  was. De eerste was een stevig nationaal gevoel, een nationale identiteit, een bij elkaar horen ondanks verschillen. De tweede was een goed verankerde staatsvorming.

In fragiele staten die twee stabiliserende factoren afwezig of onvoldoende krachtig om de samenleving in balans te houden. Landen die uit een periode van oorlog en conflict komen. De conflicten in deze landen zijn de laatste decennia vrijwel altijd binnenlandse conflicten. In al die gevallen is er geen sprake van buitenlandse invallen of overheersing. Wie even in zijn geheugen graaft ziet er vast een aantal langskomen. De oorlog in Joegoslavië tussen Servië, Kroatië en Bosnië Herzegovina, de genocide in Rwanda van Hutu’s en Tutsi’s, de burgeroorlog op Sri Lanka van Tamils en Singalezen, de strijd in Colombia tussen regering en FARC. En er zijn tientallen kleinere conflicten die de voorpagina’s niet halen zoals met de Moro op de Filippijnen, de inheemse Indiaanse bevolking in Guatemala, De Rorinya in Myanmar, Nagorno Karabach in Azerbeidzjan

In vrijwel alle gevallen gaat het daarbij om conflicten die als identiteitsconflicten worden gekarakteriseerd.. Het zijn conflicten die gaan over etniciteit, religie, taal cultuur. Conflicten die gevoed werden door onderling wantrouwen, door het gevoel dat de eigen identiteit bedreigd wordt, door de angst om door anderen overheerst te worden. Conflicten die blootleggen hoe dun de samenhang is en dat en onderlinge verschillen en onderlinge dreiging worden vergroot en benadrukt.

In een aantal van die conflicten hebben we als internationale gemeenschap veel geïnvesteerd om bij te dragen aan stabiliteit, vrede en voorspoed. De Nederlandse missies in Afghanistan, in Uruzgan en in Kunduz en nu in Mali  staan ons helder voor de geest. Maar ook in Zuid-Sudan, Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek zijn we als internationale gemeenschap actief om landen te stabiliseren, vrede te bestendigen en wederopbouw te realiseren na een periode van burgeroorlog.

Centraal staat steeds het opbouwen of op orde brengen van een staatsapparaat zoals ministeries, politie, rechterlijke macht. Ze moeten de ervoor zorgen dat de staat aan haar burgers de diensten levert waar de burger op zit te wachten: veiligheid, rechtszekerheid, basisvoorzieningen als gezondheidszorg, onderwijs, schoon drinkwater. Goede dienstverlening , zo is de beleidstheorie achter deze internationale inspanningen, zal het vertrouwen in de overheid vergroten, de legitimiteit van de staat doen toenemen en daarmee stabiliteit creëren.

Over de noodzaak van een goed functionerende staat is iedereen het eens. Ook de burgers van Afghanistan en Congo willen een overheid die zorgt voor veiligheid en recht en die sociale basisdiensten levert. En ze willen een betrouwbare overheid die er voor iedereen is.

En toch, overal vallen de resultaten tegen. In Zuid-Sudan zijn Nuer en Dinka, nauwelijks twee jaar na de onafhankelijkheid onderling slaags geraakt. Irak is uit elkaar gevallen en daardoor kwetsbaar voor IS. In Afghanistan is stabiliteit nog ver te zoeken. Het blijkt niet zo eenvoudig om goed functionerende staatssystemen in te richten, die werken en die aansluiten bij de lokale realiteit.

