Afghanistan 2007 II

De Kamerleden zijn hun zomerreces ingegaan met iets om over na te denken: Moeten we de missie in Uruzgan verlangen of niet? Er is alle reden om die tijd goed te gebruiken, want het antwoord is niet eenvoudig. De afgelopen maanden hebben militairen en burgers met grote regelmaat verklaard dat de strijd in Afghanistan militair niet te winnen is. En in de Afghaanse samenleving (burgers, senaat en president) is er groeiende wreven over de burgerslachtoffers. Met die beide ingrediënten kan een beslissing over het al of niet voortzetten van de missie in Afghanistan niet alleen maar een debat zijn over technische en logistieke problemen: te grote slijtage van voertuigen, te weinig personeel voor de verschillende aflossingen. Het besluit over een vervolg van de missie gaat over veel meer, het gaat over de vraag of de strategie die tot nu toe gevolgd is nog voldoende perspectief biedt voor de toekomst.

Een overdenking zou moeten beginnen met een terugblik op wat we anderhalf jaar geleden wilden en wat dat heeft opgeleverd. In ieder geval is op één punt weinig terecht gekomen van de politieke inzet: de scheiding van ISAF en de Amerikaanse operatie Enduring Freedom (OEF) is niet tot stand gebracht. Het vaak eigenmachtig optreden van de Amerikanen in het opjagen en uitschakelen van (vermeende of echte) Taliban en Al Qaidi-strijders heeft de ISAF missie voorturend in een verkeerd daglicht geplaatst voor de Afghanen.

Het wederopbouw-karakter van de missie is beperkt gebleven. De quick-impact projecten van de Nederlandse militairen in Uruzgan hebben de Afghanen niet de overtuiging gegeven dat het beter gaat. De gemiddelde Afghaan heeft van de hoderden miljoenen voor wederopbouw niets gezien. Dat klopt ook wel als soms meer dan de helft van de gelden blijft hangen in de keten van contracten en subcontracten voordat er een  euro of dollar in Kabul is aangekomen. En dan moet het nog de lange weg afleggen naar Tarin Kowt of Kandahar.

De ISAF-missie lijkt geconfronteerd te worden met de problemen van zijn eigen succes. Er is nauwelijks sprake geweest van een serieus voorjaarsoffensief van de Taliban. Nu al ver in de zomer zijn geen provinciesteden van betekenis door hen veroverd. Het lijkt erop dat ISAF militair in ieder geval in staat is het wonderlijke mengsel opstandelingen van Taliban, etnische leiders, drugsbaronnen en warlords onder controle te houden. Maar het gevolg is dat de Taliban hun strategie lijken om te gooien naar die van terreur met autobommen, zelfmoordcommando’s en bermbommen. En daar is een staand leger, hoe flexibel ook, niet of nauwelijks tegen op gewassen. Zeker niet als een groot en onherbergzaam land als Afghanistan het moet doen met 35.000 militairen.

Als de strijd niet militair gewonen kan worden, zal er dus meer moeten gebeuren. Een andere strategie moet vooral bestaan uit een andere balans tussen de drie D’s van de integrale benadering: development, diplomacy en defense. Het meeste aandacht verdient de diplomatieke kant van het Afghanistan-probleem. ISAF zal samen met de Afghaanse overheid moeten gaan praten met de opstandelingen. In april heeft Gulab Hekmatyar al laten doorschemeren dat hij wel wil praten omdat hij teleurgesteld was in de Taliban. En onlangs liet een van de Taliban-leiders, Dr Aminul Haq, een van de mannen bovenaan de Amerikaanse lijst van gezochte Talibanleiders, weten dat hij wel met de Afghaanse leiders in Kabul wil praten. Natuurlijk voorlopig met onaanvaardbare voorwaarden (eerst alle buitenlandse troepen weg) maar dit soort onderhandelingen beginnen meestal zo. En Karzai heeft in maart al laten weten dat hij gesprekken heeft gevoerd met gematigde Taliban-leiders. Die kaart van onderhandelingen moet nu gespeeld worden. Het voordeel daarvan is bovendien dat het zal leiden tot veel meer Afghaans leiderschap in de oplossing van het probleem. Een diplomatieke oplossing zal vooral een intern Afghaanse oplossing moeten zijn. Diezelfde diplomatieke weg moet niet alleen centraal, maar ook decentraal gevoerd worden. Onderhandelen met lokale Talibanleiders en andere opstandige groepen in Uruzgan is nodig. Dat is niet alleen een kwestie van ministers en ambasadeurs. Op lokaal niveau zullen ook lokale leiders en vertegenwoordigers van NGO’s een rol kunnen en moeten spelen om er plaatse oplossingen te vinden. Ook daar zijn lokale leiders bereid tot arrangementen.

Er moet een sterkere nadruk komen op ontwikkelingsinspanningen. Internationaal gezien moet de hemeltergende verspilling in de keten voordat het hulpgeld Kabul bereikt grondig worde ingekort. Dan komt er meer geld ter plaatse en wordt meer verantwoordelijkheid gedelegeerd naar het Afghaanse niveau. In Uruzgan zal veel meer moeten worden geïnvesteerd in de provinciale en lokale overheid. Een gerichte strategie van capaciteitsversterking op dat provinciale niveau  heeft tot nu toe ontbroken en leidt niet tot versterking van het imago en de geloofwaardigheid van de provinciale en lokale overheid. Onderhandelen met de opstandelingen zal er op lokaal niveau ook toe leiden dat er afspraken kunnen worden gemaakt over het ongestoord uitvoeren ontwikkelingsprojecten.

Is er dan nog een rol voor de militairen. Het terugtrekken van ISAF is niet alleen een uitnodiging aan de Taliban om hun militaire kracht te tonen, maar zal ook zeker alle andere partijen en facties weer ertoe dwingen om hun kalashnikovs en granaatwerpers uit de schuur te halen. En dan is er niets nodig om het kruidvat opnieuw te doen ontbranden. Maar die militaire rol zal met meer bescheidenheid en vooral met minder burgerdoden moeten worden uitgevoerd.

De tijd dringt voor een nieuwe strategie. Volgend jaar staat Afghanistan voor nieuwe presidentsverkiezingen. De politieke coalitievorming die nu in Kabul gaande is, maakt het nog maar zeer de vraag of Karzai herkozen zal worden. Dan zouden ISAF en de VS wel eens hun beste bondgenoot in Afghanistan kwijt kunnen zijn.

Een discussie over de voortzetting van de missie gaat over fundamentele strategie-vragen. En dat zijn vragen die Nederland niet alleen kan beantwoorden. Nederland moet nu een duidelijk signaal naar de NAVO afgeven dat een heroriëntatie van de strategie noodzakelijk is.

Daarom is het nadenken van parlementariërs over de voortzetting van de missie veel meer dan nadenken over de vraag naar de slijtage van ons materieel.