Gods kracht zit niet in wat Hij doet, maar in dat Hij er is.

Artikel gepubliceerd op website www.Volzin.nu

Tijdens de Nacht van de Theologie werd het boek ‘Alle dingen nieuw’ van Erik Borgman uitgeroepen tot beste theologische boek van 2019/2020. Theoloog René Grotenhuis ziet het boek als richtingaanwijzer voor de toekomst. “We staan midden in de wereld en onze aanwezigheid is onze grote kracht.”Boeken18 november 2020door René GrotenhuisErik Borgman© Arjan Broers

Met de titel ‘Alle dingen nieuw’ plaatst Erik Borgman zijn theologie voor de 21e eeuw in het perspectief van toekomst en belofte. Het is de belofte aan het eind van het boek Openbaring (21:5). De is ook een welkom perspectief op een moment dat de bestaande kerkelijke structuren en instituties verder verschrompelen.

Hoewel dit eerste deel nog geen ecclesiologie bevat (wie weet komt dat in één van de twee volgende delen), is dit eerste deel voldoende inspiratie om te onderzoeken hoe we de theologie zoals die hier ontwikkeld wordt, kunnen benutten voor het denken over de toekomst van geloofsgemeenschappen en van de kerk als organisatie.

Die vraag dient zich overal aan. Geloofsgemeenschappen realiseren zich dat in de huidige vorm hun tijdshorizon niet langer is dan tien jaar. De corona-crisis is een extra impuls om de vraag naar de toekomst te beantwoorden. Het is zeer de vraag of de basis van geloofsgemeenschappen (actieve gelovigen, vrijwilligers, financiën) zich na de crisis weer in dezelfde omvang herstelt.

Geleefde ervaring

Borgman bouwt zijn theologie op de geleefde ervaring van mensen. Hij gebruikt daarvoor dichters en schrijvers die in hun werk de kracht van de geloofservaring tot uitdrukking brengen. Bekende (Simone Weil, Charles Whitman, James Joyce) en mij onbekende (Flannery O’Connor, Caryll Houselander) auteurs zijn voor Borgman de vindplaatsen om op het spoor te komen van Gods aanwezigheid. Met deze manier van theologie bedrijven ziet Borgman af van een robuust, stevig en systematisch verankerd beeld van God.

Door de geleefde ervaring centraal te stellen wordt geloven in zekere zin een gebeurtenis, iets dat zich voltrekt en zich aan je voordoet. Die ervaring wordt vervolgens verbreed en in een bredere geschiedenis geplaatst van de christelijke traditie geplaats, zoals ook de dichters en schrijvers hun ervaring steeds plaatsen in de geschiedenis die inhoud en betekenis geeft aan hun persoonlijke ervaring.

Door de geleefde ervaring centraal te stellen wordt geloven in zekere zin een gebeurtenis, iets dat zich voltrekt en zich aan je voordoet

rené grotenhuis

Hier is sprake van inductieve in plaats van deductieve theologie: Borgman denkt niet vanuit een vooraf gegeven definitie of theorie die vervolgens op de individuele ervaring wordt geplakt, het is de omgekeerde weg waarbij de individuele ervaring verhelderd wordt vanuit datgene wat in voorgaande generaties is gedacht en geloofd.

In die omdraaiing is geen plaats voor begrippen als alwetend, alziend, almachtig in de klassieke zin van het woord. Een God aan wie niets ontgaat, die alle plussen en minnen  van ons gedrag registreert en alles onder controle heeft, verdwijnt achter de horizon. De schrijvers en dichters die Borgman ten tonele voert hebben niets met dat Godsbeeld dat zo vaak de kop op duikt in gesprekken over kerk en geloof.

Het zoeken naar de God zie zich laat zien en die zich in de geleefde ervaring manifesteert brengt ons terug naar de oorsprong van de Joodse traditie als God in Exodus (3:14) zijn naam onthult aan Mozes: ‘ik ben die is’. De kern van God is zijn aanwezigheid, zijn ‘erbij zijn’. Dat brengt Borgman er toe om te schrijven (p196): ‘God heeft geen plan, waaraan alles zich moet onderwerpen, inclusief wij mensen. God begeleidt met de liefde die Hij in het leven en lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus heeft laten zien als zijn essentie, mensen en andere schepselen in hun vrijheid.’

Gods kracht zit niet in wat hij doet, maar in dat Hij er is. Deze manier van kijken neemt afscheid van een interventionistisch godsbeeld, God als degene die ingrijpt in de loop der dingen. God is niet degene die in de zijlijn staat en toekijkt en ingrijpt als het gaat zoals het zou moeten. Hij is dus ook niet degene die we ervan kunnen betichten dat Hij het verkeerde doet of nalaat God is niet degenen die we kunnen verwijten dat de oorlog in Syrië doorgaat of dat jonge moeders sterven aan borstkanker.