Ter illustratie het verhaal van de rechtspraak in Afghanistan. Na de omverwerping van de Taliban, besloten we als internationale gemeenschap dat het land modern moest worden met deugdelijke instituties met een rechtspraak volgens moderne inzichten: onafhankelijke rechters, officieren van justitie en advocaten. Overal in het land moesten rechtbanken verrijzen die deze nieuwe rechtstaat vorm zouden geven. Maar niet alleen is er simpelweg onvoldoende geld en zijn er onvoldoende opgeleide mensen om het systeem naar behoren te laten functioneren, gewone Afghaanse burgers hebben er ook geen vertrouwen in. Ze gaan liever naar de imam of de mullah of leggen hun zaak voor aan hun lokale shura dan dat ze naar de moderne rechtbank stappen. Daar kan het maanden zo niet langer duren voor ze een uitspraak hebben en als ze pech hebben betaalt hun tegenstander meer aan de rechter dan zij en hebben ze het nakijken. Je bouwt, zo hebben we geleerd, niet per decreet van bovenaf nieuwe instituties en al helemaal niet als die ver af staan van de culturele en religieuze identiteit van de bevolking.

Waarom werken de programma’s van staatsvorming zo gebrekkig, terwijl ook in fragiele staten burgers wachten op een betrouwbare en goed functionerende, niet corrupte overheid? Is het alleen de tijdsfactor? Willen we te snel te veel?

Ik denk dat we de tweede pijler van natievorming over het hoofd zien. Naast de uitdaging van het opbouwen van een goed functionerend staatsapparaat is er de uitdaging om een samenhangende natie te vormen. Hadden wij de wederopbouw in 1945 na de oorlog en in de chaos toen succesvol ter hand kunnen nemen als er niet een stevig fundament van gedeelde identiteit was? Was het ons gelukt als katholieken en protestanten, Friezen, Limburgers en Hollanders zich tegenover elkaar hadden opgesteld zoals Pastun, Uzbeken en Tadzjieken in Afghanistan of Nuer en Dinka in Zuid-Sudan.

Natievorming, het creëren van sociale samenhang, van gedeelde identiteit is naar mijn inzicht een onmisbare pijler van wederopbouw en stabiliteit naast de institutioneel gerichte staatsvorming. Hoe werken we eraan dat in Zuid Sudan de Nuer en de Dinka zich Zuid-Sudanees voelen? Hoe werken we aan een proces van sociale en culturele cohesie tussen Pastun, Tadzjieken en Uzbeken in Afghanistan? Hoe creëren Toeareg, Peul en Bambara in Mali een  gemeenschappelijkheid waardoor gezamenlijke inspanningen zinvol worden en wantrouwen wordt overwonnen.

Ik geloof dat natievorming een noodzakelijk proces is om de basis te leggen voor stabiliteit, wederopbouw, langdurige vrede. De metafoor van wederopbouw, van het bouwen van een huis helpt om onze uitdaging scherp te krijgen: we kijken allereerst naar wat boven de grond uitsteekt: ramen deuren, muren en we hebben een mening over hoe dat eruit moet zien. Dat zijn de zichtbare instituties en systemen. We kijken te weinig naar de grond waarop het huis staat, staat het op stevige grond,  en de onzichtbare  fundamenten waarop het is gebouwd. Onzichtbaar maar o zo belangrijk voor stabiliteit en duurzaamheid van het huis.

Onderling vertrouwen en gedeelde identiteit en waarden zijn ook in fragiele staten onmisbaar om samen de schouders te zetten onder wederopbouw. Daarbij zullen misschien ook door U, twee kanttekeningen worden gemaakt. De eerste dat het gevaarlijk is, de tweede dat het niet realistisch is. Allereerst de gevaarlijke kant: investeren in nationale samenhang en identiteit riekt al gauw naar nationalisme.

Juist op een dag als vandaag zullen er onder U zijn die wijzen op de gevaren van het nationalisme dat ten grondslag lag aan de verwoestingen en het verderf van Eerste en Tweede wereldoorlog. De donkere kant van nationalisme is ons genoegzaam bekend en die donkere kant is nooit ver weg als je praat over de noodzaak te werken aan nationale identiteit als stevig fundament voor wederopbouw na conflict.

Als tweede de vraag of het realistisch is. Is het geen onbegonnen werk om diep gewortelde etnische en religieuze tegenstellingen te verzoenen. Ik ken beide kanttekeningen en heb ze mijzelf de afgelopen jaren ook onder ogen gezien. Maar het is de vraag of het ons helpt als we het nationale gevoel helemaal vergeten en als onbelangrijk terzijde schuiven: zonder nationale cohesie, zonder sociale, culturele samenhang, zonder gezamenlijke identiteit bouw je geen land op.

