Afghanistan 2007 III

Meer dan een gezellige theevisite

Het kabinet gaat in gesprek met maatschappelijke organisaties. Het regeeraccoord herhaalt vrijwel bij elk onderwerp dat uitgangspunt. In de reacties wordt dat van harte toegejuicht en dus lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Dat het als een vernieuwing wordt aangekondigd is niet zonder reden. Er is de afgelopen tien jaar veel gebeurt in de relatie tussen overheid en maatschappelijk middenveld. Gesprekken tussen kabinet en maatschappelijke organisaties zijn daarom geen ‘business as usual’. Die gesprekken komen op een cruciaal moment en de inzet en de uitkomst daarvan kunnen wel een beslissend zijn voor de relatie tussen overheid en maatschappelijke middenveld in de komende tien jaar.

In de afgelopen tien jaar zijn maatschappelijke organisaties steeds meer instrument geworden van overheidsbeleid. In alle sectoren (onderwijs, gezondheid, maatschappelijk welzijn, openbaar vervoer, ontwikkelingssamenwerking) is sprake geweest van een proces waarbij organisaties het verlengstuk zijn geworden van de overheid. Via de mechanismes van subsidieregelingen en aanbestedingsprocedures heeft dat proces zijn beslag gekregen. De overheid stelt de gewenste producten en diensten vast, organisaties mogen met hun aanbiedingen daarop inschrijven, concurreren op kwaliteit en prijs en vervolgens stellen gemeente,m provincie of rijk vast wie de klus krijgt. En als na die periode, bij de volgende offerte, een ander een beter bod uitbrengt, gaat het contract over. Zo worden organisaties vervangbaar en onderling uitwisselbaar en in feite wegwerp-instrumenten. Relaties doen er niet steeds minder toe. Wie denkt dat dat voor de klant niets uitmaakt omdat de klant tenslotte het beste en goedkoopste product of dienst krijgt, is naïef. Leerlingen in het onderwijs zijn niet zomaar blij met van boven af opgelegde schaalvergroting, het nieuwe leren en nieuwe financieringsconstructies. Klanten in de kraamzorg en de thuiszorg die weer andere verplegenden en verzorgenden zien omdat het contract is gewisseld, worden daar niet gelukkiger van. In de functionele rationaliteit van de huidige relatie overheid en maatschappelijke organisaties legt het belang van de relatie het af tegen het belang van productomschrijvingen en protocollering. Een van onze Afrikaanse Cordaid-partners zei me onlangs ‘Eigenlijk moet je ophouden met dat gepraat over partnerschap. Als jullie je zo laten instrumentaliseren door jullie overheid, hoe denk je dan nog geloofwaardig met ons over partnerschap te kunnen praten?’

Het vorige kabinet heeft nogal nadrukkelijk het gesprek met maatschappelijke organisaties ontlopen. De hervormingsagenda, waarin trendbreuken moesten worden gerealiseerd, leende zich niet voor het gesprek met belangengroepen die in de ogen van dat kabinet alleen eigenbelang verdedigen.

Tegen de achtergrond van die instrumentalisering praten de kabinetsleden de komende weken met maatschappelijke organisaties om te horen en te voelen wat er in de samenleving leeft. De vraag is of ze niet eigenlijk met zichzelf of tenminste met hun eigen verlengde arm in gesprek zijn? Zijn maatschappelijke organisaties en hun koepels nog wel voldoende in staat de verlangens en behoefte van leerlingen, patiënten, bewoners, OV-reizigers te vertolken? De afgelopen jaren hebben met name de bestuurders van maatschappelijke organisaties hun ogen vooral gericht op de overheid. De vraag wat in Den Haag (of op provinciehuizen of gemeentehuizen) gebeurde was voor hen van veel groter belang dan wat zich afspeelde in de klas, aan het ziekbed of in de bus. Daar lagen de contracten, daar lag de mogelijkheid om concurrentiepositie en imago te versterken. Er is sprake van een grote onevenwichtigheid in de upward-accountability en de downward-accountability: verantwoording naar boven is van oneindig veel groter belang geworden dan verantwoording naar beneden.

Tegen die achtergrond is de ronde van gesprekken die komen een spannende. Het herstel van de balans tussen verantwoording naar boven en verantwoording naar beneden zou de kern moeten zijn van het nieuwe gesprek tussen overheid en maatschappelijke organisaties. De overheid zou er belang bij moeten hebben dat ze minder naar de ogen gekeken werd door bestuurders van maatschappelijke organisaties. Dan zouden ze beter in staat zijn wensen en behoeften uit de samenleving op te vangen en te vertalen in nieuwe diensten en arrangementen. Dat zal ongetwijfeld niet altijd passen binnen de protocollaire en financiële beheersingskaders van de overheid, maar het op tafel houden van die spanning is voor de samenleving als geheel vruchtbaarder dan de instrumentalisering van het afgelopen decennium. Dat gesprek legt ook een flinke opdracht bij maatschappelijke organisaties. Zij moeten voorkomen dat het gesprek terugvalt in oude reflexen, waarbij maatschappelijke organisaties terugkeer naar oude en veilige (subsidie)verhoudingen zouden nastreven. Zij moeten ook vermijden het gesprek te laten gaan over de autonomie van professionals: laat het nu maar aan leraren, artsen en andere professionals over. Het gesprek moet gaan over professionele verantwoording, waarbij de verantwoording naar beneden (naar leerlingen, patiënten en bewoners, OV-passagiers) hoger op de agenda moet dan de verantwoording naar boven. Dan laten maatschappelijke organisaties iets zien van hun lerend vermogen de afgelopen jaren, om in te spelen op nieuwe en veranderende maatschappelijke realiteiten. Dan zullen ze ook beter in staat zijn om als interessante gesprekspartners van de overheid te fungeren als het gaat om het signaleren van ontwikkelingen in de samenlevingen en het vertalen daarvan in nieuwe diensten.

Tot slot moet het gesprek leiden tot  het verbinden van uitvoering en beleid. De WRR heeft in haar rapport ´Bewijzen van goede dienstverlening´  uit 2005 de scheiding tussen beleid en uitvoering als één van kernproblemen gedefinieerd in de relatie van overheid en maatschappelijke organisaties. Het kabinet heeft de kans om die relatie te herstellen en zo de interactie tussen beide te herstellen. Dan komt de discussie over het nieuwe leren uit ideologische loopgraven of uit over en weer beschuldigingen. Dan voorkomen we dat aanbestedingen in de thuiszorg kafkaiaanse processen worden die over van alles gaan, behalve over het primaire proces van dienstverlening tussen zorgverlener en patiënt. Dat vraagt van maatschappelijke organisaties inzet in die relatie met het bestuur, het aangaan van nieuwe relaties. Zoals in ontwikkelingssamenwerking, waar Cordaid en andere organisaties bereid zijn om het onzekere pad van samenwerking met militairen.

Daaronder ligt de vraag of de overheid dat gesprek ingaat met een nieuwe bescheidenheid, in de overtuiging dat de overheid zelf niet de samenleving ontwikkelt. Dat doen mensen en organisaties (maatschappelijke organisaties, bedrijven, onderzoekers). De overheid ordent en codificeert in wet en regelgeving. Het gesprek tussen kabinet en maatschappelijke organisaties moet meer zijn dan een prettige theevisite om eens te horen hoe het er in de samenleving voorstaat. Er staat veel meer op het spel voor de toekomst van het sociaal kapitaal van Nederland.