Gods kracht zit niet in wat hij doet, maar in dat Hij er is. Deze manier van kijken neemt afscheid van een interventionistisch godsbeeld, God als degene die ingrijpt in de loop der dingen

RENÉ GROTENHUIS

Hij is erbij, zoals beloofd aan Mozes. In deze manier van denken valt ook de concurrentie tussen God en mens weg: de vraag is niet of iets mijn handelen of Gods handelen is. Er is geen winst en verkiesrekening tussen God en mensen, waarbij alles wat bij ons aan de creditzijde staat, aan Gods kant debet is. In het leven  van mensen is Hij aanwezig en wil Hij met zijn aanwezigheid ons leven doorlichten en van betekenis voorzien.

Van macht ontdaan.

Deze nadruk op God als de aanwezige biedt een nieuwe basis om na te denken over wat het betekent kerk te zijn. Als wij een God verkondigen die aanwezig is, die erbij is, en waarbij klassieke invulling van alwetend, almachtig en alziend niet langer het Godsbeeld bepalen, is er ook geen reden om als kerk voort te gaan op basis van de pretentie dat we alwetend, alziend, almachtig zijn.

Als we geloven dat de kern van God niet is dat Hij alles registreert en noteert en alles onder controle houdt, waarom zouden we als kerk ons dan zo moeten presenteren? Dan is onze ambitie niet om een extern ingrijpende kracht te zijn die zorgt dat de samenleving in de goede richting gaat of die met ge- en verbodsborden het maatschappelijk verkeer wil sturen.

Als God geen plan heeft, waaraan alles en iedereen zich moet onderwerpen, waarom zouden we dan als kerk dat wel hebben? De theologie voor de 21e eeuw die Borgman presenteert, wordt zo ook een leidraad voor het denken over de toekomst van geloofsgemeenschappen en de kerk.  

Aanwezigheid

Wat betekent het als ‘erbij zijn’ de kern is van geloven en daarmee ook van de geloofsgemeenschappen? Het laat de gedachte varen dat we als kerk de wereld vanaf de zijkant bekijken en er vervolgens van alles van vinden. Het is niet onze taak vast te stellen wie deugt en wie niet. Wij hoeven geen kasboek bij te houden om de plussen en minnen van de wereld te registreren. We staan midden in de wereld en onze aanwezigheid is onze grote kracht.

Aanwezigheid gaat vooraf aan wat we doen en wat we zeggen. Zeggen en doen als vrucht van het aanwezigheid en verbondenheid is iets anders dan zeggen en doen op basis van wat we vinden dat zou moeten of op basis van een plan dat wij hebben. Ik sluit daarmee aan bij het beeld van het veldhospitaal dat paus Franciscus gebruikte om de opdracht van de kerk vandaag te beschrijven.

We staan midden in de wereld en onze aanwezigheid is onze grote kracht

rené grotenhuis

Temidden van het leven in al zijn schamelheid en grootsheid is de kerk aanwezig. Ze trekt erop uit om op het slagveld van het leven op zoek te gaan naar mensen die gewond en verslagen zijn en bij te staan voor wie het simpelweg teveel is. Ze is een plek waar mensen op adem kunnen komen. Als ze al een oordeel heeft over het strijdtoneel en de strijdende partijen is dat omdat ze nabij is aan degenen die gewond en verslagen zijn.

De kerk die erbij is, is geen nieuwe uitvinding, ze is de onderstroom die er altijd is geweest. Sint Franciscus en pater Damiaan die hun leven deelden met de melaatsen, de priester-arbeiders, de religieuzen die in Afrika zorgden dat aidspatiënten waardig konden sterven, de monniken van Tibhirine in het Atlas gebergte die hun Islamitische dorpsgenoten niet in de steek lieten. We hoeven niet iets nieuws te bedenken, we moeten het van nieuwe inhoud voorzien.

Om ‘erbij zijn’ als kernkwaliteit vorm te geven, hoeven we niet ver weg te gaan. Het is ook in onze nabijheid te vinden. Het pastoraat in ziekenhuizen en gevangenissen is bij uitstek een pastoraat waarbij het draait om nabijheid, om erbij zijn. Pastores in ziekenhuizen, verpleeghuizen en gevangenissen hebben geen agenda als het gaat om genezing of behandeling of om justitiële correctie. Ze zijn geen deel van de behandelstrategie van de instelling. Hun aanwezigheid als veldhospitaal in de gezondheidszorg of het justitiesysteem  is hun grote helende kracht.

Datzelfde geldt ook voor buurtpastores, straatpastores die met hun aanwezigheid betekenisvol aanwezig zijn voor mensen. In een wereld waarin alle instanties iets van mensen willen waar intakeprocedures bepalen of je ergens binnen mag of ergens recht op hebt en waar voortgang en resultaten bepalen of de dienstverlening wordt voortgezet, zien buurtpastores de helende kracht van aanwezigheid en nabijheid.