En we mogen niet accepteren dat fragiele staten in vervallen in zich herhalende conflicten.  En het wijzigen van grenzen of het opdelen van landen is vrijwel nergens zonder veel bloedvergieten verlopen. En bovendien is het, wat dat laatste betreft, een illusie te denken dat nog ergens op de wereld homogene etnische, religieuze of linguïstische gemeenschappen te realiseren zijn. Migratie is overal op de wereld een realiteit die ons dwingt wegen te vinden voor samenleven met diversiteit van  etniciteit, religie en taal.

Werken aan die noodzakelijke natievorming vraagt stuurmanskunst om tussen de klippen van donker nationalisme te omzeilen. Dat kan als we als internationale gemeenschap betrokken zijn en met mensenrecht en internationaal recht ervoor waken dat proces op koers houden.

Natievorming is een onontgonnen terrein in de inzet van de internationale gemeenschap om bij te dragen aan stabiliteit in fragiele staten. De realiteit dat het overgrote deel van de conflicten sinds de val van de muur gaan om identiteit, zou ons moeten doen realiseren dat juist in het bouwen van nationale samenhang een belangrijke en  onmisbare sleutel ligt, Niet in plaats van staatsvorming, maar als onmisbare complementaire inzet.

Natievorming is niet simpel, maar het is evenmin een onmogelijke opgave. Zuid-Soedanezen delen met elkaar een lange traditie van een rondtrekkende veeherders. Ze delen een gedeelde religieuze traditie waarin Afrikaanse invloeden en Christendom elkaar over en weer beïnvloed hebben. Ze hebben samen offers gebracht voor de onafhankelijkheid. Ze hebben in John Garang samen een Vader des Vaderlands. In het dagelijks leven weten mensen die samenhang te vinden.

Het vraagt wel dat we verder kijken dan hert politieke en economische terrein. Door onze eenzijdige focus op staatsvorming en het bouwen van instituties beperken we ons tot het economisch en politiek instrumentarium Te weinig betrekken we cultureel antropologen, sociologen, religiewetenschappers en historici bij onze aanpak van fragiele staten. Juist op het vraagstuk van natievorming zijn ze onmisbaar

Die vraag naar nationale identiteit, sociale en culturele cohesie, naar wat ons collectief bindt op een dieper niveau dan economie en recht is overigens niet alleen in fragiele staten aan de orde. Ook in West-Europa is die vraag actueel al vechten we onze identiteitsconflicten niet meer uit met wapens maar via de stembus. De Schotten, de Catalanen en de Basken willen hun identiteit erkend zien, willen af van overheersing door Londen of Madrid. En onze zuiderburen worstelen vrijwel constant met de vraag of er Belgen bestaan of slechts Vlamingen en Walen. In de VS is opnieuw en pijnlijk de verhouding tussen blank en zwart na Ferguson en Baltimore op de agenda. In Frankrijk, In Duitsland en ook in eigen land kraakt het als het gaat om de vraag wat onze collectieve, nationale identiteit is in een wereld van migratie en globalisering. Vrijheid als collectief goed, de beleving van nationale samenhang, die we deze dagen vieren, vraagt om constant onderhoud, is altijd aan verandering onderhevig en daarom, nooit af.

Inzet voor wederopbouw na conflict, voor stabiliteit in de fragiele staten vraagt meer dan het opbouwen van instituties en het inrichten van systemen. Dat is het deel van het huis dat boven de grond uitsteekt. Maar hoe zit het met de grond waarop het huis van Afghanistan, Zuid-Sudan en Congo is gebouwd? Hoe stevig is de ondergrond, hoe duurzaam en stabiel zijn de fundamenten? We zouden een stap verder zetten als we vaker naar de kwaliteit en stand van zaken van de ondergrond zouden kijken.