Afghanistan 2005

In de afgelopen dagen is aangekondigd dat meer Nederlandse militairen naar Afghanistan zullen gaan. Het gaat om de inzet van militairen in één van de zuidelijke provincies in het kader van de zogeheten ‘Provincial Reconstruction Teams’ (PRT’s). Deze inzet komt bovenop de Nederlandse bijdrage aan de special forces die terreurgroepen proberen uit te schakelen in het zuidoosten van Afghanistan onder de operatie Enduring Freedom (243 militairen) en de inzet onder de operatie ISAF, met 62 militairen op het hoofdkwartier in Kabul, 101 militairen bij het F-16 detachment en 149 militairen in de noordelijke provincie Baghlan, waar Nederlandse troepen sinds oktober 2004 zijn ingeschakeld als PRT.

Er zijn in deze aankondiging twee aspecten die de aandacht verdienen. De eerste is de vraag waarom een nieuwe inzet in Afghanistan wordt voorbereid, terwijl het ten aanzien van vredesmissies in Afrika oorverdovend stil blijft. Nederland heeft voor haar ontwikkelingssamenwerking alle kaarten gezet op Afrika. En het kabinet, bij monde van minister van Ardenne, laat niet na te betogen dat veiligheid een noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkeling is (omgekeerd is het overigens ook waar). Als dat Afrika het continent is dat het meest geteisterd wordt door oorlogen en conflicten,  ligt het voor de hand dat Nederland ook in Afrika een deel van haar capaciteit om vredesmissies te doen, in Afrika zou inzetten. Zowel in Centraal Afrika (Kongo) als in West Afrika als in Sudan is grote behoefte aan militairen die bijdragen aan veiligheid en stabiliteit. Er is aantoonbaar behoefte aan inzet van patrouillevliegtuigen om tropenbewegingen (m.n. van uit Rwanda in Kongo) te signaleren en er is behoefte aan apparatuur en deskundigheid om de militaire inlichtingendienst van de vredesmissie Monuc te versterken. Voorstellen daartoe na het bezoek van Nederlandse parlementariërs midden vorig jaar zijn tot nu toe steeds afgehouden.

Een tweede aspect van de aankondiging betreft de integratie van militaire operaties en ontwikkelingssamenwerking. De inzet van militairen wordt door de Nederlandse regering in de eerste plaats gezien als een bijdrage aan de stabiliteit in Afghanistan door het herstellen van het gezag, en daarmee van de veiligheid, in Baghlan en in de tweede provincie die nu wordt geïdentificeerd. Maar een aanvullende rol voor de militairen wordt gezien in het steunen van de wederopbouw activiteiten van de Afghaanse overheid of andere actoren. Activiteiten in de wederopbouw dragen in deze visie bij aan het welslagen van de militaire doelstellingen. De Afghaanse partners van Cordaid zetten grote vraagtekens  bij de rol van militaire interventietroepen in ontwikkelingsprojecten.

Vanuit de Afghaanse bevolking is zowel behoefte aan veiligheid als aan steun bij wederopbouw en ontwikkeling..Cordaid onderkent dat wederopbouw en ontwikkeling niet mogelijk zijn in een situatie van onveiligheid. In het geval van Afghanistan is besloten de veiligheid af te dwingen met een internationale militaire interventie. Maar deze wordt door (grote) delen van de lokale bevolking gezien als een westerse interventie, d.w.z. uitgevoerd door vreemdelingen, van buitenaf. Daarom is wederopbouw als onderdeel van, of nauw gerelateerd aan de militaire interventie in Afghanistan zeer riskant. Wederopbouw en ontwikkeling zijn noodzakelijk om op langere termijn een stabiele samenleving op te bouwen, maar moeten dan wel gefundeerd worden op een lokaal proces. Afghaanse organisaties zullen zich niet verbinden aan ontwikkelingsprojecten die onder Nederlandse militaire vlag worden opgezet. Dat zal gevolgen hebben voor het draagvlak van die projecten Ontwikkelingsprocessen die niet geworteld zijn in de lokale samenleving en draagvlak hebben onder de bevolking, zijn geen lang leven beschoren. Wederopbouw die steunt op de militaire inzet is riskant uit oogpunt van duurzaamheid: de wederopbouw heeft dan eenzelfde levensduur als de militaire inzet zelf.

De vraag doet zich daarom voor of het nodig is om militaire interventie en ontwikkelingssamenwerking in elkaar te verweven. Of anders gezegd: is het mogelijk om aan wederopbouw en ontwikkeling te werken zonder een militair tenue te dragen. Cordaid kan beargumenteren dat dit kan. Al voor de westerse militaire interventie waren lokale organisaties actief in ontwikkeling. Deze organisaties zijn wel degelijk zelf in staat de beoogde activiteiten op gebied van wederopbouw en ontwikkeling te ontplooien, maar vele van hen willen in hun werk niet worden geïdentificeerd met de buitenlandse militairen. Als minister Kamp beargumenteert dat Afrikanen zelf hun veiligheidsproblemen zelf kunnen oplossen, geldt dat des te meer voor het door Afghanen zelf ter hand nemen van hun eigen ontwikkelingsprogramma’s.De incidentele inzet van externe deskundigen in deze projecten is heel goed mogelijk zonder een groen uniform aan te trekken.

Betekent dit dat Cordaid zich distantieert van goede afstemming met de militairen en andere spelers in Afghanistan? Allerminst. Het lijdt geen twijfel dat veiligheid en ontwikkeling met elkaar te maken hebben en dat militairen en ontwikkelingssamenwerking in dezelfde Afghaanse context actief zijn. Het is in het belang van lokaal draagvlak van projecten dat we zorgvuldig blijven in het onderscheid tussen beide De inzet van Nederlandse militairen in Afghanistan geeft alle aanleiding om te komen tot afstemming over alles wat onder de noemer veiligheid en ontwikkeling nodig is om een duurzaam stabiele samenleving te helpen opbouwen. Dat moet wat Cordaid betreft al gebeuren tijdens de voorbereiding van inzet van militairen, d.w.z. voor de daadwerkelijke uitzending inzet van militairen, om zo tot werkelijk complementaire activiteiten te komen.

De overtuiging dat veiligheid en ontwikkeling samenhangen mag er niet toe leiden dat we met olifantspoten door de porseleinkast van lokale processen en lokale spanningsvelden lopen. Gebruik maken van elkaars ervaring en competenties en goed luisteren naar lokale maatschappelijke organisaties zijn de basis voor succesvolle verbindingen tussen beide.