Afghanistan 2010

Een veiliger Afghanistan? Praten over soldaten biedt geen soelaas

Meer dan ooit lijkt de militaire inzet centraal te staan in het debat over de toekomst van Afghanistan. Dit terwijl een degelijke politieke en ontwikkelingsagenda nog altijd cruciaal zijn voor de veiligheid op iets langere termijn, betoogt René Grotenhuis, algemeen directeur Cordaid.

‘Deze oorlog tegen de Taliban winnen we niet op het slagveld.’ Amper een jaar geleden was dat de overheersende mening van vrijwel iedereen die bij Afghanistan betrokken was, ook van de hoogste militairen van ISAF. En zie, de afgelopen maanden wordt, zowel in de VS als in Nederland vrijwel alleen gesproken over troepenvermeerdering, c.q. voortzetting van de militaire aanwezigheid in Uruzgan. Meer dan ooit lijkt de militaire optie centraal te staan in de toekomst van Afghanistan en lijkt het of alle analyses van 2008 en 2009 vergeten zijn.

Op het politieke toneel heeft Karzai dezer dagen opgeroepen tot een politiek accoord met de Taliban. Het is niet de eerste keer dat hij daarop zinspeelt en het is onduidelijk of het nu menes is. De deals die Karzai in de aanloop naar de verkiezingen sloot met een aantal oude warlords (notoire tegenstanders van de Taliban) geven weinig hoop dat een breed politiek akkoord mogelijk is. Het is dan ook zeer de vraag of het nieuwe kabinet, waarvan de samenstelling nog ongewis is na de verwerping van zoveel kandidaatministers door het parlement, een flinke stap zal zetten naar een nieuw politiek proces. En zelfs als er een interne politieke dialoog op gang komt, is er de onzekere factor van de landen in de regio (Iran, China, Rusland, Pakistan, India) die allemaal met argusogen naar Afghanistan kijken en regelmatig interveniëren. Interne politieke oplossingen zijn alleen mogelijk als de buurlanden Afghanistan voldoende rust laten.

Op het terrein van ontwikkeling worden traag vooruitgang geboekt. Natuurlijk is het onderwijs enorm toegenomen en is de gezondheidszorg in het land sterk verbeterd. Maar het zijn successen die we ook twee jaar geleden al vierden en waar we niet eeuwig op kunnen blijven teren. Voor de ontwikkeling van Afghanistan zijn nieuwe stappen nodig waarbij we geleerde lessen van de afgelopen jaren in praktijk brengen. Nog steeds zitten in de financiering van programma’s en projecten teveel subcontractors waardoor soms niet veel meer dan de helft aankomt. Nog steeds wordt er veel teveel top-down georganiseerd met een sterke nadruk op het centrale gezag in Kabul. Afghanistan kent juist vele lokale conflicten, geworteld in lokale problemen ver weg van Kabul. Om deze conflicten – belangrijke voedingsbodem voor Taliban – aan te pakken, is het cruciaal voor maatwerk te kiezen en lokale gemeenschappen in te schakelen. Juist een bottom-up benadering waarbij zij en lokale ontwikkelingsorganisaties worden benut, kan een verschil maken. Terecht wordt er in de nasleep van de verkiezingsfraude vanuit het buitenland meer nadruk gelegd op de aanpak van corruptie in Afghanistan, maar ook de design van projecten en programma’s van donorlanden moet op de schop. De lappendeken van PRT-aanpakken (elk land doet het op zijn eigen manier) blijft doorgaan. De Amerikanen hebben zich, naast de troepenversterking, ook uitgesproken voor meer inzet op ontwikkeling. Geld rondstrooien en het invliegen van allerlei adviseurs en technische deskundigen is echter geen teken dat de Amerikanen de les van de afgelopen jaren hebben geleerd.

Er is geen twijfel over dat er in Afghanistan nog steeds een veiligheidsprobleem is. En hoewel politieke dialoog en ontwikkeling noodzakelijk zijn voor duurzame veiligheid, zijn ze onvoldoende waarborg voor veiligheid op korte termijn. Partnerorganisaties van Cordaid in Afghanistan zien daarom de realiteit dat zonder ISAF een veiligheidsvacuum ontstaat dat of door Taliban of door opnieuw vechtende warlords zal worden gevuld.

Een eventuele bijdrage daaraan moet in perspectief worden geplaatst. Bij een mogelijke inzet van 500 man vormt Nederland 0,5% van de totale ISAF macht in een provincie waarvan de strategische betekenis klein is. Nederland zal bovendien geen lead-nation meer zijn. Dat betekent afscheid nemen van de gedachte dat het een Nederlandse missie is, dat Uruzgan een ‘Nederlandse’ provincie is, dat de Dutch approach vanzelfsprekend de leidende aanpak zal zijn. Een afgeslankte Nederlandse missie in Uruzgan is misschien belangrijk voor de relatie met Amerika, ze is niet meer van militair strategisch belang. Maar als Nederland haar militaire presentie wil handhaven, is er maar een plaats om dat te doen: Uruzgan. Een nieuwe kleine missie starten in een andere provincie is kapitaalsvernietiging. Er is echter zeker zo zinvol (zo niet zinniger) de Nederlandse betrokkenheid bij Afghanistan voort te zetten door het ondersteunen van de hierboven genoemde politieke dialoog, door bijdragen aan goed bestuur, een functionerende rechtspraak, een goed functionerende politie.

De noodzaak om een besluit te nemen over de mogelijke voortzetting van de Nederlandse militaire aanwezigheid doet niets af aan de constatering van anderhalf jaar geleden dat de strijd tegen de Taliban niet op het slagveld wordt gewonnen. De Afghanistan-conferentie in Londen dezer dagen biedt de kans een agenda te formuleren voor een politieke oplossing en voor effectievere ontwikkelingssamenwerking. Londen moet meer zijn dan een marktplaats waar het gaat om vraag en aanbod van troepen. Nu Obama terecht een exit-strategie heeft aangekondigd voor de militaire aanwezigheid zullen de agenda’s van veiligheid en ontwikkeling meer uit elkaar gaan lopen. De korte termijn agenda voor de militaire aanwezigheid zal onvoldoende zijn om duurzame veiligheid voor Afghanistan te scheppen. Er is daarom alle reden en noodzaak voor Afghanistan en de internationale gemeenschap de politieke en ontwikkelingsagenda voor Afghanistan voor een langere periode opnieuw te formuleren.