Afghanistan 2006

Kleine Stappen, lange adem en Afghaanse vlaggen.

Het debat over de uitzending van Nederlandse troepen naar Afghanistan verschuift. Ging het tot aan de brief van het kabinet van 22 december vooral over veiligheid en veiligheidsgaranties, sindsdien gaat het vooral over de vraag of het ondersteunen van ontwikkeling daar haalbaar is. In die discussie lijkt er soms sprake van een vlucht vooruit. De een ziet Nederlandse militairen scholen bouwen, de ander ziet geneeskundige troepen spreekuur houden. De vraag is niet wat allemaal zou kunnen, maar wat een realistisch perspectief is.

De vraag naar de kansen van wederopbouw in Afghanistan moet beantwoord worden in het licht van de realiteit van dat land. Na twintig jaar oorlog en vijf jaar Taliban-bewind is het land afgezakt naar de 171e plaats op de ontwikkelingslijst van de UNDP. Van de bevolking heeft 17% van de vrouwen en 45% van de mannen onderwijs genoten. Er is weinig menselijk kapitaal waarop gebouwd kan worden voor snelle en brede ontwikkelingsprocessen. De infrastructuur van het land is vernietigd of slechts onderhoud. Dat geldt voor het wegennet maar ook voor elektriciteit en openbaar vervoer. Het niveau van de gezondheidszorg is met name in de dorpen slecht met gebrekkige voorzieningen en weinig goed opgeleid personeel. Natuurlijk wordt er sinds 2001 geïnvesteerd. Meisjes en jongens kunnen naar school en gaan ook naar school. Maar de kwaliteit van de leraren is bedroevend en hoe zal nog wel enkele jaren duren voordat kwantiteit en kwaliteit samengaan. Er is een nationaal pakket voor gezondheidszorg ontwikkeld waarin is vastgelegd wat een adequaat niveau van zorg is op dorpsniveau, districtsniveau en provinciaal niveau. Het uitrollen van zo’n gezondheidsprogramma vergt echter tijd en ook weer goed opgeleide menskracht. Deze twee voorbeelden laten zien dat ontwikkeling meer is dan een school repareren, een waterput slaan of een brug herstellen. Hoe belangrijk die kleine ‘hardware’-projecten ook zijn, ontwikkeling is meer. Ontwikkeling komt op gang als hardware samengaat met kwalitatief goede mensen (humanware) die visie en durf en draagvlak kunnen ontwikkelen. En als die beide samengaan met goede programma’s (software) die de complexe problematiek van het land (onderwijs, goed bestuur, inkomen, infrastructuur, vrede en verzoening) aanpakken.

Tegen die achtergrond kan een Nederlandse bijdrage alleen realistisch zijn als ze mikt op kleine stapjes, lange adem en lokaal draagvlak. Ontwikkeling is in Uruzgan (maar waar wel??) niet zozeer een kwestie van geld pompen. Een onherbergzame provincie met drie honderd duizend mensen heeft een hele beperkte absorptie-capaciteit. Veel geld is daar eerder een gevaar dan een weldaad omdat het de kans vergroot dat geldstromen voor ontwikkeling inzet worden van lokale twisten. Omdat het zal gaan om kleine stapjes is ontwikkeling in de provincie ook een kwestie van lange adem. Als nu stemmen opgaan om de missie te beperken tot een jaar, zal men uiterst terughoudend moeten zijn in het formuleren van doelstellingen. Vertrouwen winnen, zorgen voor lokale structuren die verantwoordelijk zijn voor projecten vraagt tijd. Doe lokale structuren moeten immers een voldoende breed draagvlak hebben om te voorkomen dat projecten zelf inzet worden van onderlinge twisten. Om dan te spreken van direct aanwijsbare resultaten op termijn van één jaar is niet reëel. Ook als het gaat om twee jaar zal zeer terughoudend over resultaten moeten worden gesproken. De tijdshorizon voor ontwikkeling van een provincie als Uruzgan, waarbij stabiliteit is gevestigd en terugval niet meer direct dreigt, ligt eerder op vijf tot tien jaar dan op een tot twee jaar. Tot slot zal de ontwikkeling van Uruzgan alleen succesvol zijn als we inzetten op de inschakeling van lokale structuren. Op de projecten die gerealiseerd worden moeten vooral geen Nederlandse vlaggen (letterlijk of figuurlijk) geplaatst worden. Er is groot wantrouwen tegen organisaties van buiten. In oktober werd een medisch team van een partnerorganisatie van Cordaid in de regio vermoord en vervolgens werd een kliniek in brand gestoken. Uit de verhalen die de organisatie te horen kreeg komt het beeld naar voren dat er onder de bevolking geruchten waren verspreid met beschuldigingen dat het personeel van de gezondheidspost de Afghaanse vrouwen op ongepaste wijze zou onderzoeken. Er is dus grote voorzichtigheid nodig bij het inzetten van buitenlanders in de directe projectuitvoering. Afghaanse organisaties moeten een leidende rol vervullen in de opbouw van de provincie. Een snelle managementaanpak zal niet het gewenste resultaat hebben.

Dat betekent bescheiden ambities. Militairen zijn geen ontwikkelingswerkers en dat moeten ze ook niet (willen) worden. Militairen zijn goed in het creëren van randvoorwaarden voor ontwikkeling door te werken aan veiligheid en stabiliteit, door invloed uit te oefenen op lokaal en provinciaal goed bestuur. En ze moeten erkennen dat ontwikkelingsprocessen soms anders gaan dan strikt en hiërarchisch geleide militaire operaties. Militairen doen het goed als ze ontwikkelingsorganisaties (lokale en internationale) de ruimte geven om hun werk te doen. De noodzakelijke afstemming en coördinatie moet er dan wel zijn, maar vooral ‘achter de linies’.

Afghanistan is een dubbeltje op zijn kant als het gaat om ontwikkeling en dat zal het nog wel een aantal jaren blijven. Het is geen land van snelle successen en misschien is het wel een land van drie stappen vooruit en twee achteruit. Een Nederlandse inzet die zich baseert op de gedachte dat we het in Uruzgan wel eens even voor elkaar zullen maken, zal zichzelf opzadelen met veel te grote verwachtingen en ambities. Dan dreigt hetzelfde als met de Tsunami-hulpverlening toen we als Nederlanders dachten dat we met 200 miljoen euro’s de problemen in India, Sri Lanka en Aceh zouden kunnen oplossen. Realistische verwachtingen zullen gaan over kleine stapjes, lange adem en Afghaans eigenaarschap.