Om ‘erbij zijn’ als kernkwaliteit vorm te geven, hoeven we niet ver weg te gaan. Het is ook in onze nabijheid te vinden. Het pastoraat in ziekenhuizen en gevangenissen is bij uitstek een pastoraat waarbij het draait om nabijheid

rené grotenhuis

In het verhaal van de brandende braambos is Exodus, waar God zijn naam aan Mozes bekend maakt zegt Jahweh, ‘ik heb de ellende van mijn volk gezien, de jammerklachten om zijn. Onderdrukkers gehoord: ja, Ik ken zijn lijden’ (Ex 3:7). Hij is erbij, hij ziet het lijden en hij kent het. Dat beweegt Hem in zijn nabijheid.

Kloosters zijn eveneens plaatsen waar de bezoekers niets hoeft, maar waar mensen de ruimte krijgen om hun leven te zien in al zijn facetten. Het zijn, net als het veldhospitaal van paus Franciscus, gastvrije plekkenwaar mensen op adem kunnen komen met wat ze meemaken.

Bij al die vormen van ‘erbij zijn’ gaat het om een beweging die centraal stelt wat aan de rand staat. Wat zich in de marges van de samenleving afspeelt, in gevangenissen, in achterstandswijken, in opvangcentra voor daklozen, of wat zich in de marge afspeelt van justitie-inrichtingen en zorginstellingen, dat wordt het centrum: ‘de steen die de bouwlieden hebben verworpen is de hoeksteen geworden’.

Verhaal en ritueel

Een kerk die  erbij wil zijn heeft twee belangrijke bronnen vanuit de traditie bij zich. Allereerst zijn dat de verhalen uit de schrift en de verhalen van gelovigen uit de geschiedenis. De ervaringen van mensen staan niet op zichzelf, ze zijn geen atomaire deeltjes die ergens rondzweven in de geschiedenis. Ze verbinden zich met de verhalen van mensen van alle tijden. Daarin krijgen ze betekenis en worden ze geduid. Dan blijkt steeds weer dat het verhaal van lijden ook het verhaal van opstanding in zich bergt en dat de ervaringen van zinloosheid opgetild worden naar nieuwe zin en beteken is. Het vertellen van verhalen is bevrijdend omdat het mensen verbindt en deel laat zijn van een groter geheel.

Daarnaast beschikt de traditie van met name de katholieke kerk over een rijkdom aan rituelen. De sacramenten zijn de kernmomenten waarin ons leven verbonden wordt en gedragen wordt met Gods aanwezigheid. Naast de sacramenten is er een brede waaier van rituelen die helpen het leven steeds  in een groter geheel te plaatsen: het askruisje, Allerzielen, retraites en pelgrimages, rozenkrans.

Ze mogen in de katholieke beeldenstorm van de jaren zestig en zeventig gesneuveld zijn, de lange lijn. Van die traditie blijft krachtig genoeg om dit breukmoment te overleven. Inmiddels zijn sommigen van die rituelen (kaarsen opsteken, Allerzielen) in geseculariseerde vorm deel geworden van de samenleving. Dat geeft aan hoe krachtig rituelen zijn om ook in deze tijd verbeelding en betekenis te geven aan wat mensen meemaken.

Beweging

Een kerk die ‘erbij zijn’ als haar belangrijkste kernkwaliteit ziet, heeft niet zoveel behoefte aan een zware institutionele ordening. In de periode na de Franse revolutie is de institutionele kant van de kerk sterk uitgebouwd in een poging een tegenhanger te zijn van de groeiende institutionele kracht van de natiestaat.

De kerk zal zich ontwikkelen tot een ’lichte institutie’ waarin het bindmiddel niet bestaat uit canoniek recht en disciplinaire controle, maar waarin een gedeelde missie en inspiratie de samenhang bewaart. Het gaat meer om een beweging dan om een instituut. De afbrokkeling van het instituut, die we de afgelopen decennia hebben gezien is een noodzakelijk proces om ruimte te maken voor een nieuwe vorm van organiseren die past bij een nieuw verstaan van onze kernkwaliteit.

Bestaan

Alle dingen nieuw is een uitdagende manier van theologisch denken. Als het geleefde leven de plaats is waar God zich laat kennen en waar hij aanwezig wil zijn opdat wij ons leven begrijpen als een betekenisvol bestaan, dan kunnen we vandaaruit ook opnieuw denken over de kerk. Dat is niet het managen van de krimp of het zo goed mogelijk overeind houden van de kerk zoals  we die in de loop van de afgelopen anderhalve eeuw hebben opgebouwd. Dan komen we in de vrijheid van de kinderen Gods om opnieuw vorm te geven aan Zijn aanwezigheid en aan Zijn verlangen alle dingen nieuw te doen zijn.