Afghanistan 2007 I

(Weder)Opbouw: een zaak van Afghanen

De besluitvorming over de missie wordt gekenmerkt door mist omtrent de vraag waar we nu eigenlijk over besluiten. Gaat het om een wederopbouwmissie of over een veiligheidsmissie? Commandant der Strijdkrachten Berlijn heeft benadrukt dat Defensie nooit van het begrip Wederopbouw-missie heeft gehouden. Politici zoeken aan de andere kant krampachtig naar legitimering van het wederopbouwkarakter van de missie. Dat was bijna twee jaar geleden de basis voor instemming.

In de vijftien maanden dat de missie nu duurt zijn twee dingen in ieder geval duidelijk geworden. Er moet van tijd tot tijd stevig gevochten worden met de tegenstanders, een veelkleurig geheel van tegenstanders. Sommigen zijn hardcore Taliban, anderen zijn meelopers die voor 250 dollar per maand vechten. Sommigen zijn drugsbaronnen die hun handel willen beschermen. En er zitten lokale stamleiders bij die niets moeten hebben van het centrale gezag in Kabul.

Maar die periode heeft ook laten zien dat er in Uruzgan wel degelijk iets op te bouwen valt. Als ontwikkelingsorganisaties hebben we dit jaar een flinke toename gezien van lokale organisaties die ‘iets’ in Uruzgan willen doen. Dat varieert van onderwijs tot gezondheidszorg tot landbouw tot kleinschalige gemeenschapsontwikkeling. Het gaat om partnerorganisaties die al wat langer in Uruzgan actief zijn en om organisaties die vanuit Kandahar plannen maken om hun werkgebied naar deze ‘Nederlandse’ provincie uit te breiden. Ze doen dat in overleg met dorpsgemeenschappen, samen met lokale leiders en ja, ook met lokale Taliban. Op die manier verzekeren lokale organisatie zich van de duurzaamheid van hun activiteiten. En het meest aantrekkelijke van deze organisaties is dat ze de hele provincie als hun werkgebied kunnen ebschouwen. Voor hen geen beperkingen tot de inktvlekken. In de afgelegen dorpen worden nu lokale gezondheidswerkers getraind, vaak analfabeten, die de meest elementaire gezondheidsproblemen kunnen onderkennen. En via lokale gezondheidsorganisaties worden jonge vrouwen uit Uruzgan in Kandahar opgeleid om als vroedvrouw aan de slag te gaan. Zo komen milenniumdoelen om sterfte van moeders en kinderen te verlagen, concreet dichterbij.

Uruzgan was één van de meest geïsoleerde provincies van Afghanistan en dus was en is het starten van ontwikkelingsprogramma’s geen simpele zaak. Dat hebben we het afgelopen jaar ervaren. Maar het is wel degelijk mogelijk en er zijn voldoende lokale organisaties om daaraan vorm te geven. Hun vrijheid van reizen, hun vermogen om regelmatig hun programma’s te bezoeken en de voortgang te volgen, hun grote actieradius maken hen tot de eerst aangewezen partijen om aan (weder)opbouw in de provincie vorm te geven. Dat gaat niet op commando binnen twee jaar, maar het komt wel.

Minister Koenders wil het civiele karakter van de missie in Afghanistan civieler maken. Meer aandacht voor de rol die burgerorganisaties moeten spelen. Het belangrijkste is dat de provinciale overheid versterkt wordt, dat het beperkte ambtenarenapparaat (in omvang en evaring) versterkt wordt. Meer mensen, meer aandacht  voor training en scholing, niet alleen in klaslokalen maar ter plekke in het oude gildensysteem: leren door te zien. Er moet gewerkt roeden aan effectieve samenwerking tussen die overheid en plaatselijke organisaties. Met veel zorg voor de onafhankelijke positie van die organisaties. Ze zijn geen verlengstuk van de overheid, laat staan van ISAF. Ze hebben hun eigen positie, willen met iedereen kunnen praten en afspraken maken.

(Weder)opbouw in Uruzgan is geen utopie, dat hebben de eerste vijftien maande laten zien. Maar het is ook niet iets dat zich laat organiseren op onze Nederlandse manier, in een strakke tijdsplanning en volgens een militaire logica en discipline. De missie is hoe dan ook, d.w.z. los van de vraag of hij wordt voortgezet, gediend bij het versterken van de aandacht voor die wederopbouw van onderop, gebruik makend van lokale capaciteit. Dat is investeren in de lange termijn van opbouw, ook als de Nederlandse militairen weg zijn en dus ook de foto en t.v.-camera’s.

Nederlandse militairen moeten doen waar ze goed in zijn, veiligheid bieden met respect voor lokale omstandigheden en met terughoudendheid om burgerslachtoffers te vermijden. Opbouw doen de Afghanen vooral zelf.